Poëzie Vertakkingen

Fluisterende poëzie over de onverbrekelijke band tussen moeder en kind

Beeld Trouw

‘Het licht speelt tikkertje op de langste dag’. En ik wilde meedoen, gegrepen door deze woorden, die maakten dat de zomer zo weer opnieuw zou kunnen beginnen.

Het is de eerste regel uit ‘Vertakkingen’, de nieuwe bundel van Albertina Soepboer, dichter die behalve in het Nederlands ook schrijft in het Fries. Dat Friese landschap is verweven met haar werk, de zee, het wad, de weilanden, de wolken, ook in dit openingsgedicht loopt een vrouw langs een dijk, staan aardappels op het land. Het gedicht vormt de opmaat tot een bundel waaraan je je, als aan de warmte van een zomerse dag, maar het beste kunt overgeven. Niet uit zijn op een eensluidende lezing, maar de taal, de woorden laten stromen, ‘want steeds weer komt nieuws aanwaaien’.

Je zou ze fladderig kunnen noemen deze gedichten vol gedachtestreepjes, met zinnetjes die niet afgemaakt lijken, zich niet mak voegen naar de regels van de grammatica, maar zich eigenzinnig vertakken en vaak op meer dan één manier te lezen zijn.

Ze brengen impressies bijeen, flarden van herinneringen, gebeurtenissen, gevoelens. Ook door het vele wit levert dat een haast serene bundel op, waarin tegelijk van alles broeit. Angst bijvoorbeeld, hoor deze vragende kinderstem: ‘maar mem, kan het dan niet hier –‘ Kan wat niet hier, vraag je je af. Om iets verder, na een impressionistische opsomming van handelingen, gebeurtenissen, verlangens, een echo uit het openingsgedicht te horen: ‘nieuws dat opnieuw komt met overal oorlog’. Het kind wordt niet gerustgesteld.

Onverbrekelijke en onuitsprekelijke band 

Er is melancholie voelbaar om dingen die veranderen, landschappen – dikke klei, ‘zo oud dat ik haar littekens/ kan zien’, die snelweg wordt –, een kind dat kleinere ‘knuistjes’ had. De ijle verbanden tussen toen en nu, Soepboers taal raakt ze even aan en poogt zo iets vast te houden wat zich nauwelijks vasthouden laat, soms in verrassend concrete beelden waarin schaduwen zijn als ‘pap/ die achterbleef op het aanrecht vanochtend’.

En evenzo fluistert deze poëzie langs de onverbrekelijke en onuitsprekelijke band tussen moeder en kind, zoals in dit tafereel, waarin een moeder haar kind tussen rotsen en zee ziet spelen en Soepboer in associatief aaneengeregen snippers taal de liefde, de bezorgdheid, de vertedering, die die band in zich heeft weet te vangen. ‘de hoogte – vrees en val – (…)/ beneden bij de oceaan, gretig en gulzig/ de kinderen in de mossels – spring van/ steen naar steen’.

Niet elk gedicht, niet elke reeks opent zich meteen, maar bij iedere lezing worden nieuwe vertakkingen zichtbaar. Het zijn gedichten die aanrollen als golven, en net als je denkt er een te pakken, vloeit die weer weg: ‘het rennen op de vloedlijn – water kun je tegenhouden/ maar hoe lang de teen en de afdruk dan – wegvloeien/ en weer de aanloop’.

Voel het water.

de schreeuw – die over het water scheert die de echo
loslaat – en de baai veert terug – kind gelukzalig golf
springt – de moeder die al het zoute beproefd heeft
dan samen het water in – laten en laten gaan, een toen

wat wegraakt in zandkorrels – wat achterblijft, stom en
op de natte stenen: een web van mist en verre stemmen

ik ben onder wit gekropen, ik heb middernacht gevangen

Albertina Soepboer

Albertina Soepboer, Vertakkingen, Atlas Contact; 64 blz., € 19,99

Janita Monna (1971) is journalist en recensent. Ze woonde lange tijd op Bonaire waar ze als correspondent werkte. Monna werkte als redacteur Poetry International festival en was initiatiefneemster voor de jaarlijkse Gedichtendag. Voor Trouw schrijft ze wekelijks over poëzie.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden