Review

'Er zijn regels voor álles'

Jutta Chorus en Ahmet Olgun, twee journalisten van NRC Handelsblad, beschrijven de loop der gebeurtenissen die leidden tot de moord op Theo van Gogh als de dynamiek van een frontale botsing. Ze volgen vanaf twee kanten de hoofdpersonen, aan de ene kant Ayaan Hirsi Ali en Theo van Gogh, aan de andere kant Mohammed B. en zijn kameraden.

Hella Rottenberg

Een frontale botsing: het is een geslaagd beeld, want het maakt duidelijk dat de confrontatie tussen twee werelden onvermijdelijk was: die van de atheïstische en de Verlichting predikende Hirsi Ali en die van de geradicaliseerde moslim Mohammed B. De biografieën van deze tegenpolen staan in dit boek naast elkaar, en daardoor besef je weer hoe onwaarschijnlijk beider levens zich hebben ontwikkeld. En hoe merkwaardig het is, dat het drama zich bij ons in de zompige polder heeft afgespeeld.

Hirsi Ali: een Somalische vluchtelinge, opgegroeid in een streng islamitisch milieu, werpt in Nederland de religieuze angst voor hel en verdoemenis van zich af en ziet het als haar missie om vrijheid en verlichting te brengen. Mohammed B.: een Amsterdamse jongen, groot geworden in een traditioneel Marokkaans, maar niet erg religieus gezin, omarmt de politieke islam en gaat een 'heilige oorlog' voeren tegen het bandeloze Nederland.

In beider bestaan betekent 11 september 2001 de grote breuk. Hirsi Ali verloor haar angst voor de hel en keerde zich af van het geloof. Mohammed B. raakte in de ban van de haat.

Theo van Gogh kan onmogelijk als toevallige passant worden beschouwd. Zijn rol als provocateur, 'dorpsgek' zoals hij zichzelf betitelde, en regisseur van Hirsi Ali's scenario voor 'Submission' is daarvoor te wezenlijk. Maar uit het boek kan wel worden opgemaakt dat Mohammed B. Theo van Gogh vermoordde, omdat hij een doel zocht voor zijn 'djihad' en Van Gogh een gemakkelijke prooi was.

Uit de reconstructie die de auteurs in hun boek presenteren, blijkt dat Mohammed B. al op 22 juni 2004 - meer dan twee maanden voordat 'Submission' werd vertoond - een eerste versie schreef van een dreigbrief aan Hirsi Ali met de hoogdravend geformuleerde woedekreten: ,,Ik weet zeker dat jij, O Europa, ten onder gaat. Ik weet zeker, dat jij, O Nederland, ten onder gaat. Ik weet zeker dat jij, O Hirsi Ali ten onder gaat.'' 'Submission' was niet meer dan een aanleiding voor Mohammed B. om een daad te stellen, een geweldsdaad waarop hij zich geestelijk al lang aan het voorbereiden was.

Het meest verrassend aan dit boek is het onderzoek naar de levensloop van Mohammed B. en de jongens in zijn omgeving. Hoe komt het dat zulke jongens radicaliseren? Hoe gaat dat precies in zijn werk? Waar komt hun haat vandaan? Waarop richt zich hun woede? Wat moeten we ons voorstellen bij hun religieuze gevoelens?

Huisgenoten en kennissen van Mohammed B. komen zelf aan het woord en onthullen in hun relaas iets over hun metamorfose, hun oude en nieuwe denkwereld. De Amsterdamse Redouan, bijvoorbeeld, (op 29 oktober ook in Trouw geïnterviewd) deed een juridische hbo-opleiding. Hij keek enigzins meewarig naar zijn broer Fahmi, die streng gelovig was geworden en bij Mohammed B. was ingetrokken.

Nadat Fahmi was gearresteerd als lid van de Hofstadgroep, werd Redouan contactpersoon van zijn gevangen broer. Op die manier kwam hij in aanraking met de vrienden van Fahmi en raakte onder hun invloed. Verbazend snel volgde zijn bekering en gaf hij zijn studie op, want - zoals Mohammed T. tegen hem zei - 'Wat heb je aan die school? De wetten van de mensen zijn in strijd met die van de islam, de sjaria. Alle antwoorden kun je vinden in de Koran'. Redouan voelt zich, naar eigen zeggen, nu veel gelukkiger en rustiger. ,,Mijn leven is zo overzichtelijk geworden. Er zijn regels voor álles. Ik probeer me daaraan te houden.''

Het klinkt als een sleutel: regels, discipline, een einde aan de verwarring, kameraden om lief en leed mee te delen, samen tegen de boze buitenwereld een edele strijd voeren in naam van een hoger doel. Als ze eenmaal de 'ware islam' hebben ontdekt, laten jongens als Redouan minachting blijken voor hun slappe ouders, die een nepgeloof belijden en zich laten koeioneren door ongelovigen. ,,Als de oudjes bidden'', zegt Redouan verontwaardigd, ,,kijken ze met één oog naar de televisie.''

Bij Mohammed B. verliep de radicalisering, zo lijkt het, geleidelijker. Hij liep steeds gefrustreerder, kwaaier en agressiever in Amsterdam rond, tot hij in contact kwam met Abu Khaled, de Syriër, die als een soort sekteleider jongens om zich heen verzamelde en hen volstopte met half- en onbegrepen teksten uit de Koran. De jongens gingen zich steeds meer afzonderen, maakten elkaar gek en begonnen plannen te smeden voor een martelaarsdood.

In korte, laconieke zinnen zet 'In godsnaam' zoveel mogelijk feiten op een rijtje. Zwak aan het boek is, dat het erg zwaar leunt op politie- en AIVD-rapportages, zonder kritische vragen te stellen over de kennis en inschattingsfouten van deze instanties. Maar ook zonder iets te verklaren of te analyseren heeft het boek meerwaarde, omdat het ons een paar aspecten laat zien van het volstrekt nieuwe fenomeen van de 'djihad in de polder'.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden