Review

Er ligt in mijn hart een slang op de loer

Judith Lewis Herman: Trauma en herstel; Wereldbibliotheek 1993; 342 blz. - f 47,50. Hellmut Karle: De smerige leugen; Bodoni 1993; 258 blz. - f 49,00. Jan Olthof en Eric Vermetten: De mens als verhaal; De Tijdstroom, Lochem; 240 blz. - f 59,00.

Getraumatiseerde mensen stuiten nogal eens op onbegrip en ongeduld. Anderen hebben er vaak geen idee van hoe verwoestend een trauma kan zijn. Het is blijkbaar niet eenvoudig je voor te stellen dat het voor het slachtoffer het gevoel is van een in de tijd bevroren moment.

In haar terecht alom geprezen 'Trauma en herstel - De gevolgen van geweld - van mishandeling thuis tot politiek geweld' laat de Amerikaanse psychiater Judith Lewis Herman overtuigend zien dat een vluchtige pleister hier niet helpt, omdat het vergif van het trauma in het zenuwcentrum van de ziel binnengeslopen is. Of, zoals een ernstig getraumatiseerde vrouw met een meervoudige persoonlijkheid het uitdrukte: 'Al die tijd ligt er verborgen in mijn hart een slang op de loer'.

In haar boek schildert Herman met pijnlijke precisie welke psychische averij mensen oplopen door oorlog en (seksueel) geweld. Wie dat leest, beschouwt het als een wonder dat er bij een post-traumatische stress-stoornis ooit nog sprake kan zijn van enig herstel.

De grote kracht van het boek schuilt in het historische perspectief waarin al die mistige troebelen worden geplaatst. Triest is dat er van onderzoek naar de gevolgen van een psychotrauma waarschijnlijk niets terecht was gekomen zonder krachtige politieke impulsen.

Zo was het omvangrijke onderzoek naar hysterie dat aan het eind van de vorige eeuw in Frankrijk werd ondernomen, te danken aan de republikeinse en anticlericale beweging aldaar. Evenzo zou het onderzoek naar de shell shock of oorlogsneurose, waarvan talloze soldaten in de Eerste Wereldoorlog het slachtoffer werden, zonder de opkomst van de antioorlogsbeweging in Engeland weinig hebben voorgesteld. Sinds Vietnam konden ook de Amerikanen niet meer om de post-traumatische stress-stoornis heen. En het is het de feministische beweging in West-Europa en Noord-Amerika geweest die aan de kaak stelde wat heel dichtbij en vaak in het geniep plaatsvond: seksueel geweld en mishandeling in het gezin.

In tegenstelling tot Freud bleef de grote, helaas al bij zijn leven genegeerde Franse psychiater Janet trouw aan de overtuiging dat hysterie een traumatische grondslag moest hebben. Hij bedacht ook het begrip dissociatie, waarmee hij een soort dubbeldenken, een tijdelijke afwezigheid of uitschakeling van het gevoel bedoelde. In het mooie eerste hoofdstuk 'Een vergeten geschiedenis' beschrijft Herman hysterie ook als een oorlogsneurose, opgelopen in de strijd tussen de seksen. Als hoofdsymptomen van de post-traumatische stress-stoornis noemt zij hyperactivering, dwangmatige herbeleving met een voornamelijk visueel karakter, en vervlakking. Onder dat laatste is niet zelden een stilstaande poel van verderf, een afdruk van de dood te vinden.

Kardinaal punt bij veel getraumatiseerde mensen is dat bijna niemand hen gelooft, zoals incestslachtoffers vaak hebben moeten ervaren, of dat niemand hun verhaal wil horen, zoals bij gewezen frontsoldaten. Pijnlijk zijn de machteloosheid en het verraad tijdens de gebeurtenis zelf (incest) of het grote zwijgen daarna (Vietnam). Daarom is er volgens de schrijfster van echt herstel pas sprake als in de therapie de fasen van veiligheid, herinnering en rouw, worden afgesloten door herstel van verbondenheid.

Om duidelijk te maken hoe lang de naweeen van een trauma, bijvoorbeeld na een gijzeling, kunnen duren, haalt ze het Nederlandse onderzoek van H. M. van der Ploeg (geen familie) aan. 75% van de gegijzelden blijkt na 6 maanden nog klachten te hebben. Hoe langer de gijzeling duurt, des te erger zijn de symptomen en des te trager het herstel. 6 tot 9 jaar later heeft 46% van de gegijzelden nog last van vervlakking en 32% van dwangmatige herbelevingen. Na verloop van tijd nemen de algemene angstsymptomen meestal af, maar blijken de psychosomatische symptomen juist te verergeren.

De schrijnende lotgevallen van de veel te dikke Meggie Collins, in haar jeugd door haar vader en een buurman misbruikt, worden in het boek 'De smerige leugen' stapje voor stapje uit de doeken gedaan. Haar psycholoog, Hellmut Karle, schreef het allemaal op, inclusief zijn eigen blunders. Zo begon hij zonder behoorlijke diagnostiek aan de behandeling, daarmee zondigend tegen zijn eigen stelregel dat je nooit met therapie moet beginnen als je de geschiedenis en het emotionele leven van je patient niet kent. Wat hem trof en soms zelfs woedend maakte, was dat Meggie zakelijk, zonder enig gevoel, verslag deed van de verschrikkelijkste dingen. Gevoelsvervlakking en dissociatie moet hier debet aan zijn geweest. Karles neiging alles, ook zijn eigen gevoel, almaar uit te willen leggen, ging bij mij steeds meer op de zenuwen werken. Alleen als het over het slachtoffer gaat, is het boek echt interessant.

Behalve op herstel is de kunst van psychotherapie erop gericht een volkomen vastgeroest verhaal alsnog lopend te maken. Daarvoor moet je je laten verrassen door dat ene zinnetje, dat ene woord, waar muziek in zit. Of, zoals de hypnotherapeuten Jan Olthof en Eric Vermetten het in hun boek 'De mens als verhaal' uitdrukken: je moet op zoek gaan naar nieuwe verhaalwendingen. In een verfrissende, creatieve en soms zelfs jolige stijl geven deze auteurs het ene na het andere voorbeeld van 'narratieve psychotherapie' waardoor een in de tijd bevroren moment alsnog kan worden ontdooid. Soms zitten er evenwel te diepe krassen in de ziel. Dat therapie bovendien niet altijd lukt, bewijst het verhaal van Mark en de benzine in zijn hoofd.

Mark, negen jaar oud, wordt bij een Boddaert-centrum aangemeld, omdat hij vaak ruzie heeft, spullen kapot maakt, op auto's krast en ruiten ingooit. Hij heeft nog twee jongere broers, van wie de jongste gehandicapt is als gevolg van een hersenbeschadiging. Marks moeder kan de opvoeding van haar drie kinderen maar nauwelijks aan. Haar leven is een aaneenschakeling van doffe ellende, waarover zij het liefst zwijgt.

Ook in Marks leven zit het niet mee. Toen hij twee maanden oud was, liep het huwelijk tussen zijn ouders stuk. Nadien heeft hij nooit meer contact met zijn vader gehad. Zijn moeder is hertrouwd, opnieuw gescheiden en woont thans samen met een nieuwe vriend. In een gezinsgesprek zegt de knaap dat er in zijn hoofd een vat explosieve benzine zit. De therapie wordt opgezet als stripverhaal met Mark als de licht ontvlambare Donald Duck, die regelmatig een knalrode kop krijgt en daarbij wolkjes stoom uit zijn neusgaten en oren blaast. Leuk gevonden is de introductie van Willie Wortel als de dokter die Donald zijn spitsvondige hulp, Lampje, laat inslikken om zo in het hoofd en hart van de 'kwaai-zinnige' eend te kunnen kijken. Verontrustend is echter de titel die Mark zelf voor het verhaal heeft bedacht: Kind van het vuur.

Tussen de therapeute en Mark ontstaat inderdaad een verhaal, zij het dat dit plotseling door de jongen wordt afgebroken, als hij zich realiseert dat hij zijn vader heeft geidealiseerd en dat van wederzijdse belangstelling in werkelijkheid nooit sprake is geweest. Tenslotte heeft Mark nooit meer iets van zijn vader gehoord. Dat hij aan de verwerking van het verlies van zijn geidealiseerde vaderbeeld niet toe komt, is echter helemaal niet zo vreemd. Als je tenminste oog hebt voor de diagnose bij Mark, namelijk psychopathie. Maar in deze casus wordt de diagnostiek domweg overgeslagen. Volgens de auteurs moet Mark zijn verdriet (om het verlies van zijn vader) 'een plaats kunnen geven in het Boddaertcentrum'. Op de mogelijkheid daartoe hebben de schrijvers zich evenwel danig verkeken. De therapie mislukt, begint en eindigt met woede. Inzichtgevende psychotherapie zonder voorafgaande psychiatrische diagnostiek moest verboden worden. Als de therapeute maar beter geluisterd had, had zij geweten dat je bij Mark aan de binnenkant van de ziel niet wezen moet. Daar zit immers een vat explosieve benzine.

Hiermee is tevens de kern van mijn kritiek op dit boek gegeven. Narratieve psychotherapie is mooi, zolang de klinische blik er maar niet door vertroebeld raakt. Hoe deze behandeling ook anders kan uitpakken, wordt duidelijk uit het verhaal 'Harry Koemans en de treinreis'.

Een wat simpele 58-jarige getraumatiseerde man met rugklachten heeft op zijn vijfde jaar, vlak voor de oorlog, zijn moeder verloren. Daarna lijdt hij onder het ijselijke schrikbewind van een kille stiefmoeder die hem herhaaldelijk te grazen neemt omdat hij in zijn bed plast. Op zekere dag gaat deze vrouw als een razende tekeer tegen zijn zusje Elly van drie, die kort daarop aan haar verwondingen bezwijkt.

In de therapie wordt hem een narratief, in de vorm van een gesprek met een man tijdens een treinreis, verteld. Aan het begin lijkt hij door zijn plaats in de trein naar achteren te rijden, aan het eind is hij met zijn reisgenoot van plaats verwisseld en rijdt hij naar voren. Het verhaal eindigt ermee dat hij teruggaat naar de boerderij waar hij vroeger is opgegroeid. Woest strooit hij de inhoud van de beerput uit over het land: 'Weg met alle smerigheid, weg met alle pijn'.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden