Poëzie

Gedichten als grafstenen

Beeld Maartje Geels

Ooit schreef Remco Campert een klein gedicht voor een Cubaanse dichter die jarenlang gevangen had gezeten. Deze Jorge Valls Arango kreeg na zijn vrijlating een prijs voor verdrukte schrijvers. 

Het was een prijs voor ‘een prestatie die hij liever niet geleverd had / maar waarvoor hij nu wordt toegejuicht’, merkte Campert raak op.

Ik moest aan de strekking van die woorden denken toen de afgelopen weken de naam van Menno Wigman steeds opdook. Dát zijn poëzie nog gelezen werd, zou hem vast hebben verheugd. Maar dat hij fóut werd geciteerd, en door een politicus met wie hij zich bij leven nooit geafficheerd zou hebben, nee, dat liever niet. Dat lieten ook zijn nabestaanden duidelijk weten.

Menno Wigman overleed ruim een jaar geleden. In een interview zei hij eens: “Schrijven is misschien wel het bezweren van de doodsangst. De niet te dempen angst voor het abstracte niets. Poëzie als bezweringsritueel.” Overal in zijn poëzie wandelde de dood tussen de woorden door, maar in de gedichten die hij schreef voor eenzame uitvaarten was die misschien nog wel het meest aanwezig. In ‘Ik weet niet goed tot wie ik spreek’ zijn die gedichten verzameld, een boekje dat gefinancierd werd met het prijzengeld van de Ida Gerhardtprijs, die Wigman postuum kreeg toegekend.

Het heeft iets troostends dat mensen die moederziel alleen waren in hun stervensuur hier samen zijn gebracht. Een klein kerkhof, met gedichten als grafstenen voor de Engelsman die als toerist naar Nederland leek gekomen - ‘Voor jou. Voor jou/ houdt Amsterdam zijn gevels overeind,/ bouwt men er tunnels, pubs en torens bij.’ - maar hier uiteindelijk koos voor de dood. En de Chinees, een sans-papiers, gestorven in een woning aan een van de drukste straten van Amsterdam, en niemand die het merkte.

‘Gemeentekist’

Naast Igor met de tatoeages (‘Hoelang al was je in jezelf verongelukt?’) ligt de oude mevrouw P.: ‘Slaapt ze? Ze slaapt. Na drieëntachtig jaar, / driehonderdvijfenzestig keer per jaar / haar haar gekamd te hebben, op ik weet niet hoeveel / schoenen door de stad te zijn gelopen, / steeds maar weer die veters, vorken, lepels, / mensen, wat voor mensen, waar dan, slaapt ze.’

Ieder gedicht is een poging om dichterbij de onbekende persoon in de ‘gemeentekist’ te komen, om iets van een leven te ontraadselen. Zoals alle gedichten evengoed over meer gaan dan de gestorvene alleen. De dood gaat iedereen aan.

De gedichten ontstonden tussen 2003 en 2017 en veel ervan werden, vaak gewijzigd, opgenomen in afzonderlijke bundels. Maar al schaafde hij er na de begrafenis nog aan, ook in de eerste versies, voorgedragen tijdens de uitvaart, waren de woorden precies zo gezet dat het klopte. Het beeld, het ritme, de melancholieke toon. En zelfs als de overledene helemaal niet van poëzie hield - Wigman stelde het zich weleens voor - dan was er de taal waarmee een droef geëindigd leven zacht werd bedekt.

Het kan hier zoals overal, door Menno Wigman

Ik heb vanochtend voor je huis gestaan.
We deelden jarenlang dezelfde buurt.
Dezelfde wolken prijkten voor je raam.
We namen geld op uit dezelfde muur
en leefden even scheef als mensenschuw.

Geen spoor meer van de lakens voor je raam
of van dat briefje met die vrouwennaam.
‘Daniëlle, ik hou van je.’ Weggegrist.
- Je was de oudste van negen. ‘Een vreemde eend’,
maar zo begaafd. Een vader bij de marine

die naar Indië werd uitgezonden, later in Australië
zijn vrouw opliep, gewonden op zijn netvlies,
het hield niet stand. Je jeugd bij pleeggezinnen,
de zieke adem van een internaat. En toch,
toch wist ook jij een vrouw te vinden.

Laat ik hier niet over je zoon beginnen.
Wat is er in het licht niet allemaal mislukt?
Ik loop naar huis, begeef me naar het raam
en zie de nu al jaren geblindeerde ramen
aan de overkant. Het kan hier zoals overal.
Dat je mag rusten in een nieuw heelal.

Opgedragen aan J.W.H.
#22, 29 augustus 2017

Menno Wigman
Ik weet niet goed tot wie ik spreek
Met een voorwoord van Lex ter Braak
Prometheus; 32 blz. € 17,99

Janita Monna (1971) is journalist en recensent. Ze woonde lange tijd op Bonaire waar ze als correspondent werkte. Monna werkte als redacteur voor Poetry International festival en was initiatiefneemster voor de jaarlijkse Gedichtendag. Voor Trouw schrijft ze wekelijks over poëzie.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden