Review

filosofietheologieDe voorstad van het brede, geleefde leven

Wat heeft de filosofie met God te maken? Niets, zou de Leidse filosoof Herman Philipse antwoorden als hij een boek onder die titel zou schrijven. Alles, zo spreekt zijn Leidse collega, de emeritus hoogleraar godsdienstwijsbegeerte en ethiek H.J. Heering (1912), hem tegen in het boek waaraan hij onlangs diezelfde titel meegaf.

Philipse schreef in 1995 zijn polemische 'Atheïstisch manifest' waarin hij betoogde dat het woordje 'god' leeg is aan betekenis. Daarom diende het uit onze woordenschat te worden geschrapt. Filosofie en Natuurwetenschappen hebben de idee van een almachtige Persoon die het universum zou bestieren overbodig gemaakt, volgens Philipse, en de godsvoorstelling in de moderne cultuur is dood. Hedendaagse theologen proberen God nog op een krampachtige manier te redden door 'god' bijvoorbeeld als een ander woord voor een existentiële bestaanservaring te beschouwen, maar dat is slechts een afleidingsmanoevre en een hopeloze onderneming. Aan het woord 'god' kan geen enkele beschrijvende inhoud meer worden verleend. Het woord is betekenisloos geworden. 'Semantisch atheïsme' noemt Philipse dat. En als men in de taal atheïst geworden is, kan men het ook persoonlijk maar beter worden.

Anders klinkt het Leidse geluid van H.J. Heering. Wat heeft de filosofie met God te maken? Voor Heering is God een levende werkelijkheid, 'de Verborgen Aanwezige' in ons bestaan. De voorstelling van een transcendente, persoonlijke God, de almachtige schepper, die zich in zijn goedheid openbaart en zijn wil aan mensen kenbaar maakt, kortom: de 'god die bestaat', die kan wat Heering betreft nog helemaal mee. Ook al wil hij de traditionele eigenschappen van God niet meer vanuit een vooringenomen dogmatisch realisme duiden, er zit naar zijn mening veel meer in die voorstellingen dan de kritiek eruit haalt.

Er lijkt ons in de religie werkelijk een stem, een hand, een teken van gene zijde te worden aangereikt. Openbaring? Dat is misschien te veel gevraagd van een filosoof. Maar Heering kan niettemin met persoonlijke vroomheid schrijven dat voor hem geloof een vorm is van “trouw en dienstbaarheid en vol vertrouwen zijn ten opzichte van Hem die ik heb mogen ontdekken. Verstand en wil komen bij dit geloof evenzeer te pas als het hart. Samen vormen zij op de lange duur de ervaring, die niet momenteel en incidenteel, maar existentieel is, van wat de Bijbel noemt het 'wandelen met God'.”

“Een filosofie die een atheïstisch manifest proclameert kent zichzelf niet,” schrijft Heering als antwoord op Philipse. Hoe is het mogelijk dat twee vakgenoten tot een zo verschillend oordeel kunnen komen? Terwijl de een God de filosofische laan uitstuurt, wandelt de ander wijsgerig met Hem.

Dit meningsverschil over religie is meer dan een dispuut binnen de filosofie. Hier wordt een verschillend oordeel geveld over wat filosofie is en wat zij vermag. Het verschil in toon is veelzeggend. Philipse bezigt apodictische uitspraken. Hij schrijft vanuit een ongeschokt vertrouwen in de kracht van de rationele argumentatie. De lezer wordt door hem met een 'word atheïst of ik schiet!' voor het blok gezet. Heering moet niets van zo'n revolverlogica hebben. Bij hem overheerst de kalme toon van het gerijpte levensinzicht, een combinatie van eruditie en relativeringsvermogen.

Als Philipse de Luther van het ongeloof kan worden genoemd, vertegenwoordigt Heering de Erasmiaanse mildheid. Het verschil duidt echter op meer dan een onderscheid in karakter. Voor Philipse is wijsbegeerte een poging om te komen tot een beredeneerde levensbeschouwing waarin intellectuele en existentiële elementen met elkaar zijn verweven. Maar filosoof, dat ben je pas als je je levensovertuiging op grond van redelijke argumenten wilt en kunt ontwikkelen. De filosoof moet vandaag dus dicht in de buurt blijven van de empirische wetenschappen en de logica. Hij of zij zal, als datgene wat het hart en de wil ingeeft strijdig is met de rede, zich laten gezeggen door de rede. De filosofie kan volgens Philipse dus nog steeds worden beschouwd als een overkoepelende, integrerende wetenschap, de plek waar de kennis van al wat is wordt bijeengebracht. Maar zij kan slechts een plaats binnen de academie opeisen als ze zich voegt naar de empirie, zich onderwerpt aan de tucht van de methodisch geschoolde rede.

Voor Heering daarentegen hoeft de filosofie zich niet aan de wetenschappen uit te leveren om aan de universiteit een plek te mogen behouden. Hij staat een soort forensenfilosofie voor, die pendelt tussen de werkstad van de wetenschap en de voorstad van het brede, geleefde leven. Het existentiële, persoonlijke heeft naar zijn mening evenveel recht van spreken in de filosofie als de moderne rationaliteit, die in de wetenschappen tot verstandelijkheid is versmald. Filosofie is veel meer dan taalanalyse, formele logica en wetenschapsleer. Filosofie is ook de publieke verantwoording van een persoonlijk credo.

Een credo? Wat onderscheidt de filosofie dan nog van de theologie en de wijsgeer Heering van de remonstrants predikant, die hij ook is? Heering blijft de grenzen in dit opzicht echter eerbiedigen. Christelijke theologie, zegt hij, vertrekt vanuit het a priori van het godsgeloof en onderzoekt daarvan de interne rationaliteit; kritische filosofie daarentegen begint bij de religieuze ervaring en vraagt van buitenaf naar haar redelijkheid. Theologie wordt beoefend vanuit de kerk; godsdienstfilosofie vanuit de cultuur.

De culturele rede ziet zich geplaatst voor de duiding van een bonte, soms mysterieuze menselijke ervaringswereld die zich in het woordje 'god' op een plausibele manier verdicht heeft tot taal. Die duiding, daarmee houdt de godsdienstfilosofie zich bezig. Als zij dan een geschikte methode moet kiezen om godsdienst te benaderen, dan is dat niet in de eerste plaats de logica of de wetenschapsleer, waar Philipse voor kiest, maar de hermeneutiek. Dat is de kunst van het verstaan van ervaringen, teksten en symbolen die ons vreemd geworden zijn. Een omzichtige aangelegenheid, waarbij je soms intuïtief te werk moet gaan, je oordeel moet weten op te schorten, goed moet kunnen luisteren, alvorens je tastenderwijs tot een duiding kunt overgaan. Zo kom je tenslotte tot een 'verstaan', dat meer is dan een 'verklaren' alleen. De redelijkheid die je bij de interpretatie van de godsdienst nodig hebt is, aldus Heering, een brede redelijkheid, een rationalitè èlargie (Bergson), wijder dan die van de natuurwetenschappen.

Naast de rede heb je het hart nodig, behalve een esprit de gèometrie ook een esprit de finesse (Pascal). Het is dus redelijk om rekening te willen houden met dat wat de rede overstijgt, als het om de godsdienst gaat. Het gaat in de filosofie tenslotte om wijsheid, en dat is meer dan kennis.

Heerings visie komt misschien wat ouderwets over. Voor reductionisten als Philipse vertrouwt hij te weinig op de kennisverwervende kracht van de rede, voor postmodernen weer veel te veel. Heering heeft echter geen behoefte aan een actueel debat; hij verwijst liever naar de geschiedenis en de traditie.

Hij wijst erop dat de klassieke wijsbegeerte ooit werd geboren uit de schoot der religie. Maar zij is volwassen geworden. Zij heeft haar moeder verlaten en is gehuwd met de exacte wetenschap. Wie haar levensverloop volgt, bemerkt dat tot en met de achttiende-eeuwse Verlichting de filosofie alles met God te maken heeft gehad. Filosofie en religie erkenden elkaar gedurende bijna de hele westerse cultuurgeschiedenis over en weer, zonder daarbij hun relatieve zelfstandigheid te willen opgeven.

Het hellenisme, bakermat van onze cultuur, zette de toon. Het vormde aan het begin van de jaartelling het westerse denken om tot een soort geestelijk laboratorium, waarin het Griekse beschouwen, het joodse dienen en de christelijke liefde in allerlei gistende verbindingen met elkaar werden gemengd. Niet zonder slag of stoot overigens. De vraag van de kerkvader Tertullianus (tweede eeuw) vond telkens weer bijval: “Wat heeft Athene met Jeruzalem, de Academie met de Kerk, wat de ketters met de christenen te maken?” Maar pas tijdens de Verlichting voltrok zich in deze gespannen verhouding een radicale breuk. De filosofie trok zich terug op het zichtbare en het redelijke. Omgekeerd beriep de theologie zich steeds meer op een openbaring, die zijn eigen, interne redelijkheid met zich meebrengt en zich aan die van de filosofie niets gelegen laat liggen. Het titanenwerk van bemiddelaars als Immanuel Kant heeft aan het uiteengroeien van God en de filosofie geen halt kunnen toeroepen.

Heering beschouwt de breuk die zo na ruim twintig eeuwen westers denken met de religie is voltrokken als een cultureel bedrijfsongeval van de eerste orde. Hier voltrekt zich een soort geestelijke pensioenbreuk, waarbij een cultuur zich moedwillig afsnijdt van haar wortels. Zijn strategie om het onheil te keren is tweeërlei. Enerzijds probeert hij het feilen van de verlichte rede aan te tonen. Hij ondersteunt een cultureel en politiek imperialisme. Zij marginaliseert de kunst. Hij bleek in deze eeuw niet in staat de ergste perversies te verhinderen. Het is met name de joodse filosofie van Buber en Levinas, die Heering erop gewezen heeft dat de bleke en bloedeloze god in het pantheon van sommige westerse filosofen een andere is dan de Levende die ons in de Thora tegemoettreedt in de gestalte van de strenge ethische eis. De rede is onbetrouwbaar, ontdekken nu ook de postmodernen.

Daarnaast vraagt Heering hernieuwde aandacht voor de wijsgeren die met behulp van diezelfde rede er wel in slaagden vruchtbare verbindingen tussen God en de filosofie tot stand te brengen. Spinoza bijvoorbeeld, voor wie het zuivere denken gelijk stond aan het intellectueel beminnen van God (amor intellectualis Dei).

Aan nieuwe theorievorming om aan deze wijsgerige openheid voor religie ook positief gestalte te geven, komt Heering in dit boek nauwelijks toe. Het blijft bij aanduidingen, die met name in het werk van C.A. van Peursen - aan wie het boek is opgedragen - veel nadrukkelijker zijn uitgewerkt. Gods presentie is in deze visie onderdeel van een werkelijkheid, die letterlijk 'werkt'. In elke ervaring overkomt ons iets, wordt ons iets aangedaan. We treden in relatie tot een zijn, dat met ons 'handelt'.

In de specifiek religieuze ervaring spitst zich die algemene relatie tot het zijn dramatisch toe. We ontmoeten er, zoals Mozes ooit bij de brandende braambos, een actieve, dynamische vorm van zijn, die ons zo te boven gaat en ondersteboven brengt, dat we er alleen tastenderwijs met behulp van beelden en symbolen over kunnen spreken. Spreken over God is altijd slechts spreken 'alsof'. God is en blijft een verborgen zijnsmacht. Hij (of Zij of Het?) is nooit op een noemer te brengen, noch in het ik, noch in de dingen, maar altijd er ergens tussenin 'gebeurend'.

In het spoor dat Israël en Jezus door de geschiedenis hebben getrokken is deze zijnservaring echter op unieke wijze onder woorden gebracht en overgeleverd. De bijbelse basiservaring 'Hij is het weer!' (Van Peursen) heeft zich in de christelijke traditie tot een samenhangend verhaal verdicht. Geloven is voor Heering: dat verhaal vertrouwen.

Met deze aanduidingen wil Heering voor God een plek in het denken openhouden. God is voor de filosofie een hypothese, een mogelijkheid. Meer kan en mag men van een filosoof ook niet verwachten. Voor veel van Heerings jongere vakgenoten lijkt dat vandaag echter al te veel gevraagd.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden