Europese allure

Helene Schjerfbeck is in korte tijd de tweede grote Finse schilder die nu ook in het buitenland naam begint te krijgen.

Ze wordt wel de grootste ontdekking in de Finse kunst van de 20ste eeuw genoemd. In eigen land en elders in Scandinavië is ze zestig jaar na haar dood uitgegroeid tot een mythe, maar in de rest van Europa bleef ze lang relatief onbekend. Tot het Haags Gemeentemuseum haar enkele jaren geleden opnam in het baanbrekende overzicht van vroeg-moderne Finse schilderkunst. Alle reden om dus met veel verwachtingen af te stappen op de eerste grote retrospectieve die het Haagse museum nu wijdt aan Helene Schjerfbeck (1862-1946). Om bij het zien van deze omvangrijke presentatie tot de conclusie te komen, dat de slogans waarmee de tentoonstelling wordt verkocht, terecht zijn. Helene Schjerfbeck mag worden bijgezet in het pantheon van de klassiek-moderne schilders van Europese allure.

Bij het begrip Finse schilderkunst wordt allereerst gedacht aan het werk van Akseli Gallen-Kallela. Het Groninger Museum heeft hem kortgeleden met een mooie retrospectieve recht gedaan, maar ook in dit geval was zijn beste werk al op het overzicht van Finse kunst in het Haags Gemeentemuseum te zien. Een vergelijking van Gallen-Kallela met Schjerfbeck zit er evenwel niet in. Beiden zaten op een geheel andere golflengte. Gallen-Kallela verwerkte immers thema’s uit de nationale folklore. Het meest nog in zijn voorstellingen die hij naar aanleiding van het nationaal epos de Kalevala heeft geschilderd. Maar ook andere onderwerpen hebben een typerend Fins trekje, zoals de lange winternachten, de meters dikke sneeuwdeken die het Finse land maandenlang bedekt en de extreme melancholie die het leven in dit stille en zo oneindige land met zich meebrengt.

Bij Schjerfbeck is van dit alles geen sprake, zozeer zelfs dat ze onmogelijk aan een echte Finse identiteit voldoet. Van vroegs af aan is haar oriëntatie op specifieke onderwerpen eerder internationaal dan traditioneel Noord-Europees gericht geweest. Zo reisde ze meer dan eens naar Parijs, dat al voor de eeuwwisseling als het mekka van de moderne schilderkunst werd beschouwd. Haar contacten met de vroege avant garde hebben haar in die tijd zeker gevormd, wat onder meer blijkt uit de cezanneske sporen in haar stillevens.

Maar in die stillevens komt ook een kenmerk naar voren dat elders in andere onderwerpen nog veel duidelijker wordt en dat als hoogst typerend voor deze kunstenares mag worden genoemd. Helene Schjerfbeck ging op een ook voor haar tijd markante wijze met het licht om. In Den Haag hangen wat dat betreft veel veelzeggende schilderijen, maar één doek slaat alles. In een lege ruimte wordt de aandacht automatisch naar een simpele, zwarte deur getrokken. De deur is niet veel meer dan een donkere vorm die echter door het omgevingslicht een helder baken lijkt te zijn. Het lijkt erop dat het licht uit de deur zelf komt, zoals ook de stillevenvruchten tot leven worden gebracht. Anders dan de Franse impressionisten die er een meester in waren om het op-vallende licht weer te geven, zocht Schjerfbeck in die tijd naar een soort van licht dat het onderwerp zelf uitstraalt. Ze paste deze zelfde manier van schilderen ook toe in de zeldzame winterlandschappen (een onderwerp dat ze opvallend aan haar landgenoot Gallen-Kallela overliet) en zelfs in de figuurstukken die op een haast conceptuele wijze van een karakter worden voorzien.

Maar wat haar oeuvre vooral zo opmerkelijk maakt, zijn de zelfportretten. Net als Van Gogh die ze wellicht als een gelijkgestemde ziel moet hebben beschouwd – wat gezien beider getourmenteerde bestaan voor de hand ligt – vond ze in de spiegel haar goedkoopste model. Ziekelijk vanaf haar kinderjaren tot haar laatste levensdag moet ze er op zijn zachtst gezegd niet erg optimistisch hebben uitgezien. Het pleit voor haar dat ze zich zelf volkomen eerlijk heeft geportretteerd, met een rist van ronduit ontluisterende doeken tot gevolg. Zo’n aangrijpende weergave kenden we alleen van Edvard Munch, de Noorse tijdgenoot van Schjerfbeck wiens invloed (Munch werkte trouwens ook in Parijs) ze onmiskenbaar moet hebben ondergaan.

Hoe sterk haar internationale oriëntatie moet zijn geweest, blijkt uit het werk dat in de jaren tussen 1903 en 1918 ontstond. Gedwongen door haar zwakke gezondheid had ze al eerder het lesgeven bij het Kunstgenootschap in Helsinki er aan moeten geven, maar in de daarop volgende tijd besloot ze zich geheel af te zonderen van de kunstwereld. Werkend in het stadje Hyvinküü ontving ze vervolgens haar collega’s in plaats van hen in de op 60 kilometer gelegen Finse hoofdstad te bezoeken.

Op haar eigen productie had het weinig effect. Ze nam in die periode aan diverse tentoonstellingen deel en kreeg zelfs (in 1917) haar eerste grote solo-expositie met maar liefst 159 werken in de galerie van haar protagonist Einar Reuter in Helsinki. De volgende jaren kregen problemen met haar gezondheid en bijkomende ongelukken (zo kreeg ze een bloedvergiftiging in de rechter wijsvinger die haar het schilderen onmogelijk maakte) zo’n omvang dat ze volstrekt efficiënt met haar tijd moest omgaan. Van reizen buiten Scandinavië was geen sprake meer, van Parijs restte alleen nog maar de hartgrondige wens er nog eens naartoe te gaan.

Kort voor de dood een einde aan haar ziekelijke bestaan zou maken, wilde ze aan het einde van de Tweede Wereldoorlog nog naar Stockholm uitwijken, midden in een periode waarin ze haar fysieke aftakeling naar een vreselijke climax zag reiken. De spookachtige ’verschijningen’ die ze tot aan haar sterfbed heeft gemaakt, vormen evenzovele hoogtepunten in dit specifieke genre.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden