Review

Gedachten die klinken en blinken

Johan Huizinga was een uitzonderlijk groot historicus en schrijver ineen. De wetenschapper en de schrijver zijn in Huizinga’s werk niet te scheiden; het ’schone’ en het ’ware’ konden elkaar niet missen. Willem Otterspeer analyseert dat schrijverschap, en bestudeert de ethiek en esthetiek van zijn grote voorganger aan de universiteit van Leiden in ’Orde en trouw’.

Even, aan het begin van zijn boek, laat Otterspeer zich ontvallen dat tot nu toe Huizinga onze enige kanshebber was op de Nobelprijs voor de literatuur. En al wat volgt in ’Orde en trouw’ is eigenlijk betoog en bewijs voor het gelijk van die terloopse gedachte. Huizinga was een estheet, een literator, die op elke bladzijde die hij schreef ernaar zocht het ware en het schone met elkaar te verenigen. Dat uiteen te zetten is het doel van Otterspeer.

Daarom is dit boek niet een biografie, evenmin een analyse van Huizinga als historicus, maar eerder een studie in stijl. En dat is het op twee manieren. Allereerst als onderzoek naar Huizinga als schrijver: de evocatieve effecten van zijn verbeeldingen en de verklanking van zijn vertelling in alliteraties en assonanties, bijvoorbeeld, of zijn mengeling van motief en metafoor.

Maar het is ook een studie in stijl omdat Otterspeer hierdoor is aangeraakt en zelf niet minder zoekt het ware te verheffen met behulp van het schone: hij heeft zijn studie in stijl geschreven.

In zijn toonzetting van Huizinga’s taalkunstige begaafdheid, grijpt Otterspeer graag terug op diens meesterwerk, ’Herfsttij der Middeleeuwen’ uit 1919, eigenlijk een lentekind want het meeste van zijn werk moest daarna nog verschijnen.

Alleen al de titel roept beelden op van bossen en bomen die eenmaal nog pralen in veelkleur voordat zij versterven. En zo waren ook de levens- en gedachtenvormen van de 14de en 15de eeuw. Hun gestalte was louter vorm geworden, verstard en veruiterlijkt, het leven eruit geweken. Dat zou zijn weg vinden naar nieuwe ontpoppingen in een latere bloei van verscheiden veelkleurigheid in volgende eeuwen.

En dan Huizinga’s eerste hoofdstuk, ’ ’s Levens Felheid’: wat een pregnante pracht aan klank en kleur, contrast en consonantie, verbeeldingskracht en vorm; geen mooier hoofdstuk ooit is er geschreven in opdracht van de geschiedenis.

Klank en kleur geven het verleden stem en fleur. In zijn Herfsttij nog het meest: ,,De klokken waren in het dagelijksch leven als waarschuwende goede geesten, die met bekende stem dan rouw, dan blijdschap, dan rust, dan onrust kondigden, dan opriepen, dan vermaanden.’’ Waarop Otterspeer fijnzinnig opmerkt: ,,Dit herhaalde ’dan’, dat ìs klokgebeier.’’

Elders laat Huizinga de 17de-eeuwse carillons van Amsterdam ’een bui van goud en zilver’ sprenkelen ’over den rondedans der nieuwe grachten’. Hij dacht dat elke tijd zijn eigen grondtoon had, elke eeuw zijn eigen instrument. In de flamboyante gotiek zag, nee hoorde hij, een vervlochten capriccio van orgeltonen in een eindeloos naspel; de Barok klonk hij samen met koor en orkest.

Kleuren zijn niet minder belangrijk. Huizinga wijst op hun symbolische betekenis: blauw staat voor trouw en in groen glimt een prille liefde. Zwart is nadrukkelijk aanwezig in de duivel die ’met zijn zwarte vlerken een duistere aarde dekt’. Maar ook hier overheerst er een grondkleur: die van rood waarmee de Middeleeuwen oplichten in hun avond.

Bovenal vatte Huizinga het verleden in zijn samenstellende tegenstellingen. Die vormen ’het DNA van zijn denken’, schrijft Otterspeer. Cultuur kwam op kleur door contrasten die in evenwichtigheid een eenheid creëren. Heel fraai brengt Otterspeer dat onder woorden als hij schrijft dat Huizinga in de Herfsttij ’het periodiek systeem van de middeleeuwse passie [geeft] in de contrasten van rijkdom en armoe, warmte en kou, donkerte en licht, stilte en gedruis, stad en land, wanhoop en geluk, wreedheid en tederheid’. Hetzelfde gedragener bij Huizinga in zijn beginzinnen: ,,Toen de wereld vijf eeuwen jonger was, hadden alle levensgevallen veel scherper uiterlijke vormen dan nu. Tussen leed en vreugde, tussen rampen en geluk scheen de afstand groter dan voor ons; al wat men beleefde had nog die graad van onmiddellijkheid en absoluutheid, die vreugde en het leed nu nog hebben in de kindergeest.’’

Zijn boek over Erasmus plaatst deze tegenover Luther, nuance tegenover leerstelligheid, de vrije wil versus vrome onderwerping. Huizinga’s ’Mensch en menigte in Amerika’ heeft het contrast al in de titel. En Nederland’s beschaving in de 17de eeuw is een contrapuntische orgelfuga vol tegenmelodieën: Holland tegenover de landgewesten, commercie in conflict met confessie, kooplui contra kerkvolk, geleerden versus ongeletterden, het verschil tussen stad en land.

Als we het hebben over de tegenstellingen die het evenwicht van een cultuur constitueren, dan impliceert dat de overgang van vorm naar inhoud, van stijl naar cultuurbegrip. Want stijl en vorm drukken iets wezenlijks uit van een cultuur.

In 1919, in het ’voorbericht bij den eersten druk’ van zijn ’Herfsttij’, schreef Huizinga nog dat hij niet wist wat dat wezenlijke was: ,,Den wezenlijken inhoud te benaderen, die in die vormen heeft gerust, - zal het ooit het werk zijn van geschiedkundig onderzoek?’’ Maar in 1935, in zijn ’In de schaduwen van morgen’, meende hij daar toch meer over te kunnen melden. Een cultuur bestaat in een harmonisch evenwicht tussen het stoffelijke en het geestelijke, in het homogeen nastreven van een doel en daarmee het hebben van een ideaal, voorts in de beheersing van de natuur en niet minder van de eigen menselijke natuur.

Dat was allemaal in verval geraakt. Huizinga maakte zich grote zorgen over onze onmatigheid en onevenwichtigheid, onze oordeelsverzwakking en oppervlakkigheid; ’Ondergangsstemmingen’, zo noemde hij zijn eerste hoofdstuk.

Het boek maakte hem pas echt beroemd en scheen volgens Otterspeer ’direct in de bloedbaan van het Europese intellectuele leven [te zijn] geïnjecteerd’.

Duidelijk is dat hier de ethiek bij Huizinga zwaarder is gaan wegen dan zijn esthetiek. Maar ook nu weer een bouquet aan bittere beeldspraken: met verwijzing naar de nazi’s heeft hij het over hun ’hemd-en-hand-heroïsme’, hun geest van ’parade en in den pas loopen’, die hij elders duidde als ’kwajongensachtigheid in het quadraat’.

Die verbinding van ethiek en esthetiek, trouwens, legde Huizinga uitdrukkelijk ook zelf: ,,Wat stijl heet in het aesthetische, heet in het ethische orde en trouw.’’ En dan zijn we weer terug bij Otterspeer en weten we nu dat hij met zijn titel hulde aan Huizinga brengt.

Zonder Otterspeers ’Orde en trouw’ zouden we ook wel van Huizinga genieten. Maar hij leert ons Huizinga lezen, analyseert diens schrijverschap, ontsluit onvermoede dimensies, en opent ons voor zijn woordenpracht. In zijn hoofdstukken (’Lezen en Schrijven’, ’Contrast en Harmonie’, bijvoorbeeld) heeft Otterspeer in vorm en inhoud Huizinga ontleed en weer samengesteld als de literator onder de historici en als de geschiedschrijver die telkens weer teruggreep op de literatuur: ook ’Orde en trouw’ is een contrapuntische compositie. Vaak, en terecht, wordt Huizinga geciteerd zodat deze doorklinkt, hoog en schoon als een orgeltoon die blijft hangen alhoewel de organist niet meer leeft en van hogerhand zijn partituur reeds werd gesloten.

Spengler heeft ooit opgemerkt dat geschiedenis geen wetenschap is: over de geschiedenis moet men dichten. Huizinga heeft dat woord waargemaakt; hij was volgens Otterspeer (vrij naar Willem Kloos) ’een dichter in het diepst van zijn gedachten’. Het is niet moeilijk om licht lyrisch te worden bij de lectuur van Huizinga. Hij – zijn meest geliefde instrument was het orgel – was de organist van zijn gedachten die alle grepen kende waarmee hij ze kon laten klinken en blinken. En Otterspeer kent het geheim van de registers.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden