Review

Fuksas bepleit nieuwe mentaliteit

Een grote stellage staat tegen de achtermuur van het Zwitserse paviljoen in de Giardini. Zonder dat je een kaartje voor de biënnale in Venetië hoeft te kopen, kun je het paviljoen in klimmen. Binnen wacht je een desolate leegte. Alleen op de wanden staan teksten gekrabbeld. Racistische moppen vol buitenlandervrees. Een mep in het gezicht van de politiek correcte mens die op de biënnale architectonische visies op het inrichten van onze samenleving verwacht.

Zwitserland geeft een verraderlijke draai aan Massimiliano Fuksas' motto voor de biënnale 'The City: Less aesthetics, more ethics'. In de schoot van het motto schuilt de kiem voor een nieuw ethisch reveil, voor het terugplaatsen van de architect in het hart van de maakbare samenleving. Wie dacht dat het paradijselijke idee van de maakbare samenleving in de jaren zeventig schipbreuk had geleden, wordt door Fuksas op andere gedachten gebracht.

De ironie van Zwitserland (met als gastcurator Harm Lux) relativeert op een feilloze manier Fuksas' missie. We zullen eerst de mentaliteit van de mensen moeten aanpakken, voordat we een geschikte omgeving voor de zwakkeren, de outcasts en de vluchtelingen van onze maatschappij (vaak degenen waarop de maakbaarheid is gericht) kunnen ontwerpen.

Ook Frankrijk houdt zich met dit probleem bezig. In dit paviljoen zijn alleen op de wand geschreven teksten te zien. Hier echter geen foute moppen, maar uitgebreide verhandelingen over ethiek en de rol daarvan in de architectuur en maatschappij. Eén van de statements luidt: 'Een hedendaagse functie van de ethiek, is het politieke begraven'. Net als de Zwitsers richten de Fransen de blik op de cultuur van immigranten.

Er zijn nog drie andere landen die geen architectuur tonen, maar een statement maken over het thema Tsjechië/Slowakije en Canada. De Tsjechen en Slowaken reflecteren op de na 1989 ontstane politieke constellatie en hoe ruimtelijke ordening, stedenbouw en architectuur daarin functioneren. In het Canadese paviljoen toont Melvin Charney rijen krantenfoto's waar (delen van) gebouwen op staan. Het zijn voor een groot deel rampenfoto's: uitslaande branden, huizen waarin misdaden zijn gepleegd of die zijn ingestort, kortom gebouwen waar iets mis mee is. Charney weekt het gebouw als type daarmee los van de esthetische status, die het in de architectuurfotografie altijd krijgt. Dat is een kant van de architectuur die onder architecten altijd wordt weggemoffeld. Meestal gaat het juist om het glamoureuze beeld van de architectuur, het plaatje vol schoonheid, waarmee de kijker in de zijn esthetische ziel wordt getroffen. Ook op de biënnale kom je die nadruk op esthetiek (ondanks Fuksas' motto) nog volop tegen.

Bij het Japanse paviljoen bijvoorbeeld. Kazuyo Sejima en Ryue Nishizawa maken een ultiem esthetisch gebaar. Het paviljoen zelf is nauwelijks aangepakt. De onderbouw is hagelwit geschilderd, net als het interieur. De omgeving is echter flink onder handen genomen: een veld van wit grind, witte omhulsels rond de bomen en velden van kunstmargrieten. Het is een extreem artificiële omgeving die als blakend podium dient voor het werk van drie kunstenaars: schilderes Yayoi Deki, fotografe Hellen van Meene en modeontwerper Kosuke Tsumura. Deze drie op hun beurt spelen weer in op de belevingswereldwereld van meisjes in Japan, waarin ook kunstmatigheid een rol speelt, als onderdeel van het soms heel fanatiek najagen van een schoonheidsideaal. Zo zie je in Japan op straat meisjes die eruitzien als volkomen kunstmatige barbiepoppen. Hellen van Meene heeft een aantal van hen geportretteerd.

Het aardige van een biënnale is altijd de grote diversiteit van de presentaties. Meer dan in voorgaande edities hebben de landen zich aan het thema gehouden, maar dan nog zijn er grote contrasten. De Finnen presenteren architect Aarno Ruusuvuori, die in de jaren zestig met beton kerken bouwden, waarin hij sublieme ruimtes voor rust en contemplatie creëerde, terwijl Duitsland een nogal droge, maar zeer boeiende, verhandeling geeft over de stedenbouwkundige ontwikkelingen van Berlijn na de Tweede Wereldoorlog en de Wende. In de Duitse presentatie zie je wat er is afgebroken, nieuw is gebouwd en nieuw gebouwd gaat worden.

Het hart van de architectuurbiënnale is echter zoals altijd de centrale tentoonstelling, die de eigen keuzes van Fuksas bevat. De expositie begint in het Italiaanse paviljoen op de Giardini, maar strekt zich ook uit over de Arsenale. Daar worden net als vorig jaar op de kunstbiënnale alle beschikbare gebouwen van de voormalige marinewerf gebruikt. Tegen dit romantische beeld van vervallen oudbouw (sommige bouwwerken staan er al meerdere eeuwen) krijgt de biënnale-bezoeker een feestdis van futuristische architectuur opgediend. Het zijn veelal strategieën voor nieuwe structuren, maar ook voor nieuwe bouwwijzen die de moderne mens op een meer persoonlijk toegesneden manier moeten gaan herbergen. In deze centrale tentoonstelling zitten vijf Nederlandse bureaus: Nox Architecten, UN Studio (Ben van Berkel), Kas Oosterhuis, MVRDV en Wiel Arets.

Het enige probleem is dat het vooral heel erg veel is. Met name in de Arsenale word je gebombardeerd met materiaal (waarvan grofweg de helft multimedia is). Allemaal boodschappen en statements over de staat van de stad en de architectuur. Op de openingsdagen deelden mensen van het Zwitserse paviljoen in de Giardini gelukkig feloranje plastic kussentjes uit. 'Relax useme' staat erop. Alsof ze ons een reddingsboei wilden aanbieden voor in de zee aan goede bedoelingen op de biënnale.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden