Review

Februaristaking was ordinaire machtsstrijd

“Anti-Duitse manifestatie in Nederland gedurende de Tweede Wereldoorlog. Toen de W.A., gesteund door Duitse soldaten, in februari 1941 te Amsterdam de daar wonende joden begon te molesteren leidde dit tot ernstige ongeregeldheden (. . .) De (sinds juli 1940 illegale) Communistische Partij Nederland had al lang haar krachten met die van de bezetter willen meten in een algemene staking.”

ROB SCHOUTEN

Aldus luiden een paar zinnen uit het lemma over de 'Februaristaking' in de Winkler Prins-encylopedie (7e druk). Ze weerspiegelen het canonnieke beeld van de Nederlanders over de Februaristaking, als een verzetsdaad gericht tegen de Duitsers, gegroeid door onrust over de behandeling van de Joden, geïnstigeerd door de Communisten om zich met de Duitsers te meten. Kortom de reden waarom de februaristaking nog altijd wordt herdacht.

Een beeld dat bovendien geschraagd wordt door de historici van die periode, Abel Herzberg, Ben Sijes en L. de Jong. De Jong bijvoorbeeld in 'Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog': “De daadwerkelijke wapens zijn primitief en weinig talrijk maar hun gebruik leidt via de barbaarse Duitse reactie tot de aanwending van een veel machtiger wapen: de massale werkstaking die in een imposante solidariteit voltrokken wordt.”

In hun studie (en bewerkt proefschrift) 'Oorlog in de stad, Amsterdam 1939 - 1941', nuanceren Roest en Scheren de mythevorming rond de Februaristaking en stellen vragen bij andere vermeende feiten uit de vroege bezettingstijd in Amsterdam: het vormen van de Joodse Raad, de bij de Duitsers heersende gedachte over de creatie van een jodengetto.

De auteurs kunnen dat, naar eigen zeggen, doen omdat ze gewaakt hebben voor een interpretatie van de feiten achteraf, dat wil zeggen met in het achterhoofd het verdere verloop en de uitslag van de oorlog. Zij wilden in tegenstelling tot schrijvers als Herzberg, Sijes en De Jong, die de gebeurtenissen huns inziens te veel hebben verklaard vanuit het naoorlogse perspectief, de gebeurtenissen van binnenuit onderzoeken, vanuit het gezichtspunt van die dagen zelf, toen de uitslag van de oorlog nog niet bekend was, de situatie volstrekt onduidelijk en Amsterdam nog een vat van elkaar bestrijdende partijen.

Hun standpunt is zuiver wetenschappelijk. Geen van de betrokken partijen heeft hun voorkeur. Ze zijn als het ware allemaal gelijk in hun poging de macht in Amsterdam te behouden of te monopoliseren: de gemeente Amsterdam zelf, de politie, de NSB, de W.A., de Duitsers.

In de optiek van Roest en Scheren is het in februari 1941 ontkiemende verzet niet in de eerste plaats een solidariteitsactie met de Joden maar, heel wat ordinairder, een machtsstrijd, een stadsoorlog tussen diverse tegenstanders. De CPN die bang was dat de NSB invloed op de onrustige arbeiders zou krijgen, de politie die haar macht zag afbrokkelen, de gemeente die zoveel mogelijk de rust wilde bewaren en de Duitsers die hun politiek van 'arisering' (wat dat in de praktijk ook moge betekenen - ook daar verstonden de diverse instanties heel verschillende dingen onder) probeerden door te zetten.

Hoe komen Roest en Scheren tot hun afwijkende conclusies? In de eerste plaats omdat ze het tot nu toe gebruikte bronnenmateriaal kritisch bekijken. En zo zien ze dat bijvoorbeeld Sijes uitspraken van naoorlogse getuigen als Rauter en Böhmker (de Duitse gezagsdragers), Asscher en Cohen (van de Joodse Raad) de ene keer wel, de andere keer niet gelooft, al naar gelang het in het gewenste beeld van de solidariteitsactie met de Joden past.

Ook maken Roest en Scheren geen al te overvloedig gebruik van het materiaal van het RIOD, van de Duitse nota's uit die tijd bijvoorbeeld, verslagen van Duitse gezagsdragers aan hun superieuren, omdat daar naar hun mening te zeer een door de Duitsers gewenst ideaalbeeld wordt gevormd (ze wilden hun bazen niet teleurstellen).

Daarentegen zoeken ze hun bronnen vooral in het Gemeentearchief van Amsterdam, met de verslagen van de onderhandelingen tussen de Duitsers en de Amsterdamse instanties, waaruit een minder omlijnd, en veel onzekerder beeld ontstaat van Duitsers die beslissingen namen en die weer terugdraaiden, probeerden greep op de situatie te krijgen maar niet precies wisten hoe, nu eens eigengereide beslissingen trachtten te forceren, dan weer naar de Amsterdamse gemeente luisterden. Kortom, het beeld van een stad onder verwarde leiding.

Zo concluderen Roest en Scheren ook dat er eigenlijk geen sprake is geweest van de vorming van 'de Joodse Raad', zoals de Duitsers die verordonneerd zouden hebben onder leiding van Asscher en Cohen, maar veeleer van een veel willekeuriger en toevalliger joodse raad. En dat de Duitsers concrete plannen hebben gehad om een getto voor de Amsterdamse joden te vormen, naar het voorbeeld van de Poolse stad Lodz, verwijzen ze eveneens naar het rijk der fabelen. Dat was nauwelijks meer dan een privé-hersenspinsel van de Beauftragte des Reichskommisars für die Stadt Amsterdam, Böhmker.

Kortom, een aantal mythen over de vroege oorlogstijd in Amsterdam, na de oorlog ontstaan, wordt doorgeprikt. Een van de mythen die en passant sneuvelt is die van de demonische almacht van de Duitsers, die alles systematisch naar hun hand zouden hebben gezet. Wie de stukken erop naleest moet wel, met Roest en Scheren, concluderen dat daar weinig van klopt. De bezetters zaten minstens even vaak met de handen in het haar als de Nederlandse partijen.

“De buitenwetenschappelijke gedachte van de ongelooflijke slechtheid van de Duitse bezetter is niet erg goed geweest voor het wetenschappelijk onderzoek naar hun gedragingen. De historici zijn er niet nieuwsgieriger en preciezer door geworden en zeker niet eigenzinnig. Hebben ze soms vrede met de oorlog?” Aldus luidt de provocerende slotzin van 'Oorlog in de stad'.

Dit boek is natuurlijk in de eerste plaats een kritische studie naar de werkelijke gebeurtenissen in Amsterdam gedurende de beschreven periode. Maar het is meer. Het is een fundamenteel wetenschappelijk onderzoek naar interpretaties van feiten die door de loop van de geschiedenis in een bepaald daglicht zijn komen te staan, naar mythevorming en Hineininterpretatie.

Na het lezen van dit boek krijg je de indruk dat de hele geschiedschrijving voor de oorlogsperiode in Nederland misschien moet worden overgedaan, losgeweekt van alle wellicht begrijpelijke maar daarom nog wel onwetenschappelijke beoordelingen achteraf.

Zo wetenschappelijk zijn Roest en Scheren overigens ook weer niet of ze permitteren zich een paar grapjes in de onderschriften bij foto's, zoals die waarop Böhmker de nieuwe pro-Duitse burgemeester van Amsterdam, Voûte, feliciteert. “De nieuw benoemde burgemeester Voûte feliciteert Böhmker met diens keuze”, staat daar ironisch. Maar in de rest van Roest en Scherens tekst is ironie, of ieder persoonlijk of partijdig gevoel, nadrukkelijk afwezig.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden