Review

Franse lyriek - een nieuwe keuze

Baudelaire dichtte over Amsterdamse woonboten, Jaccottet over onze 'weiden en water'. De 'Spiegel van de Franse poëzie' haalt veel onbekende gedichten onder het stof vandaan. Jammer dat de libertijnen ontbreken. Zoals Claude Petit, wiens dichtbundel, opgevouwen, kon dienen als dildo.

Rob Schouten

In november 1892 bezocht Paul Verlaine Nederland, meer in het bijzonder Amsterdam, en werd daar door het puikje van de Nederlandse literatuur (de Tachtigers) hartelijk ontvangen, lees: van kroeg naar kroeg gesleept. Een bijzonder moment, want het zal tot dan toe niet vaak zijn voorgekomen dat een buitenlands dichter zo gefêteerd werd door z'n Nederlandse collega's en het zegt wel iets over het hoge aanzien waarin de Franse poëzie bij dichters in Nederland stond. Noch de Engelse, noch de Duitse dichtkunst, om maar de meest voor de hand liggende culturen te noemen, schopte het zo ver.

Het lijkt of Franse dichters in Nederland altijd een streepje voor hebben gehad, en overigens hadden de Fransen op hun beurt veel belangstelling voor het schilderachtige Nederland. Zo schreef Baudelaire een gedicht over de grachten van Amsterdam met al die woonboten 'dont l'humeur est vagabonde' en gevoelde Valerie Larbaud zich getroffen door de moderne tijd op de Rotterdamse 'Quai des Boompjes' en door het dode seizoen in 'Scheveningue'. Een echte alliantie dus, zeker rond de vorige eeuwwisseling.

We mogen aannemen dat vroegere generaties Franse poëzie lazen als was het hun tweede taal, maar die tijden zijn allang vervlogen. Tijd dus voor een bloemlezing uit onze favoriete poëtische cultuur met vertaalde gedichten uit die ooit zo vertrouwde en geliefde, maar de laatste jaren toch flink weggezakte literatuur. De 'Spiegel van de Franse poëzie', samengesteld door Philip Ingelse, is die bloemlezing: een kleine zeshonderd pagina's Franse gedichten, vanaf het prille begin tot de jongste generaties, tweetalig, zoals het hoort.

Ingelse merkt op dat de Franse poëzie twee bekende dichterstypes heeft opgeleverd: de troubadour en de poête maudit. Dat is waar, maar behalve karakteristieke types leverde ze ook belangrijke stromingen op, naast de middeleeuwse liefdespoëzie van de troubadours en het werk van de decadenten de invloedrijke klassicistische school, die de Europese dichtkunst in de 16de en 17de eeuw zo diepgaand beïnvloed heeft, en ook staat de Franse dichtkunst aan de wieg van het 19de-eeuwse symbolisme en het latere surrealisme.

Maar, wil je dan bij zoveel cultureel belang wel eens weten, leverde bijvoorbeeld de veronachtzaamde 18de eeuw ook nog wat op, of de hedendaagse poëzie? Een bloemlezing vol klassieke hoogtepunten is mooi, maar wat gebeurde er allemaal in de tussentijd? Ingelse heeft zijn taak als pleitbezorger hoog opgevat, tenminste voor de moderne tijd, liefst veertig procent van zijn bloemlezing is gespendeerd aan de poëzie uit de 20ste eeuw en later. Dat zal in de ogen van kenners allicht wat veel van het goede zijn maar het heeft als voordeel dat poëzieliefhebbers een heleboel nieuw en onbekend werk onder ogen krijgen. Naast al die kaskrakers van Ronsard, Corneille, Racine en Moliëre (ook de grote toneelschrijvers mogen van Ingelse meedoen), Baudelaire, Rimbaud en Verlaine, dus nogal wat aandacht voor onbekendere grootheden zoals Jules Supervielle, Pierre Reverdy, Yves Bonnefoy, Eugène Guillevic, schrijvers voor wie lang niet iedereen rechtop gaat zitten.

Van laatstgenoemde (die leefde van 1907 tot 1997) een kleinood dat laat zien dat ook bezijden de gebaande wegen fraaie bloemen bloeien:

'Ga de bloem in en vertel ons:

Is het zo beter?

Is het zwoegen omhoog te groeien

Of opluchting?

Zeg ons vooral hoe je 't volhoudt,

Als je uit duister en traagheid

Naar boven komt, om kleur te zijn

Voor vlinders en niemands profijt.

Of je niet nu en dan zin hebt

In een doolhof samen met stenen.

En is het waar dat je er bang bent.

Juist overdag,

Voor tijd en duur?'

Deze vertaling is van Ingelse zelf, maar hij putte ook ruimschoots uit andermans vertalingen. Daarmee is het ook een echte vertaalbloemlezing geworden, waarbij duidelijk is dat vormvastheid de voorkeur kreeg boven vrije vertalingen. Wat in het Frans rijmt rijmt in het Nederlands ook.

Opmerkelijk is niet alleen dat Ingelse de klassieke Franse tragedie- en komedieschrijvers als dichters behandelt -zo komt er toch nog heel wat poëzie voort uit een tijd die nauwelijks gunstig lijkt voor lyriek- maar ook dat hij zoveel fragmenten van langere gedichten opnam. Liever hoogtepunten uit lange lappen gekozen dan ze om reden van hun lengte weg te laten, zoals veel andere bloemlezers plegen te doen. Van Alfred de Vigny krijgen we zodoende alleen maar fragmenten, maar niet zijn

'l 'Esprit pur', toch een van de beroemdste gedichten uit de Franse literatuur. Dat wijst op een kritische benadering van de canon. Daardoor vernemen we in deze Spiegel ook weinig meer van de ooit populaire katholieke dichter Paul Claudel (één gedicht) en des te meer van de veel modernere Raymond Queneau.

Gek is dan weer dat de libertijnse en burleske kant van de Franse poëzie, waar ze juist zo sterk in is, zoals met Claude le Petit (die een bundel uitbracht die je, ongebruikelijk voor die tijd, kon opvouwen -opdat de dames 'm als dildo konden gebruiken) en Scarron, nauwelijks vertegenwoordigd is. En van de woeste en alcoholische dichter Antonin Artaud maar één gedicht tegen vijf van de ingetogen André du Bouchet, demonstreert dat Ingelse vooral het verlichte en beschaafde Frankrijk wil laten zien, niet dat van de zatlappen en drekpoëten.

Maar het meest saillante is wel de grote hoeveelheid doorlopende tekst in deze bloemlezing. Zo te zien zijn Fransen meesters in poëtisch proza. Het beroemdste voorbeeld daarvan is allicht de 19de-eeuwse 'Les Chants de Maldoror' van de grootvader aller surrealisten, de Comte de Lautréamont. Het korte stukje dat Ingelse koos doet overigens volstrekt geen recht aan de zinnenbedwelmende, voortijlende en

taboedoorbrekende metamorfoses van het origineel, maar vooruit, laat het dan maar een smaakmaker voor verdere lezing zijn. Datzelfde geldt voor de auteur van het befaamde prozagedicht 'Gaspard de la nuit', Aloysius Bertrand, die hier met slechts een paar regeltjes mag meedoen.

Philippe Jaccottet (geb. 1925) daarentegen mag breed uitpakken met een tekst die het vaderlandse hart streelt: 'de onmetelijke ruimte zonder versperringen en haast zonder ondergrond, de blinkende uitgestrektheid, het in elkaar opgaan van weiden en water, het licht overal, diffuus, verblindend, gesluierd, een plek die nog maar nauwelijks een plek was, niets wat afgebakend of tenminste beschut is zoals bij tuinen tussen muren, vlakten omringd door bergen, open plekken in het bos.' Het kost enige moeite je te realiseren dat deze evocatie Nederland betreft. Wijzelf zijn die toon nauwelijks meer gewend. Maar in lyriek blijken Fransen nog altijd ongeëvenaard.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden