Review

En wilde toen plotseling leven

De poëzieliefhebber die na een warme, verre reis per trein, bus of auto in de Vlaamse uithoek Watou aankomt, wordt verwelkomd door een wanstaltig bord: 'Welcome to Watou', alsof hij op cowboylaarzen Las Vegas binnentrekt, in plaats van het dorpje dat al zo'n twintig jaar drijft op een mix van beeldende kunst en gedichten. Wat een ellende, denk je. Is ook hier het woord verdreven door een bordkartonnen kermiscultuur?

'Welcome tot Watou' blijkt vreemd genoeg deel uit te maken van de huidige Poëziezomer. Dit werk van de Cubaanse kunstenaar Raul Cordero blijkt zelfs nadrukkelijk uitdrukking te geven aan het idee dat dit jaar de tentoonstelling beheerst: 'Een lege plek om te blijven'. Cordero bouwde identieke borden in Chigaco, Arnhem, en nog tal van plekken waar de bezoeker telkens op gelijke wijze werd binnengehaald.

De uniformisering van de wereld, zo zegt deze welkomstgroet, heeft een eindeloze reeks identiteitsloze plekken voortgebracht als vliegvelden, stadions, havens, snelwegen, festivalweides, winkelcentra. Deze vaak lege, inwisselbare ruimtes, zijn geen plekken om te blijven.

En Watou zelf? Toen de Italiaanse curator van deze Poëziezomer, Pier Luigi Tazzi, vorig jaar het plaatsje bezocht, zag hij dat het alle kenmerken had van een doorsnee asfaltdorp, dat in enkele decennia door gebrek aan werkgelegenheid is uitgedund tot zo'n 1200 inwoners. Zich beroepend op de etnoloog Marc Augé bestempelde hij het dorp in de Westhoek tot een 'non-lieu', ook Watou is geen plek meer om te blijven - al hebben de uitbaters van enkele uitstekende restaurants en een magnifieke hotelvilla reden een uitzondering te maken op deze trend: de vijftien- tot twintigduizend bezoekers verteren kennelijk genoeg om elk jaar de stille winter door te komen.

Op het centrale plein van het plaatsje, waar de resten van eerdere poëziezomers, fragmenten tekst op de daken, de ommuring en het asfalt een nostalgisch gevoel oproepen, wacht opnieuw een dubieuze verrassing: een betonnen blokhut ontsiert het plein zodanig dat enkele dorpsbewoners de achterwand al beklad hebben met graffiti. Een onschuldige actie, de leuzen kunnen met een beetje sop verwijderd worden. Maar toch, dit kneuterige vandalisme illustreert dat Watou geen risicoloze kunst presenteert.

In het front van het gebouwtje zit een rechthoekig gat, waarachter de woorden 'Een lege plek' zichtbaar zijn. Eenmaal binnen zie je dat op dit plein niet staat wat er staat: dit is geen blokhut maar een moderne kapel. Misschien willen de architecten Stéphane Beel en Jan de Vylder uitdrukking geven aan de betonnisering van de wereld, maar dat doen zij dan wel met de Zwitserse architect Le Corbusier in het achterhoofd. Want een heus altaar, dat het gebouwtje domineert, roept onmiskenbaar beelden op van de moderne kathedraal Notre Dame du Haut in het Franse Ronchamp.

Staande achter de betonnen offertafel, uitkijkend door het rechthoekige gat, zie je het bovenste deel van een kerktoren, en daarachter voorbijschuivende wolken, waarin eenden te herkennen zijn, en als je goed kijkt een dame, schapen met een herder. Toch kom je niet echt in de verleiding Nijhoff te citeren, daarvoor is Rutger Kopland te nadrukkelijk in het kapelletje aanwezig. Op het altaar geen wijnbeker, geen broodschaal, maar een televisie waarop Kopland close-up een van zijn gedichten voordraagt:

Ga nu maar liggen liefste in de tuin,

de lege plekken in het hoge gras, ik heb

altijd gewild dat ik dat was, een lege

plek voor iemand, om te blijven.

Het gedicht is zo kort en het wordt zo eindeloos herhaald dat Koplands litanie al snel een vervreemdend effect bewerkstelligt, alsof hier een priester een gebed reciteert.

Of de dichter zelf deze opstelling zal waarderen betwijfel ik, hij heeft religie ooit de invulling genoemd van de totale leegte - deze definitie krijgt in het mystieke kapelletje trouwens een positievere connotatie dan hij ooit bedoeld heeft.

Maar goed, Watou is er niet om dichters te behagen maar om poëzie en beeldende kunst op elkaar te laten inwerken, botsen, afstoten, beïnvloeden.

'Een lege plek om te blijven' - deze zinsnede, tot dat moment nogal ruimtelijk geïnterpreteerd, krijgt door Kopland een ruimere betekenis. Ook de mens kan een plek zijn om te blijven, mits hij zich zo openstelt dat een ander ruimte genoeg krijgt zichzelf te zijn.

De titel van de expositie kent nog tal van andere interpretaties. Ook zeer wanhopige, zoals het gedicht van Rogi Wieg, dat met fluorescerende verf in een door blauw drugslicht verlichte kelder is aangebracht: 'en wilde toen plotseling leven en/ niet meer/ hangen aan een gekromde boom langs/ het water'. In een zaaltje boven de kelder heeft de Zweedse kunstenaar Bjarne Melgaard een vrij letterlijke verbeelding gemaakt van Wiegs woorden.

Om te ontkomen aan bestaande plekken waar hij absoluut niet kon of wilde blijven, heeft Gerrit Komrij in het gedicht 'Contragewicht' een meesterlijke illusie gecreëerd:

Er is een land dat ik met pijn verliet,

Er is een land dat ik met pijn bewoon.

Een derde land daartussen is er niet.

Mijn leven volgt een zonderling patroon:

Want waar ik heenga voel ik me niet thuis

En waar ik thuis ben wil ik telkens weg.

De grens wordt smal tussen geluk en kruis,

Steeds minder denk ik wat ik hardop zeg.

Ik heb, om aan dit noodlot te ontkomen,

Een derde land verzonnen in mijn hoofd.

Een land vertrouwd met leugens en fantomen.

Aan diepgewortelde en zware bomen

Hangen honkvast de loden trossen ooft

Van al mijn vederlicht geworden dromen.

Komrij draagt dit gedicht voor vanuit de vloer van een stal waarin een televisie is verankerd. Hierdoor ligt niet het publiek aan de voeten van de dichter, maar laat de dichter zich onder de voeten lopen door zijn gehoor. Deels vanwege deze ondergeschikte positie, deels vanwege de manier waarop de dichter des Vaderlands voordraagt, oogt hij kwetsbaarder naarmate hij zijn woorden vaker herhaalt. Dit is een prettige bijstelling van het studentikoze imago dat Komrij zichzelf heeft aangemeten.

Het is logisch dat je dit gedicht in eerste instantie biografisch duidt: van beneden klinkt de stem van een man die al jaren pendelt tussen Nederland, het land dat hij 'met pijn verliet', en Portugal, het land dat hij 'met pijn bewoont'.

Toch ondergaat 'Contragewicht' een metamorfose wanneer je in een aanpalende stal schilderijen ziet hangen van de Iraanse kunstenares Maryam Najd, die haar land verliet om in Brussel te studeren, en tegenwoordig te werken. De zwart-wit schilderijen met zware schaduwpartijen zijn de sombere buren van Komrij, wiens nasale stemgeluid bijna uit de doeken komt, alsof het gedicht de uitleg is van het schilderij: 'Een land vertrouwd met leugens en fantomen'.

In Watou worden Portugal en Iran buren, een week of tien, om in september weer hun eigen weg te gaan en Watou achter te laten als een lege plek, die alleen in de herinnering van de bezoeker een plek zal zijn om te blijven.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden