Franse roem voor Hollandse impressionist

De beroemde Franse schrijver Edmond de Goncourt kwam in 1871 danig onder de indruk van zijn ontmoeting met de Nederlandse schilder Johan Barthold Jongkind. ,,Stelt u zich eens voor, een grote blonde duivel, met blauwe ogen, het blauw van het Delfts blauwe aardewerk, met afhangende mondhoeken, gestoken in een gebreid vest en met een Hollandse zeemanshoed op.''

In het Franse kunstenaarsmilieu waar Jongkind na zijn studie aan de Haagse kunstacademie terechtkwam, maakte hij diepe indruk. Niet alleen door zijn markante verschijning, maar ook als schilder. Beroemde tijdgenoten als Monet en Isabey zagen in hem de grondlegger van het impressionisme. Vanaf dat moment beschouwden de Fransen Jongkind als een van hen. Tot op de dag vandaag is dat zo gebleven.

Deze roem heeft Jongkind (1819-1891) in zijn geboorteland nooit gekregen. Tot ver in de 20ste eeuw wist men hier eigenlijk niet goed hoe Jongkind een plek te geven in de (voor)geschiedenis van de moderne kunst. In de spaarzame biografieën werd hij doorgaans veroordeeld vanwege zijn drankzucht, die hem in grote sociale problemen moet hebben gebracht.

Pas in de jaren zestig van de vorige eeuw kwam in kunsthistorische kringen waardering voor Jongkinds schilderkunst. De bekende kunsthistorica Victorine Hefting betoonde in haar proefschrift warme sympathie voor Jongkind als schilder. Het Haagse Gemeentemuseum wil Jongkind nu als het ware rehabiliteren door voor het eerst in lange tijd een groots en vooral breed opgezet overzicht van zijn werk te tonen. Daarbij komen niet alleen veel (onbekende) schilderijen aan bod, maar is er ook aandacht voor de rol van Jongkind als tekenaar, aquarellist en graficus.

Het is aan de romantische schilder Eugène Isabey te danken dat Jongkind voor de Franse kunst werd ontdekt. Isabey ontmoette Jongkind èn zijn werk tijdens een bezoek aan Den Haag. Jongkind was op dat moment 26 jaar oud. Hij had aan de Haagse kunstacademie gestudeerd en had ook bij de destijds beroemde landschapsschilder Andreas Schelfhout op diens atelier in Den Haag mogen werken. Isabey herkende onmiddellijk zijn grote talent in het werk, en nodigde hem uit naar Parijs, om zich op zijn atelier verder te kunnen bekwamen.

Met een Koninklijke subsidie reisde Jongkind naar Frankrijk. Isabey was een van de eerste schilders die hun motieven vonden in de verre gewesten van Bretagne en Normandië. En dus liet hij zijn protegé met schilderachtige stadjes als Honfleur, Harfleur (nu geïncorporeerd in Le Havre), Etretat en Yport kennismaken. Zelf had Isabey de rots- en duinkust verkozen als decor voor scheepsrampen, maar de jonge Jongkind voelde daar weinig voor. Hij raakte meer genteresseerd in de snel wisselende weersomstandigheden die hij zowel bij zon- als bij maanlicht probeerde weer te geven. Zijn onderwerpen trof hij dus altijd buiten aan. Zonder een in het stadsgezicht of landschap gespecialiseerde schilder te worden, had Jongkind in Frankrijk vooral oog voor schilderachtige straatjes, spectaculaire stranden en riviermondingen.

Vooral de Seine die bij haar monding tegenover Le Havre kilometers breed wordt, maar ook de haven van Honfleur en het badplaatsje Etretat waar een grillige rotsformatie tot ver in zee steekt, waren geliefde plekken voor de plein air schilder die Jongkind gaandeweg werd. Als een van de eersten die in de open lucht werkten, maakte hij veel indruk op een lange stoet van jonge schilders die vanuit hun Parijse ateliers zich voor korte of langere tijd aan de kust wilden vestigen. Van hen was Monet degene die zich onomwonden uitsprak over het feit dat Jongkind aan de bron stond van het vrije, losse schilderen met een realistische ondertoon. Achteraf gezien moet het 'in de open lucht' schilderen met een korreltje zout worden genomen. Jongkind heeft wel degelijk met zijn schetsboek en misschien ook met zijn tubes waterverf door Normandië hebben rondgelopen, maar voor het veel meer tijd vergende olieverfschilderen zal hij toch wel de rust van het atelier hebben geozcht.

Omdat Jongkind er niet in slaagde om zich blijvend in Frankrijk te vestigen, keerde hij op gezette tijden weer in zijn geboorteland terug. Het heeft er veel van weg dat Jongkind Parijs verliet, niet nadat hij er forse schulden had gemaakt die hij waarschijnlijk niet of nauwelijks had kunnen inlossen. Met heimwee in het hart zocht hij hier precies dezelfde thema's als in Frankrijk: de opkomst van de grootstad, de zeilschepen die in de zeehavens een zeldzaam verschijnsel zouden worden (Jongkind stierf toen de stoomboot zijn intrede had gedaan) maar ook het onbedorven polderland. Opvallend: aan de Hollandse kust liet Jongkind anders dan hij in Frankrijk gewoon was, zich niet zien. Scheveningen (waar Van Gogh korte tijd zou wonen, die overigens veel waardering had voor Jongkind) met Mauve en Mesdag, Katwijk met de Duitse impressionisten, Domburg, Volendam, het zijn allemaal plaatsen die hem koud lieten. Liever trok hij naar de haven van Rotterdam, liep langs de Nieuwe Waterweg of naar Dordrecht. Duidelijk wordt daaruit dat het Hollandse licht hem niet lag. Het helwitte geel van de Normandische kust was hem liever dan het parelende grijs boven de Nieuwkoopse plassen. Jongkind is dan ook nooit als een voorloper van de Haagse School (immers de Hollandse variant op het Franse impressionisme) te beschouwen. De directe lijn die vanuit zijn werk naar dat van schilders als Boudin, Monet en Signac loopt, draagt opmiskenbaar een Frans karakter.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden