De Tien Geboden

Frank Westerman: Het is heerlijk om anderen iets te gunnen

Schrijver Frank Westerman met het kunstwerk ‘Hallelujah’ van zijn zus Moniek. ‘Door te schrijven, doe ik voortdurend een beroep op onze empathie-spier.’ Beeld Mark Kohn

Frank Westerman (Emmen, 1964) was correspondent in Belgrado en Moskou. In 1994 debuteerde hij als schrijver met ‘De brug over de Tara’. Sindsdien heeft hij met titels als ‘De Graanrepubliek’, ‘Ingenieurs van de ziel’ en ‘El Negro en ik’ een imposant oeuvre opgebouwd. Zijn meest recente boek, ‘Wij, de mens’, verscheen onlangs bij uitgeverij Querido Fosfor.

Arjan Visser interviewt iedere twee weken iemand aan de hand van de Tien Geboden. Meer van deze interviews van Arjan Visser vindt u terug in ons dossier.

I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

“Ja, wacht even, later in Exodus volgt er een uitleg die het allemaal nóg erger, nog pijnlijker maakt: ‘Want ik, de Here, uw God, ben een naijverig God, die de ongerechtigheid der vaderen bezoek aan de kinderen, aan het derde en aan het vierde geslacht...’ Toen de betekenis van het woord na-ijverig tot me doordrong, werd ik woest, wóest! Hoezo moet die ongerechtigheid worden doorberekend aan de kinderen? Zo gemeen, zo oneerlijk! Wat ís dat voor een God? Zo rond mijn zestiende kwam er een volgende dreun: ik leerde dat er van alles niet klopte aan de bijbelteksten die ik zo lang voor onfeilbaar had gehouden. Prediker 1 vers 15: ‘...het ontbrekende kan niet geteld worden’. O nee? Je kunt de wortel trekken uit -1; als je even afspreekt dat de uitkomst ‘i’ is, kun je doorrekenen met een niet bestaand getal. Of eerder, vers 7: ‘Alle beken stromen naar de zee, nochtans wordt de zee niet vol’, nou, mijn dochter heeft vanmorgen in haar aardrijkskundetoets moeten uitleggen hoe zoiets juist wél mogelijk is! Bij biologie leerden we dat je met de bouwstenen A, C, G en T al het leven kunt uittekenen: er ging een wereld voor mij open. Daarna – na de biologie, de wis-, natuur- en scheikunde – keerde ik terug naar de letters en de leestekens, de literatuur, naar de verhaalstrengen met een kop en een staart. De eerste zin in ‘Ararat’ (een zoektocht naar de God van zijn jeugd, verschenen in 2007, AV) is: ‘Stapel de lettergrepen van Ararat op en je krijgt een berg’. Dat is wat je kan doen met taal: je kan die berg herscheppen in een stapeltje lettergrepen. Of, om het bijbelboek Johannes te citeren: ‘Alle dingen zijn door het Woord geworden en zonder dit is geen ding geworden, dat geworden is’. Prachtige tekst, een echo uit mijn jeugdjaren, maar als ik ­deze zin nu gebruik zal ik overal de ­onderkast hanteren. Ik heb de hoofdletter, het absolute, vervangen door een kleine letter.”

II Gij zult u geen gesneden beeld ­maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat ­beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

“Zijn wij, als eigenaardige soort met vele onhebbelijkheden, ertoe in staat om rekening te houden met elkaar? Dat vergt de gave van verbeelding. Het beeld. We maken ons een beeld: het gesneden beeld, het geschilderde beeld, het geschreven beeld. We zijn betekeniszoekende dieren, we zoeken betekenis in de dingen, de mensen, de ervaringen, de gebeurtenissen om ons heen. Ik probeer het onder woorden te brengen. Dat is een vorm van verzinnen, ver-beelden. Door te schrijven, doe ik voortdurend een beroep op onze empathie-spier. Die oefen ik door me te verplaatsen in de ander; door steeds maar weer het perspectief van mijn medemens op te roepen.”

III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

“Het vrije woord is kwetsbaar en explosief tegelijkertijd. Het spotdicht dat Osip Mandelstam begin jaren dertig over Jozef Stalin schreef, was even krachtig als de vrachtwagen die op 14 juli 2016 in Nice 86 mensen te pletter reed. Die twee zijn elkaars diapositief: satire in de tirannie is als de terreuraanslag in een democratie. Bij ons is het woord vrij. Je mag alles zeggen, je mag alles geloven, niet geloven of ánders geloven. Je komt niet zomaar in de gevangenis als je zegt wat je denkt. Wees daarvan doordrongen. Gebruik daarom het woord, de satire, niet te onpas. Ik hoor weleens een cabaretier het recht om te kwetsen opeisen. Opeisen? Wees blij dat het bestaat! Je mag kwetsen – elke zonnekoning heeft een nar nodig die hem een spiegel voorhoudt – maar als het ijdel gebruik slechts dient ter eer en meerdere glorie van de grappenmaker zelf, gaat hij of zij voorbij aan het idee waar onze samenleving op is gebouwd: wat gij niet wilt dat u geschiedt, doe dat ook een ander niet. Precies om die reden zul je mij niet horen vloeken.”

IV Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de ­zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

“De God van het Oude Testament heb ik allang vergeven; ik ben hem gaan zien als een menselijke schepping, als een kind van zijn tijd. Ik ging me verdiepen in de homo sapiens en ik moet je zeggen dat het me vele malen zwaarder weegt om de mensen hun wandaden en de hypocrisie te vergeven, maar goed, nog even terug in de tijd toen ik me als kind verwonderde over dit gebod: dus, omdat God de zevende dag zo nodig moest uitrusten, mogen wij op zondag ook niks doen? Niet grasmaaien. Of de auto wassen. In hemelsnaam: waar is hier de logica?”

V Eer uw vader en uw moeder

“Mijn ouders proberen geen aanstoot te geven. Meer nog dan dat het tegen Gods wil in zou gaan, wilden ze niet dat buren er een punt van zouden maken dat wij de zondagsrust niet in ere hielden. Het mooie is: mijn zus en ik mochten die waarom-vraag wel stellen. Ook later, toen ik naast de CDA-poster op het raam in de voorkamer mijn plakkaat van de EVP (Evangelische Volkspartij, in 1990 opgegaan in GroenLinks, AV) wilde plakken, zeiden mijn ouders: ‘Hang die maar voor het raam in je slaapkamer.’ Ze gunden mijn zus en mij onze eigenheid, onze eigenzinnigheid, en leerden ons tegelijkertijd gevoeglijk door het leven te gaan. Oppassend. Ik herinner me dat we vroeger verstoppertje speelden en hoe spannend het was om je ergens, zo ver mogelijk van de buutpaal vandaan, te verschuilen. Uiteindelijk ben ik naar het einde van de wereld gereisd, maar dit heb ik van huis uit meegekregen: blijf zo dicht mogelijk bij de buutpaal. De mediaan. Daar is het veilig. Het gemiddelde is de norm, is je omgeving, je huis, je habitat. En toch lieten ze me gaan. Op mijn negentiende reisde ik naar Cuba en Jamaica, ik was maandenlang alleen op pad. Later ging ik als correspondent werken in voormalig Joegoslavië, ik heb tot twee keer toe de omsingeling van Srebrenica doorbroken, maar ik heb mijn ouders nooit horen zeggen: ‘Doe dat nou niet!’ Ze stonden niet te te juichen, maar ik heb me zeker niet belemmerd gevoeld. Hun antwoord was: ‘We geven het over. God beslist of je veilig terugkomt. Of niet.’ 
Over mijn geloofstwijfel heb ik pas heel laat met hen gesproken. Ik liet me tijdens mijn studententijd uitschrijven bij de Hervormde Kerk zonder hen daarvan op de hoogte te stellen. Pas nadat ik Ararat had geschreven en een lezing had gegeven in een boekhandel in Roden heb ik mijn moeder – in de auto, op weg naar huis – verteld dat ik niet meer in de God van mijn jeugd geloofde en hoe ik dan wél in het leven stond; dat ik het ongewisse, het niet-weten had omarmd. Het was een moment van wederzijdse eerbied. Later heb ik in de ­Jozefkerk in Assen de Preek van de Leek gehouden. Op die plek, waar ik zelf tot mijn achttiende in de banken had gezeten, mocht ik vertellen hoe mijn godsgeloof zich in de coulissen van mijn bestaan heeft teruggetrokken, naarmate ik meer van de wereld zag. Dat ik dát van de kansel mocht verkondigen vond ik een blijk van niet-bekrompenheid, niet-benepenheid van de geloofsgemeenschap. Mijn ouders zaten óók in de kerk. Trots? Dat woord zullen ze niet snel gebruiken. Als iemand zegt: ‘U zult wel trots zijn op Frank’, beginnen ze over een expositie van mijn zus Moniek die beeldend kunstenaar is en als ze naar Moniek vragen, vertellen ze over een boek van mij dat juist verschenen is. De onderliggende gedachte is dat ze zich nergens op willen laten voorstaan. Talent heeft niets met erfelijkheid of opvoeding te maken: het is een gave en die gave is een geschenk van God.”

VI Gij zult niet doodslaan

Beeld Mark Kohn

“We zaten te wachten op onze leraar handenarbeid. Ik was elf. Na een tijdje verscheen de hoofdonderwijzer en hij zei: ‘De meester komt niet. Hij zit in de trein die is overvallen bij Wijster. Als kaper.’ Negenendertig jaar later heb ik voor mijn boek ‘Een woord, een woord’ de broer van mijn oude leraar opgezocht, en ook een andere kaper die zich Carlos noemde, naar de superterrorist Carlos de Jakhals die in 1975 diverse Opec-ministers had gegijzeld. Abé Sahetapy had meegewerkt aan de executie van een onschuldige, willekeurige passagier; hij was na de schietpartij nog op het talud gesprongen om een genadeschot te geven. Abé had zijn celstraf uitgezeten en was inmiddels dichter geworden en ouderling van de protestantse kerk in Maastricht. Wat ik van hem wilde weten – de rode draad in heel mijn werk – was: wanneer ga je van het woord naar de daad? Hij zei: ‘Als je moord omdraait, krijg je droom.’ Daarna vertelde hij over zijn jeugd in kamp Westerbork, over de barakken die leeg waren komen te staan nadat de Joden, de Roma, de homo’s en de politieke activisten waren afgevoerd. Hij vertelde over zijn ouders, over hun loyaliteit aan het Nederlandse koningshuis, aan de nationale driekleur, en hoe de Molukkers tussen wal en schip terecht waren gekomen. Hij vertelt en vertelt en vertelt. Hoe hij wachtte op het moment waarop een beroep op hem zou worden gedaan. Die dag kwam. Hij was 22. Doe je mee? Hij zei ja. Ik stelde mezelf diezelfde vraag en ik kon niet anders bedenken dan dat ik óók ja zou hebben gezegd – op die leeftijd, met die achtergrond. Maar dan, die volgende stap: zou ik ook iemand hebben doodgeschoten? Nee. Dat antwoord geef ik hem, vele pagina’s later in het boek: ik geloof dat de hemel vanuit de oppositie moet worden bestormd. Als je een gideonsbende in het centrum van de macht zet, slaat droom om in moord.”

VII Gij zult niet echtbreken

“In 1999 werd ‘De Graanrepubliek’ genomineerd voor De Gouden Uil. Elma Verhey interviewde me bij die gelegenheid voor Vrij Nederland. ‘Roem erotiseert,’ zei ze. ‘O ja?’ antwoordde ik, ‘daar heb ik nog helemaal niets van gemerkt.’ Vanaf dat moment ging ik er wel op letten: waar zijn mijn groupies? Dat viel tegen. Misschien had ik dan toch een ander vak moeten kiezen... Aan de andere kant: het is ook zo’n gedoe. Suzanna (Jansen, schrijfster van ‘Ondanks de zwaartekracht’ en ‘Het Pauperparadijs’, AV) en ik zijn al 28 jaar samen. We hebben een paar golven getrotseerd en zijn nog steeds gelukkig... tja, hoe zeg je zoiets? Je blijft al zo snel steken in tegeltjestaal. Het gaat goed. We zijn elkaars redacteur. Nietsontziend en ongezouten. We hebben een paar afspraken: a) plagiaat binnen het huwelijk mag en b) we hebben allebei één veto, dus het recht om voor een zin, passage of hoofdstuk te gaan liggen. Wat we ook goed van elkaar begrijpen is het belang van de witregel. Bij het schrijven is dat wat er niet staat – de suggestie – minstens zo belangrijk als dat wat er wél staat. Daar valt de stilte. In die stilte moet het gebeuren. Soms zit ik achter mijn bureau en dan zegt Suzanna: ‘En, is de witregel al af?’”

VIII Gij zult niet stelen

“Het zondvloedverhaal uit Genesis is zonder bronvermelding overgenomen uit het Gilgamesj-epos (heldendicht uit circa 2100 voor Christus, AV). Niet dat het christendom een patent heeft op het onrechtmatig toe-eigenen van heidense teksten – het verhaal van de ark van Noach kwam ook in de koran en in Metamorfosen van Ovidius terecht – maar toch... het blijft curieus dat dit zevende gebod door de schrijvers van de bijbel zélf meteen al met voeten wordt getreden.”

IX Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

“Bij de voet van de Ararat aangekomen, zag ik plotseling een regenboog aan de hemel staan. Ik ging uit het raam van het busje hangen om er een foto van te maken omdat ik zeker wist dat ze me thuis niet zouden geloven. Jaja, Frank komt bij de berg aan waar volgens de verhalen de ark van Noach is gestrand en hup, er verschijnt meteen een regenboog, hét teken van Gods verbond met de mensheid. Die scène is niet in het boek terechtgekomen omdat de werkelijkheid zich op dat moment veel te kitscherig aan mij had voorgedaan. Ik laat dingen weg. Ik redigeer de werkelijkheid. Ik loop haar na om te kijken of dingen echt zijn zoals ze zich voordoen. Thuis maak ik nóg een reis en die is veel spannender dan de beklimming van de Ararat. Er staat tijdens die tweede reis ook veel meer op het spel. Ik kan het verprutsen. Ik kan de verkeerde woorden kiezen. Te veel of te weinig. En voor sommige dingen, het ongekende, zijn eenvoudig geen woorden te vinden.”

X Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

“Dertig jaar geleden dacht ik, in mijn jeugdige overmoed, dat ik wel twee studies tegelijkertijd kon doen: tropische landbouw in Wageningen en journalistiek in Utrecht. Ik werd uitgeloot bij de School voor Journalistiek. Een jaar later probeerde ik het nog eens en ik werd wéér uitgeloot. Het eerste wat ik dacht, was: daar gaan jullie spijt van krijgen! See you in the headlines! Straks praat ik alleen nog maar via de voorpagina van NRC Handelsblad tot jullie! Die, laat ik het netjes zeggen, competitiedrift is een stuk minder geworden. Dit gebod gaat over afgunst, maar ik merk juist een toename van het tegenovergestelde: het is heerlijk om anderen iets te gunnen. Ik ben auteur en tegelijk ook redacteur en mede-uitgever bij Querido Fosfor. Ik zet verhalen uit, ik begeleid manuscripten en ik prijs collega-schrijvers de hemel in. Iets wat ik mooi vind, hou ik omhoog.”

Lees ook: 

Interviewer Arjan Visser blikt terug op 499 keer Tien Geboden: ‘Zou ik zelf ook zo intiem durven zijn? Nee’

Arjan Visser sprak 500 bekende Nederlanders over God, hun ouders, liefde en dood. ‘Sommigen beginnen spontaan de Tien Geboden op te zeggen.’

De meest recente interviews van Arjan Visser vindt u terug in ons dossier.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden