null

InterviewErdal Balci

Erdal Balci: ‘Zelfs op schoot bij mijn moeder was het niet veilig’

Beeld Patrick Post

Zijn derde roman De gevangenisjaren hakt erin en is nog autobiografisch ook. Erdal Balci, kind uit een Turks migrantengezin, bekent: ‘Ik heb nare details weggelaten omdat lezers het anders niet geloven.’

Voor de leden van het migrantengezin in de roman van Erdal Balci begint de ellende als ze van het Turkse platteland naar de Utrechtse wijk Lombok verkassen. De ik-persoon is elf. Vader werkt er al een paar jaar in de zware metaal. Je denkt als nietsvermoedende lezer nog even: het gezin is herenigd, moeder is weer bij haar man, ze staat er niet meer alleen voor, de vijf kinderen hebben weer een vader. Maar niets is minder waar.

Er volgen achttien jaar van gevangenschap ‘op het Hollandse plateau’, zoals Balci (52) schrijft. Een plek die makkelijk te ontvluchten leek, maar “die in werkelijkheid beter werd bewaakt dan het beruchte Shawshank”.

Daarmee verwijst Balci naar de gevangenis in de Amerikaanse film The Shawshank Redemption (1994), naar een verhaal van Stephen King, waar de corruptie bij bewakers en directie welig tiert. Eén gevangene weet te ontsnappen door een tunnel die hij graaft door de muur van zijn cel, het tunnelgat steeds bedekkend met een poster van een filmster. Zo’n poster die ook op de jongenskamer hangt van de ik-persoon in Balci’s boek, die naar eigen manieren zoekt om te vluchten uit de parallelle wereld waar hij is beland.

In alle boeken van Balci vormen Turkije en Nederland steeds het decor. In zijn vorige roman Simonehh en mijn tweelingbroer uit 2015 zette Balci zichzelf in als fictief personage, als tweelingbroer van een Turkse worstelaar die redding zoekt in Nederland. Drie jaar eerder verscheen De mooiste leugen, over de vraag of er nog redding is voor de man, pendelend tussen het leger en de liefde.

De gevangenisjaren speelt zich af in de jaren tachtig en negentig. Als lezer kijken we even rond in Ardahan, in het dunbevolkte noordoosten van Turkije, en daarna uitsluitend in en rond J.P. Coenstraat 48 bis in Utrecht. Het huis – het bestaat nog – waar de hoofdpersoon vaak uit het raam hangt en waar het enorme tweedehands bankstel niet toereikend was om de aanhoudende stroom bezoekers op te ontvangen.

De passages zijn schrijnend en hilarisch tegelijk. Bezoekers­­, ‘met licht gebogen ruggen’ en ‘gezichten als de verf van hun oude auto’s’, allen deel van de Turkse gemeenschap die het gezin van de ik-persoon eronder houden. Ineens wordt er vijf keer gebeden, naar Mekka, iets wat de hoofdpersoon zijn ouders nog nooit heeft zien doen. Het gezin dat dacht een reis naar het hart van de Europese moderniteit gemaakt te hebben, is door toedoen van ‘cipiers’ uit de eigen groep en hun Nederlandse ‘handlangers’ teruggeworpen in de Turkse feodaliteit van voorheen. Zijn moeder die in Turkije experimenteerde met het afdoen van haar hoofddoek, zit er in Nederland aan vast. En vader die graag zijn uren in het koffiehuis spendeert, moet Arabisch leren in de moskee.

We spreken Balci thuis in Utrecht, op zeven kilometer van zijn ouderlijk huis in Lombok. Hij draagt een kraag vanwege een ongelukkige val, een week eerder.

Een van de ergste dingen die u uw vader hebt horen zeggen nadat uw oudste zus in Utrecht was verongelukt, was dat het gelukkig niet een van zijn zonen was.

“Dat is dertig jaar verzwegen in de familie. Hij zei het tegen een familielid, ik hoorde het toevallig. Mijn wereld stortte in. Het erge is dat ikzelf als tiener ook afschuwelijk was jegens mijn zussen. Want ik ging mee in die vroomheid om maar geen gedoe te hebben. Ik heb ervoor gezorgd dat mijn jongste zus niet op kamp ging met school en ze mocht van mij geen strakke broeken dragen. Verschrikkelijk, dat zit haar nog steeds dwars, ik heb het opgeschreven in dit boek, dat is mijn vorm van excuus. Ze was hier gisteren, ze moet het boek nog lezen. Neem een cakeje, heeft zij gebakken, een Turkse specialiteit.”

Dank. De moeder in uw boek komt er ook niet best vanaf. Ik citeer: “Als ze boodschappentassen draagt, kan ze me tenminste niet slaan”. En: “Op schoot van mijn moeder ben ik nooit in slaap gevallen”.

“Ja, dramatisch hè? (lacht even) Maar zo was het wel. Ik heb wat ze deed te gemakkelijk geaccepteerd. Ik moest volwassen worden om het proberen te begrijpen. Mijn broer zegt dat ze nooit van ons heeft gehouden. Ik droomde als kind veel weg, en omdat ik haar liefde moest missen, zocht ik die bij andere vrouwen.

Later­­, rond mijn 35ste, probeerde ze het goed te maken, ging ze ineens lief doen, maar toen was het te laat. Zij is nooit vrij geweest om een goede man te kiezen en heeft wraak op ons genomen, zo zie ik het. Ze vond zich als uitgehuwelijkte vrouw altijd te goed voor mijn vader, en gevangen mensen zijn natuurlijk niet in staat om lief te hebben. Liefhebben vereist een mate van keuzevrijheid.”

U hebt met dit boek gewacht om uw ouders er niet mee te belasten.

“Ik hou ondanks alles veel van ze. Mijn vader heeft alzheimer, mijn moeder is dement door haar parkinson, ze worden in Turkije verpleegd. Ik wilde niet dat ze erover zouden horen van anderen. Wat ik hierin vertel, is niet een-op-een zo gebeurd. Het is gebaseerd op mijn herinneringen. Mensen kunnen denken, hij heeft vast dingen verzonnen, want het is veel te heftig, maar ik heb juist nare details weggelaten om het geloofwaardig te houden. Ik moest er voor terug naar Turkije en mij ontwikkelen tot schrijver. Ik wilde deze familietragedie beschrijven en daarmee ook licht werpen op deze tijd.”

null Beeld Patrick Post
Beeld Patrick Post

Is uw boek een aanklacht?

“Mijn boek is een aanklacht tegen de koers die Europa al sinds eind jaren tachtig vaart. Een koers waarbij geen enkele moeite wordt gedaan om de nieuwkomers deel te laten worden van de Europese moderniteit. Er wordt van nieuwkomers nauwelijks iets verlangd. Als schrijver snak ik naar een ‘Deltaplan van Verlichting’. Als je mensen binnenlaat, heb je verantwoordelijkheid voor ze, ook voor hun kinderen. Het feit dat 70 procent van de Turkse Nederlanders op Erdogan stemt, zou nu een alarm moeten zijn. Je moet toch naar elkaar toegroeien om een samenleving te vormen? Een multiculturele samenleving kan pas werken als het individu, de vrouw en het kind niet onderdrukt worden. Moslimfamilies in hun waarde laten, geeft een vrijbrief voor onderdrukking. Zeker als je ook nog projecten financiert die het religieuze leven van migranten toejuichen.”

Hoe was uw leven als kind op het Turkse platteland?

“We leefden vrij, we waren soennitische moslims, dus we vierden alleen de culturele feestdagen. Van een Koranschool hadden ze nog nooit gehoord. In Utrecht moest ik er ineens heen. Ik weet nog hoe mooi het licht in de ogen van mijn zussen was toen we nog in Turkije woonden. In Nederland doofde dat licht. Ik kom nog steeds in Turkse kringen, hoor nog steeds veel verdriet. Een Koerdisch meisje kan niet met een Turk trouwen. Als dat meisje volhoudt, worden ze beiden bedreigd met de dood. Dan komen haar ooms uit Duitsland deze kant op. Ik sprak op een vlucht naar Istanbul een zwart Kaapverdiaans meisje dat op weg was naar haar Turkse vriend. Hun verhouding werd door de familie onmogelijk gemaakt.”

Uw ik-persoon is ongelukkig, maar kiest gelukkig voor de pen, niet voor het mes dat hij ook op zak heeft.

“Ik wist van kinds af aan dat ik schrijver wilde worden. Ik begon filosofen te lezen. Aan het eind van mijn boek citeer ik Spinoza, die zegt hoe je kunt leren vrij te zijn, en dat je een beetje kunt sturen wie je tegenkomt; mensen met andere ideeën dan waar je door omringd wordt. Het was mijn nachtmerrie dat ik die mensen niet tegen zou komen. Eigenlijk gebeurde dat pas in Turkije, waar ik correspondent werd op mijn 29ste. In de jaren daarvoor heb ik mijn pen misbruikt, verraad aan mezelf gepleegd, ik tikte de woorden die men van mij wilde lezen.”

Hoe bedoelt u?

“Ik heb vier jaar lang de kranten en bladen waar ik voor schreef naar de mond gepraat. Ik zag misstanden, verdriet bij mensen, maar daar was niet veel ruimte voor. Redacties wilden van mij positieve verhalen over de multiculturele samenleving. Ik moest schrijven over hoe goed het ging. De moslimgemeenschap als exotisch souvenir. En ik wilde geld verdienen.

Ik hoefde door mijn verhalen niet meer naar de C&A, ik kon eindelijk een broek kopen bij een Levi’s-winkel. Maar mentaal werd ik er ziek van. Weet je wie mij begrepen? Linkse, seculiere Turken. Alleen zij.

Ik lag laatst een week in een Utrechts ziekenhuis, waar ik heel goed werd verzorgd, maar elke dag, echt elke dag vroegen ze of ik toch geen halal-maaltijd wilde. Er zijn echt meer niet-religieuze Turkse en Marokkaanse Nederlanders dan ik.”

Vorige maand kwam de Amsterdamse studente Lale Gül met haar roman Ik ga leven. Ze is 23, komt ook uit een streng Turks moslimgezin. Is zij een medestander?

“Ja, ik vind het heel bemoedigend, ik heb haar boek nog niet gelezen, maar we moeten meer van dat soort meiden hebben die hun ketenen afwerpen. Het is gevaarlijk voor haar, en voor mij is het ook nog steeds een afweging hoe ver ik ga in wat ik zeg. In Nieuwsuur deed ik mee aan een discussie na een aanslag en twee jaar later werd ik op straat herkend, dat had fout kunnen gaan. Ik zeg geen dingen meer over de islam. Wel over mijn boeken. Ik blokkeer mensen heel snel op sociale media. Vaak zie je aan profielen wat voor types het zijn. Ik twitter nog wel, maar steeds voorzichtiger.

Erdal Balci (Ardahan, 1969) kwam op zijn elfde naar Nederland, waar hij na de mavo, de havo deed en de School voor Journalistiek. In 1998 vestigde hij zich in Istanbul om daar correspondent te worden voor Trouw en andere media. Toen Erdogan vastere grond onder de voeten kreeg, keerde hij terug naar Nederland. De gevangenisjaren is zijn derde roman. Op basis van dit boek maakt hij met omroep Human een documentaire die later dit jaar te zien zal zijn. Balci schrijft columns in de Volkskrant en HP/De Tijd. Hij woont met zijn vrouw Leonie Kant en hun zoon in Utrecht. Uit een eerdere relatie heeft hij twee dochters.

Het absurde is dat toen ik in Turkije woonde, van 1998 tot 2014, gewend was vrijuit te spreken, intellectuelen kunnen daar in hun seculiere kranten ook veel meer zeggen. Veel van de columnisten die daarin staan zouden in Nederland niet gepubliceerd worden, als het gaat over de islam. Erdogan heeft 90 procent van de kranten in handen, maar die leest niemand.

Linkse Nederlanders proberen mij in de extreem-rechtse hoek te drukken. Heel naar. Het gaat mij niet om hele gebieden die achterlijk zouden zijn, zoals Wilders en Baudet zeggen, onzin, ik kom overal verlichte geesten tegen, ook in de armste gebieden van Turkije. We moeten het werk van onze Europese voorouders voortzetten en terug naar Sartre, Spinoza en Kant, naar de Verlichting, naar een betere wereld. Iedereen heeft het recht zich te ontplooien.”

null Beeld

Erdal Balci: De gevangenisjaren. De Geus, € 20

Lees ook:

‘Een ode aan Nederland is echt op zijn plaats’

Journalist Erdal Balci groeide op in Utrecht, maar koos voor Istanbul. Onlangs keerde hij terug. ‘Ik wil dat mijn kinderen in vrijheid opgroeien.’ In zijn nieuwe boek wil hij de mooie kanten van Nederland laten zien.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden