Review

Evangelisch correct

Vlakbij de Amsterdamse Westerkerk waaraan hij lang als predikant verbonden was, wordt vanavond, in de Rode Hoed, het nieuwste werkstuk van Nico ter Linden gepresenteerd: deel drie van Het verhaal gaat... Zelfs Rachab, zo las Jaap Goedegebuure, is in deze hervertelling van de bijbel met haar tijd meegegaan, en mag geen hoer meer heten.

In The English Patient (de met veel succes verfilmde roman van Michael Ondaatje) komt een passage voor waarbij de hoofdpersonen, op expeditie in de woestijn, de avonden opvrolijken met het vertellen van verhalen. Niemand in de groep hoeft zelf iets te verzinnen, zo lang de anekdote maar kop en staart heeft.

Het gebruik is oeroud: een gezelschap zit in een kring bijeen en dan komen de verhalen vanzelf, uit de stilte, uit de warmte van het vuur, uit de nooit eindigende behoefte aan lering en ver maak. Boccaccio had niet lang zoeken naar een opzet voor zijn verhalencyclus Decamerone. Hij liet tien jonge mensen vluchten voor de pest, gunde ze de rust en veiligheid van een lustoord in de heuvels, en zette ze aan het werk: één vertelling per persoon per dag. Dat er onder die honderd heel veel bekende zijn, is niet van belang. Een goede grap of een puntige sketch verslijt ook niet zo snel.

Er wordt wel eens gezegd dat de vertelcultuur op haar retour is geraakt toen de mondelinge overdracht concurrentie kreeg van andere media. Het is maar hoe je het wil zien. Natuurlijk, er zijn zoveel verhalen vastgelegd in druk, geluid en beeld, dat ook mensen zonder geheugen of fantasie de rol van intermediair op zich kunnen nemen. De vertelscène in de filmversie van The English Patient is in Ondaatjes boek een voorleesscène, dus in overeenstemming met een stand van zaken die maakt dat ouders hun kinderen voor het slapen aangenaam bezig houden met een bril op de neus en een boek op schoot. Als ze al niet een cd-speler of videorecorder inschakelen. Maar voor welke voor- en overdracht er ook gekozen wordt, de behoefte aan het verhaal is oermenselijk.

Predikant-verteller Nico ter Linden is bezig de bijbelse verhalen te arrangeren in overeenstemming met de behoeften van een hedendaagse gehoor. Je kunt ze in vijf tot tien minuten tot je nemen, wat ze bestempelt tot de ideale avond- of treinlectuur voor lezers die naast hun drukke bezigheden ook nog een uur of wat televisie willen kijken, joggen of skeeleren. Ze zijn zeer geschikt om te worden voorgelezen of voorgedragen. En je doet er een hoop culturele kennis mee op. Het wachten is op een cd-romversie met teksten en stem van meester-verteller Ter Linden en toepasselijke plaatjes die je naderhand terugziet in het museum, zodat je eindelijk begrijpt wat je hebt gezien.

Het enorme succes van Het verhaal gaat... (van het eerste deel verschenen inmiddels twaalf drukken) is mede te danken aan de kracht waarmee de alleroudste verhalen zich in het collectieve bewustzijn hebben geworteld. We kunnen er niet genoeg van krijgen, en dat niet alleen omdat ze zo spannend of amusant zijn. Ze zeggen iets over onszelf wat we op deze manier nog niet hadden gehoord. Ook al benadruk je, zoals Ter Linden doet, dat ze eens gemeenschap hebben gesticht in de kring van joodse ballingen die zuchtten onder het Babylonisch juk, dan nog behouden ze een restwaarde die ver uitgaat boven hun oorspronkelijke functie. Die restwaarde is zelfs meer dan omvat kan worden door de joodse en/of christelijke heilsgeschiedenis.

Saul en David, om maar een aansprekend voorbeeld te kiezen, zijn voor de gelovige toehoorder exempelen van wankelmoedigheid, godsvertrouwen, schuld en boete, maar voor de niet-gelovige belichamen ze zeer herkenbare 'psychologische typen', om met Jung te spreken. Het is niet zo moeilijk om eigen karakter en gedrag te spiegelen in een van hen beiden of in allebei tegelijk. Het zijn helden wier leven garant staat voor een plot met veel spanning, liefde, tragiek, grandeur en misère. Schrijvers als Shakespeare, André Gide, Joseph Heller en Torgny Lindgren hebben laten zien dat de bijbelse helden net mensen zijn, dat wil zeggen vaten vol tegenstrijdigheden. Alleen een beschouwer als Ter Linden kan zeggen dat David ('schaapherder en roverhoofdman, koning en priester, zondaar en heilige, staatsman en dichter') meer facetten heeft dan voor één mens acceptabel is. Vandaar zijn toevlucht tot een kunstgreep die kenmerkend is voor zijn manier van navertellen: 'Maar hij (David) is dan ook niet één mens, het is een heel volk dat in deze koning woont.' Zoals de Verenigde Staten wonen in Bill Clinton, denk ik dan.

Ter Linden is zich bewust van het narratieve en psychologische potentieel dat het Oude Testament in zich bergt. Niettemin staan bij hem heilsgeschiedenis en geloofsverkondiging voorop. Hij resumeert de bijbel zoals dominees dat eeuwenlang hebben gedaan: als het doorlopende verhaal over het goddelijk plan waarin de mens de hoofdrol speelt. Het christendom is voor hem een loot aan de boom van Jesse, en het Nieuwe Testament is verbonden met het Oude. Wel heeft hij, in overeenstemming met de evolutie die de protestant-christelijke theologie de laatste decennia heeft doorgemaakt, wat meer aandacht voor het typisch of soms zelfs exclusief-joodse in Thora en profetische geschriften, maar meestal is bij hem de exegetische traditie sterker dan de nieuwlichterij. Dan is het beloofde land Israël gewoon Gods 'proeftuin' waarin het joodse volk mag pionieren terwille van de gehele mensheid.

Je zou Ter Lindens visie op de Schrift 'evangelisch correct' kunnen noemen. Het uitverkoren zijn van het jodendom wordt niet ter discussie gesteld, maar de paulinische verruiming van de toegangseisen tot de geloofsgemeenschap rond Wet en Profeten evenmin. Karakteristiek voor de evangelische bereidheid om niemand buiten Noachs Ark te laten vallen is de volgende alinea, die de status van credo heeft: 'Israëls profeten hebben in deze verhalen niet alleen het land Israël op het oog, erets Jisraeel, want in dat ene land gaat het om de hele erets: Gods wijde wereld. Zolang op aarde één broedervolk nog geen rust gevonden heeft, is het beloofde land nog niet verwerkelijkt. Eén volk of geen volk. Eén land of geen land. One world or none.'

Wie vanuit een evangelisch perspectief het Oude Testament leest, kan zich niet beperken tot een letterlijke interpretatie. Geen wonder dat Ter Linden Nijhoff citeert: 'er staat niet wat er staat.' Opvallend genoeg laat hij zich vooral door dit adagium leiden waar sprake is van krijgskundig geweld. De oorlogen die Israël moet voeren tegen naburige volkeren hebben helemaal niets te maken met territoriumdrift, economische belangenbehartiging of wraakzucht, maar zijn manifestaties van de eeuwige strijd tussen goed en kwaad.

Waar de tekst het over 'Amalek' heeft, leest Ter Linden 'het boze in de mens' en Filistijns is voor hem synoniem met 'heidens in het algemeen'. 'Baül en Astarte staan voor een cultuur waarin de god van macht en bezit wordt aanbeden, voor een wereld waarin de rijken leven ten koste van de armen.' Dat Astarte, godin van vruchtbaarheid en lust, ook een matriarchale mededinger is van de naijverige patriarch Jahwe, is kennelijk onbruikbaar in Ter Lindens verkondiging. 'Jericho is Jericho niet en die muren zijn geen stadsmuren.' En zelfs Rachab is geen hoer meer, maar een 'vrijgevochten vrouw uit de heidenen, die een herberg dreef op de wallen van Jericho, aan de rand van de samenleving. Soms deelde zij met haar gasten het bed.' In het erotisch jargon is dit is wel het mooiste eufemisme sinds bordeel werd omgedoopt tot relaxboerderij en prostituée tot hostess. En nog vrouwvriendelijk bovendien, dus niet alleen evangelisch, maar ook politiek correct.

Dat het Oude Testament nog aardig wat rudimenten bevat van een archaïsche cultuur met een magische geloofspraktijk, komt in Ter Lindens kraam niet van pas. Veel van de wonderdaden die aan profeten worden toegeschreven, zijn goedbeschouwd vrij flauwe toverkunsten. Vooral Elisa (een onaangename man die zinloos geweld gebruikt tegen een stel jongens dat hem 'kaalkop' noemt) excelleert in zulke trucs. Maar bij Ter Linden heet het heel vroom: 'In een mens die op God zijn vertrouwen stelt, komen niet vermoede krachten bovendrijven.' En dat allemaal terwijl hij zelf zo vatbaar is als een kind voor sprookjesachtige magie, die hem dingen laat lezen die er helemaal nooit hebben gestaan. Als Gideon paniek zaait onder de Mideanieten, schrijft Ter Linden bij wijze van slotzin: 'De kamelen zien het verbijsterd aan.' Zo gaat het verhaal met de verteller op de loop.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden