InterviewEmy Koopman

Emy Koopman over de pestkopmaatschappij, waar de mores van het schoolplein zegeviert

Emy Koopman Beeld Jildiz Kaptein
Emy KoopmanBeeld Jildiz Kaptein

In haar nieuwe roman ‘Het boek van alle angsten’ schetst Emy Koopman de pestkopmaatschappij in een nabije toekomst. Wat als de samenleving zo verhardt dat het schoolplein het hele dagelijks leven vormgeeft?

“Een boek publiceren is veel spannender”, antwoordt Emy Koopman lachend op de vraag wat enger is, de publicatie van ‘Het boek van alle angsten’, haar tweede roman, of haar aantreden als presentator, zondag op de televisie. “Bij mijn debuut, kreeg ik angstdromen dat ik dood zou gaan en dat het boek dan ook zou verdwijnen. Het duurde toen vervelend lang voordat er recensies kwamen.”

Koopmans ideeënrijke, donkere tweede roman zal vast niet lang onopgemerkt blijven, want de jonge schrijver maakt een dubbelslag. Zondag beging op tv de door haar gepresenteerde indrukwekkende, verrassend kritische VPRO-reisserie ‘Paradijs Canada’ (regie van Hans Pool). In vijf afleveringen gaat Koopman op zoek naar de pijnpunten in de Canadese samenleving. Die blijken er voldoende te zijn, al zullen de meeste mensen, zoals de maker stelt, in eerste instantie ‘niets naars over het land kunnen bedenken’.

Koopman praat met moeders en andere verwanten van inheemse meisjes die verdwenen (vermoord werden) langs de beruchte ‘Highway of Tears’ in de provincie British Columbia. Ze ontmoet een Marokkaans-Canadese buschauffeur die gewond raakte bij de aanslag op een moskee in Quebec City. Ze spreekt met de daklozen die in caravans hokken in het centrum van het peperdure Vancouver.

Emy Koopman

Emy Koopman (1985) is schrijver en onderzoeksjournalist. Ze studeerde klinische psychologie en literatuurwetenschap. In 2016 debuteerde ze met het merendeels lovend ontvangen ‘Orewoet’ en promoveerde ze op een empirisch onderzoek naar literatuur en empathie, waarvoor ze aan de universiteit van Alberta, Canada verbleef. Op de middelbare school in Oss, waar haar vader rector was, zat ze in de klas bij Lilian Marijnissen. Als 17-jarige werkte ze even als model. ‘Het boek van alle angsten’ is haar tweede roman. Zondag 30 augustus begint de door haar gepresenteerde documentaire-reisserie ‘Paradijs Canada’.

Dat serie en boek nu ongeveer gelijk verschijnen is toeval, maar overlap is er wel, vertelt ze in het restaurant van het Amsterdamse filmmuseum aan het IJ. “In allebei draait het ook om de vraag hoe je een beschaving overeind houdt en waar het mis kan gaan”.

En in beide speelt de bekende Canadese psycholoog en goeroe Jordan Peterson - omstreden vanwege onder meer zijn conservatieve opvattingen over gender - een (bij)rol. Al wordt hij in het boek niet bij naam genoemd, zijn theorieën komen wel voorbij in het verhaal. En in de serie zit een opmerkelijk interview met een geëmotioneerde Peterson die er met vochtige ogen op hamert dat mannen ook heel belangrijk zijn. “Hij ­verontschuldigde zich later”, licht Koopman toe. “Hij zei dat hij zijn Jungiaanse schaduwgestalte moest kanaliseren. Zijn vrouw is ziek. Niet lang na het interview is hij ingestort.”

Ingevoerd in angst (en onbeheersbare schaduw­gestalten) ís Emy Koopman. Ze studeerde psychologie en literatuurwetenschap, promoveerde op een onderzoek naar literatuur en empathie, is naast romanschrijver ook onderzoeksjournalist. Ze publiceert in ­diverse media prikkelende opiniestukken over klimaat­problematiek, feminisme en psychologie, zoals onlangs in de Volkskrant over de pandemie die ons op onze ­falende omgang met angst drukt. ‘Leer beter bang te zijn’ spoorde ze alarmisten en weglachers aan.

Emy Koopman
Het boek van alle angsten
Prometheus; 336 blz. €19,99 Beeld
Emy KoopmanHet boek van alle angstenPrometheus; 336 blz. €19,99Beeld

Beter bang leren zijn kan misschien ook via het ­eigenlijke onderwerp van dit gesprek: Koopmans ­nieuwe roman: ‘Het boek van alle angsten’. Anders dan de titel doet vermoeden geen DSM-5 standaardwerk (“Ik wilde eerst wel dat alle angststoornissen in het boek vertegenwoordigd zouden zijn, maar dat leverde te veel personages op”) maar een dystopie, een toekomstroman.

Het ­verhaal ­begint in de nog herkenbare jaren tien en springt ­halverwege over naar zo’n tien jaar later, post-klimaatramp, naar de ‘pestkopmaatschappij’, een waarin be­drijven op basis van informatie van therapeuten nachtmerries produceren die publiekelijk worden vertoond; waarin ‘onaangepasten’ verbannen worden naar ‘Het buitengebied’, een soort Gazastrook, vrijplaats en gevangenis ineen, of in het winkel­centrum worden geveild aan de hoogste bieder.

Afwisselend volgen we Viko en Fana, eerst schuwe, kwetsbare scholieren, later geplaagde volwassenen. De gevoelige Viko, wiens “vermogen over de dingen na te denken ongeveer het enige is wat voor hem spreekt”, sluit zich als scholier online aan bij de ‘Echte Jongens’ (denk aan Petersons fans). Hij blijkt een onverwacht ­talent als trol maar moet ‘zwakheden’ als zijn homo­seksualiteit en zijn liefde voor vreemde diersoorten en planten, verdringen.

Viko’s verhaal wordt afgewisseld met dat van Fana, dochter van een Iraanse moeder. Fana wil astronoom worden, maar laat zich door schooladvies en algoritme toch richting een psychologiestudie duwen. De hoofdstukken tellen af naar de ramp, waarna we Viko en Fana terugvinden als professionals in de nieuwe wereld, de een zorgverlener, de ander bioloog, worstelend om zich aan te passen.

“Aanvankelijk wilde ik een psychologische roman schrijven over iemand die op een angstafdeling werkt en die zelf ook angstig is, en dat probeert onder controle te houden”, vertelt Koopman. “Later kwam ik op een dys­topie uit, want daarin kun je de vraag die psychologen aan mensen met een angststoornis stellen, ‘wat is het ergste dat er kan gebeuren’, vollediger uitwerken. En dat het engste dan ook echt gebeurt. Het ergste wat gebeurt is in dit geval dat de samenleving zo verhardt dat het schoolplein het hele dagelijks leven vormgeeft.”

De uitgever twijfelde. “Een ­dystopie, daar hebben we in Nederland niet zoveel mee, zeiden ze bij Prometheus. Maar dat komt ook omdat we er tot voor kort niet zo’n traditie in hadden: Belcampo vroeger, nu Hanna Bervoets, Roderick Six, ­Auke Hulst. In Nederland geldt een dystopie als genrefictie. Dan kan je de literaire prijzen verder wel vergeten.”

Waarom wilde u over angst schrijven?

“Ik heb zelf negen maanden bij een GGZ-instelling gewerkt op een angstafdeling. In dat gebouw had je verschillende afdelingen voor verschillende stoornissen. Dat hing daar in de lift op bordjes: verdieping 1: depressie en trauma, verdieping 2: adhd en eetsstoornissen. Dat beeld van een warenhuis van angsten zette zich vast in mijn hoofd. Het herinnerde me aan het verhaal van Sylvia­­ Plath, ‘Johnny Panic and the bible of dreams’, over een jonge vrouw die werkt in een dromenarchief. Zo kwam ik op het idee van het nachtmerrie-instituut waar nachtmerries van mensen worden geproduceerd om er winst mee te maken.”

“Ik koos ook voor een toekomstroman omdat wat er in de werkelijkheid gebeurt veel erger is dan wat ik kan verzinnen, en als ik daar dan nog eens overheen ga, wordt het te veel voor de lezer. De dystopie is behapbaarder en tegelijk afschrikwekkender dan een realistische roman, de lezer krijgt ruimte om te fantaseren over het ergste. Margaret Atwood zei over ‘The handmaid’s tale’: alles wat ik verzin is al eens gebeurd, misschien niet nu en niet hier, maar wel ergens anders en in een andere tijd. Wat Orwell verzon in ‘1984’ vond al plaats in de Sovjet-Unie. Zoiets kan je over mijn boek ook zeggen. Veel van wat er gebeurt, is een uitvergroting van wat er op sociale media aan de hand is. Denk aan wat Facebook met gebruikersprofielen doet. Hoe mensen elkaar met het online plaatsen van foto’s en filmpjes vernederen. Dan is het niet zo’n grote stap naar het maken van nachtmerries op basis van intieme onthullingen bij de therapeut.”

Schuilt er ook lol in, in het verzinnen van zo’n toekomstscenario?

“De meeste lol had ik in de teksten van Kevin, de vriend die Viko bij de Trotse Jongens houdt. Zo’n jongen die ook angsten kent, maar in een tegenovergestelde houding schiet. Lekker foute dingen zeggen. Het is ook fijn om de dynamiek tussen personages uit te testen. Wat gaat Viko doen in zo’n situatie? Maar het vormgeven van een stad in de toekomst vond ik best lastig. Hoeveel leg je uit? Hoe houd je de lezer erbij? Hoe zorg je ervoor dat het niet te veel science fiction wordt, wat is nog realistisch op dat moment in de toekomst?”

Is een dystopie bedoeld om mensen bang te maken, of uit angst geschreven?

“Ik denk niet na over het effect op de lezer. Dan zou ik me smerig voelen, manipulatief. Als ik begin aan een roman weet ik ook nog niet hoe het afloopt. Ik zie deze roman vooral als een manier om met mijn eigen angsten om te gaan. Om vragen te stellen, zoals hoe erg het is als soorten uitsterven. Je verdiepen in groepen en personages die je eerst vreemd zijn, zoals die jongens die achter Jordan Peterson aan rennen, om te onderzoeken wat hun probleem is, wat hun drijfveren zijn.”

Was u zelf een angstige tiener?

“Is dat belangrijk? Ik was een angstig kind maar dat is niet waarom ik dit boek geschreven heb. Het is fictie.”

Uw eigen achtergrond en ervaringen zijn toch relevant?

“Als literatuurwetenschapper denk ik van niet. Het gaat erom wat lezers met een boek doen. Mijn achtergrond hoeven de lezers niet te kennen voor ze dit boek gaan lezen. Ik denk dat je kunnen inleven in bepaalde emoties voor een schrijver belangrijker is dan de achtergrond van een personage delen.”

“Je kunt ook te veel weten van een schrijver. Ik heb nog nooit een roman van Adriaan van Dis gelezen en ik kan dat nu ook niet meer vrij doen.”

Het engagement is terug in de samenleving, feminisme­­, antiracisme, milieubeweging. Voelt u zich deel van deze golf? Was u altijd al politiek bewogen?

“Als kind heel erg. Ik was vooral met het lot van dieren bezig. Dan ging ik langs de deuren met tekeningen van panda’s om geld in te zamelen voor het WNF. En dan kom je de wereld tegen, zie je dingen die er mis zijn maar ook dat er niet zo gemakkelijk iets aan te doen valt. In de ontwikkeling van Viko schets ik iets daarvan. De oplossingen zijn nooit simpel. Fana spreekt dat uit: ‘Leven is schade berokkenen’. Je kunt slechts beperken hoeveel schade je berokkent, daar heb je nog enige controle over. Dus die betrokkenheid was er altijd wel, maar heel snel ook het defaitisme. Dan spoor je je moeder aan om lid te worden van het Foster Parents Plan en volgt er een heftig corruptieschandaal.”

In uw roman komt een paar keer een citaat uit de Tao voorbij: over de boom die als hij groeit nog zacht en teer is, maar als hij sterft droog en hard. Wat wilt u daarmee zeggen?

“Ik laat de interpretatie liever aan de lezer, maar misschien kan ik het het beste toelichten met een vraag: kun je nog dat tere boompje zijn als je al bent opgegroeid? Het gevaar voor tere boompjes is dat ze het überhaupt niet overleven. In die zin is er geen keuze: de boom die groeit wordt harder en droger. Viko wil graag nog dat groeiende boompje zijn maar binnen de samenleving waarin hij leeft, lukt hem dat niet. Kan dat binnen onze samenleving wel überhaupt? Daar is geen simpel antwoord op.”

Lees ook:

Oerwoede gaat van vader op zoon

Jaap Goedegebuure recenseerde in 2016 ‘Orewoet’, de debuutroman van Emy Koopman.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden