Review

Friedrich Ebert deed alles in het landsbelang

Hij wordt verantwoordelijk gehouden voor het mislukken van de Weimarrepubliek en – daarmee – voor het begin van de nazidictatuur. Maar Friedrich Ebert was van 1918 tot 1925 óók een stabiele factor in een kwetsbare staat.

’Beginnen wir mit dem Ende.’ Meer dan bij welk ander levensverhaal dan ook is deze openingszin op zijn plaats in de biografie van Friedrich Ebert, Duitslands eerste republikeinse staatshoofd. Zijn overlijden in 1925 is immers impliciet verbonden aan de ontwikkelingen in de jaren erna, resulterend in het einde van de jonge Duitse republiek en het begin van de nazidictatuur. Sommigen achten Eberts dood zelfs ’de’ cesuur van dit tijdvak.

Menig historicus associeert echter ook het begin van Eberts presidentschap – formeel in 1919, maar feitelijk al sinds de troonsafstand van Wilhelm II op 9 november 1918 – met de uiteindelijke ondergang van de Weimarrepubliek. De sociaal- democraat Ebert zou toen een historische kans op ingrijpende hervormingen hebben laten liggen en al snel op de traditionele machtselite zijn teruggevallen, waardoor het ’democratisch experiment Weimar’ al bij voorbaat tot mislukken moest zijn gedoemd.

Walter Mühlhausen laat zich in zijn imposante en uiterst lezenswaardige Ebert-biografie niet tot dergelijke monocausale verklaringen verleiden. Hij sluit zijn ogen niet voor de minpunten van zijn held (waarover straks meer), maar hem stond voor de beschrijving van de gebeurtenissen en de interpretatie van Eberts handelen het adagium van collega-historicus Dieter Rebentisch voor ogen: ’Verklaren wat er is gebeurd, niet zeggen wat er had moeten gebeuren.’

Zo mag Ebert mogelijke ’Russische toestanden’ in de woelige jaren na de val van het keizerrijk achteraf gezien wellicht hebben overschat – met de nadruk op ’wellicht’, omdat een sluitend bewijs voor het tegendeel ontbreekt – maar daarnaast weet Mühlhausen duidelijk te maken dat de SPD-partijtop zich destijds wel degelijk op sommige momenten in levensgevaar bevond, terwijl tegelijkertijd een langdurig machtsvacuüm en een totale ineenstorting van het rijk dreigden.

Dat laatste wilde Ebert hoe dan ook vermijden – in zijn toekomstvisie hadden betere leefomstandigheden voor de bevolking en het vestigen en stabiliseren van de parlementaire democratie prioriteit. Bij dat laatste hoorde het sluiten van compromissen en omdat hij daarmee op een groter draagvlak voor zijn politiek onder de bevolking hoopte, was Ebert een geduldig en vasthoudend onderhandelaar. Dat hij juist van zijn (militante) partijgenoten vervreemdde en er tegelijkertijd in burgerlijke kringen niet aanvaardbaarder op werd, vormde de tragiek in zijn leven.

Ook op andere punten toont Mühlhausen aan dat een oordeel over Ebert door latere generaties soms te snel geveld is. Zo bleek het kabinet-Cuno (1922-1923) uiteindelijk wel een zwakke regering, maar Eberts inspanningen voor de komst van dit extraparlementaire kabinet waren gezien de politieke impasse in de herfst van 1922 niet onlogisch.

Misschien had de rijkspresident een aantal accenten anders kunnen leggen. Zo had Ebert de hervormingen van de krijgsmacht voortvarender ter hand moeten nemen, waardoor het risico van ’een staat in de staat’ beter vermeden had kunnen worden.

Ook zag Ebert, aldus zijn biograaf, het staatshoofd als deel van de regering en niet als haar tegenhanger. Dat was bij een president die zich van zijn constitutionele speelruimte ten volle bewust was niet meer dan een (overigens niet onbeduidend) nuanceverschil; het werd echter een gevaarlijk instrument in de handen van hen, bij wie enig democratisch besef nauwelijks ontwikkeld was en wier opvattingen over parlement, regering en overheid in de keizerlijke fase waren blijven steken – zoals bij Eberts opvolger Hindenburg.

Ook Mühlhausen kan de vraag of Ebert nu als groot staatsman moet worden beschouwd, niet expliciet beantwoorden. De president beschikte niet over veel charisma, terwijl plichtsbesef, ijver en dienstbaarheid aan het landsbelang alléén niet toereikend voor die hoogste kwalificatie zijn. Dat Friedrich Ebert toch een groot staatsman was, dankt hij alleen al aan het feit dat hij het niet, zoals zoveel anderen, liet afweten bij het openlijk voorleven van democratische gezindheid en het aanvaarden van politieke verantwoordelijkheid. Daarin stak hij ver boven zijn tijdgenoten uit. Hoe men het ook wendt of keert: Ebert was in de jaren 1918-1925 de stabiele factor in een kwetsbare staat. Helaas kwam men daar pas achter toen hij er niet meer was.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden