Review

Er bestaat alleen eigenbelang

Inmiddels geldt 'De onderkoningen' als klassieker, maar de roman gold lang als 'te kil'. Tegenwoordig overtuigt De Roberto's meesterwerk meer dan dat van zijn nostalgische tijdgenoten. Misschien omdat hij ook uithaalt naar 'moderne' opportunisten voor wie alles 'een kwestie is van materiële of morele winst'.

Ronald de Rooy

Federico De Roberto's meesterwerk 'De onderkoningen' (1894) verhaalt over de fysieke en morele teloorgang van het eens zo machtige adellijke geslacht Uzeda, een teloorgang die samenvalt met Italië's moeizame Eenwording. We krijgen een desolaat beeld van het laat-19de-eeuwse Sicilië, een eiland waar een diepgeworteld pessimisme regeert, dat in de ban is van sociale onrust, schrijnende armoede en verwoestende epidemieën. Het enthousiasme over Italië's Eenwording is er vrijwel volledig verdwenen en langzaamaan begint het oude machtsevenwicht zich te herstellen.

Ondanks het drastisch gewijzigde staatsbestel, is er in de rolverdeling tussen rijk en arm vrijwel niets veranderd. ,,Er was beloofd dat gerechtigheid en moraal zouden heersen, maar de partijdigheid, de schurkenstreken, de diefstallen gingen onverminderd door: de machthebbers en bewindvoerders van vroeger zaten, ondanks alles, nog steeds op hun plek!''

Deze zelfde pessimistische levensvisie vinden we terug in alle grote laat-19de-eeuwse en vroeg-20ste-eeuwse Siciliaanse auteurs, zoals Giovanni Verga en Luigi Pirandello. In ideologisch opzicht staat ook de 20ste-eeuwse Giuseppe Tomasi di Lampedusa heel dicht bij 'De onderkoningen'. De beroemde laatste woorden van Di Lampedusa's populaire roman 'De tijgerkat' sluiten naadloos aan bij de Weltanschauung van 'De onderkoningen': ,,alles moet veranderen, opdat er uiteindelijk niets verandert''.

Op andere punten steekt De Roberto echter scherp en origineel af ten opzichte van zijn literaire streekgenoten. Terwijl Verga zich hoofdzakelijk richtte op de armste eilandbewoners - boeren, vissers en zwavelmijnwerkers -, schetst De Roberto het leven van de rich and famous. Aan het begin van de roman noemt hij nog wel de zwavelmijnwerkers op de begrafenis van prinses Teresa, maar deze blijven een grauwe onpersoonlijke groep; zijn aandacht gaat uit naar de trotse 'onderkoningen' en hun teloorgang. En terwijl Di Lampedusa ons de ingrijpende historische veranderingen alleen laat meebeleven door de aristocratische en aangrijpend nostalgische blik van de Prins van Salina, gebruikt De Roberto de gezichtspunten van alle leden van 'zijn' adellijke geslacht. Bovendien is er bij De Roberto's analyse geen enkele ruimte voor sympathie, liefde of nostalgie, niet voor het verleden en niet voor de toekomst.

Ondanks deze vaak genoemde liefdeloosheid, is 'De onderkoningen' toch geen deprimerende roman. De op zich tragische ondergang van het eens zo machtige geslacht wordt 'prettig' gecompenseerd door bijtende satire en sarcastische humor. We worden voortdurend met onze neus gedrukt op de waanzin en de woelige privé-levens van de kleurrijke Uzeda-telgen, die in feite stuk voor stuk hoofdpersonen zijn.

Het verhaal van hun teloorgang begint in 1855, nog voor Italië's Eenwording, wanneer vrijwel alle Uzeda's nog trouwe aanhangers zijn van de Spaanse Bourbons. Prinses Teresa is zojuist overleden en zij heeft bij testament het patrimonium verdeeld. Volgens de traditie had de eerstgeborene, prins Giacomo, alles moeten krijgen, maar Teresa '- in een uitstekende inleiding noemt de vertaalster haar een 'uitgekookt, berekenend sekreet' - heeft het niet kunnen nalaten om haar lievelingszoon Raimondo evenveel toe te bedelen.

Teresa's harteloze en irrationele manier van opvoeden en regeren heeft onuitwisbare sporen in haar kinderen nagelaten. De meisjes zijn gehaat door hun moeder en stukje bij beetje gewend aan een bestaan van minderwaardigheid en ondergeschiktheid. Het lievelingetje Raimondo krijgt een onverklaarbare voorkeursbehandeling en blijft daardoor emotioneel onvolwassen. Giacomo wordt door moeder kort gehouden en wordt daardoor tot grenzeloze hebzucht gedreven. Met de opvoeding wordt in allen de kiem gelegd voor een of andere vorm van waanzin.

Maar deze gekte komt niet uit de lucht vallen. Ook de generatie van prinses Teresa zelf was al grondig verpest. Haar broer don Blasco was vanaf zijn vroegste kinderjaren voorbestemd het klooster in te gaan en is uitgegroeid tot een gefrustreerde monnik. Overal waar hij komt fulmineert hij tegen alles en iedereen, maar bovenal tegen Italië's Eenwording én tegen zijn eigen familie, dat 'adderengebroed', de belangrijkste oorzaak van zijn ongeluk. Meermalen spat hij van woede bijna uit elkaar. Alleen opportunisme en cynisme houden hem op de been.

Zijn zus donna Ferdinanda is al even fel. Zij tiert voortdurend over het verval van de adel en de bijbehorende waarden. Ademen kan zij alleen in het verleden, in de fameuze Mugnós die de geschiedenis en stambomen van de Spaans-Siciliaanse adel tot in alle glorieuze details beschrijft.

Ook broer don Eugenio is bevangen door een soortgelijke megalomanie, maar hij stopt al zijn energie in het samenstellen van een modern naslagwerk over de geschiedenis van de Siciliaanse adel. Ook deze activiteit verwordt echter tot een ware obsessie. Overal waar Eugenio komt, bedelt hij om geld voor de publicatie van zijn meesterwerk. En voor iedereen die bereid is te investeren in zijn project verzint hij grif een serie adellijke voorouders en een wapenschild

De teloorgang van de Uzeda's wordt bespoedigd door de bezoedeling van hun zuivere bloed door dat van de lagere klassen. Ondanks donderende doempreken, bedreigingen en mishandelingen van onder anderen tante Ferdinanda trouwt Lucrezia met de bourgeois Benedetto Giulente, een fervente patriot en volgeling van Garibaldi.

De romantiek is ook hier echter van korte duur en ook Lucrezia valt ten prooi aan de waanzin die haar hele familie teistert. Uiteindelijk veracht en minacht ze haar man en verwijt ze nota bene haar familie dat ze haar niet hebben gewaarschuwd: ,,Die man was niks voor mij: ze hebben hem tegen mijn wil aan me gegeven ik ben opgeofferd!''

De leden van het eens zo machtige geslacht stevenen zodoende stuk voor stuk af op hun tragische einde. Een voor een zakken de Uzeda's weg in waanzin, eenzaamheid, lichamelijke misvorming of ziektes. De aftakeling zien we terugkomen in de extreme vetzucht en het vulgaire cynisme van don Blasco, in de nietsontziende hebzucht en de meedogenloze tumor die Giacomo martelen, in de mateloze losbandigheid en spilzucht van Raimondo, in de krankzinnigheid van don Ferdinando.

Het absolute dieptepunt in De Roberto's meedogenloze analyse van de teloorgang van de Uzeda's vinden we in de scène van Chiara's miskraam. De beschrijving is bijna te gruwelijk om te lezen. Het meest recente voortbrengsel van het geslacht der onderkoningen is een geslachtsloos monster: 'een vormloos stuk vlees [], iets onnoembaars, een vis met een snavel, een geplukt vogeltje'. Tot ieders ontsteltenis wordt dit gedrocht door de ouders in een stopfles met alcohol gezet.

Giacomo's onterfde zoon Consalvo is eigenlijk de enige die het voor de wind blijft gaan. Met toch nog een groot deel van zijn erfenis op zak keert hij terug in het ouderlijk huis en wordt, na een zware verkiezingscampagne, gekozen tot afgevaardigde in het Italiaanse parlement. Als vertegenwoordiger van nieuw links wordt hij vooral gesteund door de arbeiders en het volk.

Was het niet veel logischer als in de nieuwe Italiaanse Staat de vaderlandslievende Benedetto Giulente een hoge politieke functie was gaan vervullen? De Roberto draait de zaken om en laat de Siciliaanse kiezers paradoxalerwijs de voorkeur geven aan de opportunistische gladjanus uit het machtige Uzeda-geslacht. De kiezers vallen voor zijn retoriek en uiterlijk, maar de lezers kennen zijn werkelijke aard: ,,Monarchie of republiek, godsdienst of atheïsme, alles was voor hem een kwestie van materiële of morele winst, onmiddellijk of in de toekomst. () Er bestond dus niets anders dan het individuele belang, en om zijn eigenliefde te bevredigen was hij bereid alle middelen aan te wenden.''

De Roberto valt het oude aristocratische ras aan, maar tegelijkertijd belijdt hij zijn diepe wantrouwen jegens de nieuwe heersende klasse, die voor een belangrijk deel bestaat uit oude machthebbers die zich handig hebben aangepast aan de nieuwe omstandigheden. Consalvo is de verpersoonlijking van het verlangen om de macht kost wat kost te behouden. In de beroemde slotdialoog spreekt hij met de 'oude vrijster' donna Ferdinanda - inmiddels 'zo uitgedroogd en groen als een teen knoflook' - over de mogelijke ontaarding van het geslacht der onderkoningen. Consalvo verdedigt de opvatting dat de uitgestorven kaste juist door haar aanpassingsvermogen haar meest kenmerkende eigenschap, macht, heeft weten te behouden. Het lichaam en de ziel zijn misschien gedegenereerd, het aloude aristocratische gevoel en de macht zijn nog steeds dezelfde: ,,de vroegere Uzeda's waren commandeur van San Giacomo, nu zijn ze commandeur van de Italiaanse kroon'', ,,ons soort mensen is niet gedegenereerd: dat is nog steeds hetzelfde''.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden