Review

Er wordt me iets te veel ten grave gedragen

In 1900 begon Lucas Lindeboom, hoogleraar aan de gereformeerde Theologische School in Kampen, een tijdschrift onder de programmatische titel: 'Wat zegt de Schrift?'. De ondertitel ('Maandblad tot bevordering van het rechte lezen en uitleggen van Gods Woord') gaf aan, dat Lindeboom bij het antwoord op die vraag weinig last had van twijfelzucht. De Bijbel was voor hem eeuwig waar. Van 'moderne' bijbelkritiek moest hij niets hebben.

Jan Greven

In 1909 wordt 'Wat leert de Schrift?' het 'Gereformeerd Tijdschrift' en vanaf 1912 het 'Gereformeerd Theologisch Tijdschrift' (GTT). Onder die naam bestaat het blad volgend jaar een eeuw. Daarop vooruitlopend heeft de redactie de balans opgemaakt. Onder de titel 'Theologie op de drempel van 2000' bieden vijftien gereformeerde theologen een terugblik op hun vakgebied in het GTT om zich vervolgens af te vragen wat daarvan meegenomen kan worden in de volgende eeuw. Om de conclusie maar vast te verklappen: veel blijkt dat, met alle respect, niet te zijn.

In zijn inleiding op de bundel stelt oud VU-hoogleraar Jan Veenhof, dat het in het gereformeerde kerkelijk leven draaide om de polen Schrift en kerk.

Wat de Schrift betreft werd heel lang de boven omschreven lijn van Lindeboom voortgezet: de Bijbel bevat eeuwige waarheid, historisch-kritisch onderzoek is uit den boze; van tegenstrijdigheid, bijvoorbeeld tussen de evangelieën, is geen sprake; bijbelse betrouwbaarheid is nadrukkelijk betrokken op geschiedenis: wat de Bijbel als geschiedenis meedeelt, moet als feitelijkheid aanvaard worden.

Wat de andere pool betreft, de kerk, die wilden de gereformeerden vanuit een binding aan Schrift en belijdenis zuiver maken en houden. Een streven waarbij, aldus Veenhof, nogal wat ,,vragen bleven waarover steeds opnieuw gediscussieerd werd'.

Hoe was bijvoorbeeld de relatie tot de Hervormde en de Christelijke Gereformeerde Kerk en welke marges van verscheidenheid waren er mogelijk in de eigen kerk?

Bij dat alles was er een gereformeerde spiritualiteit, die Veenhof omschrijft als: ,,de drang je bewust rekenschap te geven van wat je gelooft, de betrokkenheid op de gang van zaken in de kerk en het roepingsbesef ten opzichte van de samenleving'. Ik zou daar als typerend voor die spiritualiteit aan willen toevoegen: de (zelf)bevestiging die uitgaat van het besef samen met anderen tot een zelfde groep te behoren.

Het moet die ,,drang om je bewust rekenschap te geven van wat je gelooft' geweest zijn, die de oud-testamenticus Leene en de nieuw-testamenticus Vos, in de bundel tot de glasheldere conclusie brengen, dat, zoals Vos het uitdrukt, het 'einde van de gereformeerde schriftbeschouwing is aangebroken'.

Leene noemt de afstand tussen oudere gereformeerde exegeten als W. H. Gispen en G. Ch. Aalders en jongeren als E. Noort en E. Talstra ,,adembenemend', ook al voegt hij daar zeer gereformeerd (zie boven over het groepsbesef) aan toe: ,,men kan zich verwant voelen met iemand en met zijn wereld, ook zonder zich verwant te voelen met zijn ideeën'.

Ik durf de veronderstelling wel aan dat dit bij Aalders en Gispen toch een slag anders lag: verwantschap met 'iemand en met zijn wereld' ging bij hen wel heel primair via verwantschap met ideeën en niet omgekeerd.

Johan Vos laat zien dat dit typisch gereformeerde amalgaam tussen Schrift en absolute zekerheid regelrecht te danken (of te wijten, het is maar hoe men het ervaart) is aan Abraham Kuyper, de grondlegger van het gereformeerde leven. Kuyper, aldus Vos in het voetspoor van de kerkhistoricus Augustijn, had een grote angst voor het moderne denken en kon die angst alleen maar bezweren door zich op een pasklaar, gesloten systeem terug te trekken.

,,Erkent de Christelijke theoloog ook slechts op één cardinaal punt de beweringen van de historische critiek aangaande de Heilige Schrift, zoo ontvalt hem hiermee geheel het principium (beginsel), waaruit zijne Theologie leeft', zo citeert Vos Kuyper.

Een gedachte, die we tot op de dag van vandaag precies zo kunnen lezen in de rubriek ingezonden brieven van deze krant, als er weer eens een discussie à la den Heyer of Ter Linden oplaait.

Intussen hebben de hedendaagse gereformeerde exegeten deze kuyperiaanse gedachten ver achter zich gelaten. Zonder daarbij overigens hun geloof te verliezen. Het zou de gedachtenvorming in de gereformeerde wereld een stuk verder helpen, als er eens wat minder nadruk zou liggen op wat allemaal niet meer en wat meer op wat er wel (en niet 'nog wel', maar volop 'wel') geloofd wordt.

Vooral veel 'eenvoudige' gemeenteleden zouden daar veel aan hebben. Zij hebben een groot deel van de ontwikkelingen gemist. De gemiddelde preek weerspiegelt nauwelijks de stand van het huidige exegetisch onderwijs in Kampen of aan de VU. Discussies verzanden in emoties, omdat de gelovigen zich, vanuit een kuyperiaans alles of niets denken, bestolen voelen van hun zekerheden.

Je kunt daarom, zoals in de GTT-bundel strijk en zet gebeurt, wel constateren dat de specifieke gereformeerde theologie haar toekomst achter zich heeft. Interessanter is om vanuit de gereformeerde spiritualiteit, in betrokkenheid op de kerk en vanuit roepingsbesef ten opzichte van de samenleving, aan te geven wat het eigen geloof anno 1999 inhoudt.

En dat is dan meteen mijn kritiek op deze verder zeer interessante bundel (die sommige oudere gereformeerden zullen lezen als de beschrijving van hun eigen geestelijke biografie): er wordt me iets te veel ten grave gedragen en iets te weinig aan toekomstoriëntatie gedaan. Heel ongereformeerd eigenlijk.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden