Review

Elke dag een beetje leger

Zestig jaar geleden opende het Joods Lyceum in Amsterdam zijn deuren, midden in de oorlog. Een school met beroemde leraren. En Anne Frank was een van de leerlingen. Een hele goede school, zeggen oud-leerlingen die de oorlog hebben overleefd. Al zet de schrijfster van een herdenkingsboek daar vraagtekens bij.

,,Waarom draagt u geen ster?'' vroegen mijn leerlingen mij in de vijfde klas. ,,Omdat ik hun autoriteit niet erken; omdat ik hun recht mij te schenden verwerp; omdat ik geen lam voor de wolven wil zijn.'' ,,Maar ons is gezegd het als een eer te beschouwen, niet als een schande, en er trots op te zijn.'' ,,Wie er vrede mee heeft moet hem maar dragen, ik doe het niet.''

Conrector Hemelrijk was een van de weinigen op het Joods Lyceum in Amsterdam die de jodenster niet wilde dragen. En die de leerlingen dus ook niet probeerde om te praten om de ster te zien als een ereteken, ook al bedoelden de Duitsers 'm als vernedering. Andere leraren hielden wel zo'n verhaal: ze zagen dat als 'moed inspreken'. Docent Melkman bijvoorbeeld - die vertelde de kinderen dat er in de middeleeuwen al jodensterren waren, ook toen met die gekke joodsige letters. Een oud-leerling: ,,Ik weet nog de laatste regel van wat hij gezegd heeft: originalisch sind sie nicht.''

Dat staat in 'Absent - herinneringen aan het Joods Lyceum Amsterdam 1941-1943', een boek van Dienke Hondius dat morgen verschijnt, op de kop af zestig jaar nadat de school z'n deuren opende. Over het Joods Lyceum is vaker geschreven - door Jacques Presser, zowel in Ondergang als in De Nacht der Girondijnen, en in heel wat memoires van minder beroemde docenten en leerlingen - maar niet eerder verscheen een boek met naspeuringen naar, en verzamelde herinneringen van, de oud-leerlingen en docenten.

In oktober 1941 moesten in heel Nederland alle joodse scholieren van hun eigen school af. Joodse kinderen mochten niet langer in contact komen met niet-joodse kinderen. In Amsterdam dus ook niet. Orthodoxe joden hadden daar sinds 1928 een eigen hbs. Maar nu, dankzij het antisemitisme, kreeg de hoofdstad er 25 nieuwe joodse scholen bij - openbare. Dat waren negentien (zouden we nu zeggen) basisscholen en zes ulo's, hbs'en of lycea. Die kwamen in gebouwen waar altijd al een school zat, zodat de operatie ook voor arische kinderen consequenties had: die kregen nu in andere gebouwen les.

Het Joods Lyceum kwam op de Stadstimmertuinen en op de Lepelstraat, waar ook de orthodoxe hbs zat - aan de rand van de jodenbuurt. De leerlingen kwamen van de 'gewone' hbs'en en gymnasia in Amsterdam, die in z'n algemeenheid in Zuid stonden: het Barlaeus, het Vossius, het Montessori, het Amsterdams, het Hervormd en het Meisjeslyceum.

Ze waren de kinderen van de relatieve bovenlaag en ze kregen les van joodse docenten die in een eerdere stap van het Duitse excommunicatieproces al werkloos gemaakt waren: sinds de zomer van 1940 was immers geregistreerd wie joods was en wie niet, en na november 1940 mochten joden geen ambtenaar meer zijn, dus ook geen leraar.

Registreer ze eerst, segregeer ze vervolgens, en voer ze daarna af - dat recept volgden de Duitsers ook in dit geval. En de Amsterdamse ambtenaren voerden het gezagsgetrouw uit. Sterker: de dienst Onderwijs van de gemeente was zelf al in februari 1941 doende te schatten hoeveel joodse kinderen er op de scholen zaten en kwam, afgaand op voor- en achternamen, op 6588. Toen die klus in juli van de bezetter echt moest - nu volgens de definitie 'joods is: als je drie voljoodse grootouders hebt, of als je er twee hebt en zelf godsdienstig wordt opgevoed' - was de oogst groter: bijna 8100, van wie 786 op hbs'en, lycea en gymnasia. Op de bijna 53000 schoolkinderen in heel Amsterdam was in 1941 dus bijna dertien procent joods.

Maakte er nog iemand bezwaar tegen die scheidingsoperatie? De openbare scholen niet, sommige christelijke scholen wel. 'Het geweten laat niet toe', of '...den hoogsten Wetgever verbiedt ons onderscheid te maken tusschen Jood of Griek, omdat Hij Heere is van allen die hem aanroepen (Romeinen X vers 12)', schreven die toen ze van de gemeente moesten opgeven hoeveel joodse leerlingen ze hadden. Die scholen kregen geen straf - de verantwoordelijkheid voor de verwijdering werd simpelweg bij de ouders gelegd. Als joodse ouder moest je zelf zorgen dat je kind op een joodse school zat. Nog geen vijftig joodse ouders weigerden dat. Die hielden de kinderen thuis, of regelden een privé-vorm van onderwijs.

Zo ging in oktober 1941, de tijd dat het net rond de joden strak aangespannen begon te raken (ze waren inmiddels niet langer welkom in restaurants, cafés en hotels, parken, schouwburgen, concertzalen, sportvoorzieningen, bibliotheken, leeszalen, markten, veilingen en beurzen) ook het Joods Lyceum van start. Naar school kunnen gaan was in die tijd, schrijft Hondius, vermoedelijk een van de weinige overgebleven zekerheden in het bestaan.

Van alle nieuwe joodse scholen in Amsterdam was het Joods Lyceum de school met de status, de school met de beroemde leraren. Sem Dresden gaf er Frans, Willy Pos gaf er Nederlands en toneel, Jacques Presser gaf er geschiedenis. De joodse hbs op de Mauritskade was 'het tweede garnituur', les geven op het Joods Lyceum was 'een stap vooruit' - zo zagen jonge leraren dat.

In het lerarenteam heerste een ambitieuze geest, zozeer dat rector Elte ze probeerde af te remmen, wijzend op de omstandigheden. Geef niet te veel huiswerk, vermaande hij hen: door kolenschaarste kunnen de kinderen thuis niet rustig hun huiswerk maken, door personeelsgebrek moeten ze thuis veel karweitjes doen, en 'bovendien is hun voedingstoestand anders dan in normale tijden'. Oud-leerling Jack Sann: ,,Het was een heel goeie school, en er was ook een zekere spirit, van: kijk we zijn wel een joodse school, maar we moeten ze laten zien wat we kunnen. Als een soort Olympisch gevoel om het goed te doen. We zullen ze 't eens laten zien!'' Het Joods Lyceum was een school met veel culturele projecten buiten de gewone lessen om: het talen-team gaf er een extra project over 'de romantiek', er was een groot schoolorkest, werkloos geworden joodse musici van het Concertgebouworkest kwamen concerten geven, er waren debating-clubs.

Anne Frank zat er ook: in klas 1L2. Haar dagboek rond eind juni 1942 is een mooie illustratie van de waarneming die een kind heeft. Ze beschrijft uitgebreid hoe iedereen in haar klas zich zorgen maakt of ze wel zullen overgaan, en later: dat ze over is, met een helemaal niet zo slecht rapport. Maar Presser beschrijft diezelfde dag van de promotie als een dag van wanhoop: een paar meisjes uit de hogere klassen kregen niet alleen een diploma, thuis was ook een oproep voor deportatie gearriveerd. Annes oudere zus Margot, die in de vierde zat, kreeg er ook een: ze moest zich melden bij de SS. De familie Frank dook de volgende dag onder.

Het begin van de deportaties was op de school het begin van de grote leegloop. Na de zomer van 1942 kwam de oorlog de school pas goed binnen. Het werd er leeg, elke dag een beetje leger. De leraren bleven de absenten niettemin keurig bijhouden. Of de kinderen thuisgehouden werden, een baantje hadden en zo meehielpen aan de kost te komen, ondergedoken of gedeporteerd waren, dat wist je niet van elkaar. Maar wie er nog was, ging elke dag naar school met de gedachte: wie zou er vandaag niet meer zijn?

Oud-leerling Mia Lezer: ,,Het was toch in zekere zin een toevluchtsoord. Je was toch even uit de ellende want je werd beziggehouden, je deed dingen met je hersenen. En dan kwam je thuis 's avonds, en dan, tegen achten, nou, dan begon het weer. Als je die nacht overleefd had, en geen razzia onderweg.''

Wie les gaf op het Joods Lyceum had daardoor uitstel van deportatie - de eerste tijd althans. De leraren hadden er dus belang bij dat de school bleef bestaan. Hadden de leerlingen omgekeerd ook iets aan de leraren? Sem Dresden: ,,Ik ging wel met leraren naar de Joodsche Raad op de Nieuwe Keizersgracht om te pleiten voor vrijstelling. Wij deden dat, schandelijk genoeg, voor heel intelligente leerlingen. We meenden dat die eerder gered moesten worden dan anderen die minder intelligent waren. Je moet iets doen. Dat is nou een fataal dilemma. Je kunt kiezen of niet. Je kunt zeggen: ik doe dat niet, voor mij is iedereen gelijk aan iedereen. Je kunt ook zeggen: aangezien er maar twee gered kunnen worden, probeer ik de twee eruit te krijgen die ik het verstandigst vind. Dat kun je allemaal proberen. Er is ons nooit iets gelukt. Geen sterveling op de Joodsche Raad gaf daar iets om.''

Aanraden onder te duiken, dat kwam ook voor. Docent Arnon: ,,We hebben in zekere zin ook wel geprobeerd te helpen. Adressen te geven. Te zeggen: ga daar kijken. Voor zover we het niet zelf deden, We hadden ook contacten met actieve verzetsmensen. En eh, we zijn ook eigenlijk bijna allemaal ondergedoken.'' Maar of je kon onderduiken of niet was in de kern een kwestie van contacten en van geld.

Voorjaar 1943 begonnen ook de leraren te verdwijnen. De notulen van de laatste lerarenvergadering, begin april 1943, vermelden dat drie docenten gedeporteerd zijn, drie andere in Nederlandse kampen zitten, en dat er acht 'door omstandigheden' afwezig zijn. De school viel bestuurlijk inmiddels onder de Joodse Raad, en in mei werd die geacht onder z'n medewerkers zevenduizend kandidaten voor deportatie te vinden. Maar slechts vijfhonderd van hen meldden zich. Gevolg: grootscheepse razzia's. Daarbij werden ook de laatste leerlingen en leraren opgepakt. Eind september volgden de allerlaatsten, onder wie rector Elte.

Docent Michman bleek in mei 1943 niet opgeroepen te zijn om naar Westerbork te gaan. Hij wist niet waarom: een van zijn leerlingen, die op het kantoor van de Joodsche Raad een baantje heeft, had zijn kaart uit de bak 'wordt gedeporteerd' weggehaald, en in de bak 'wordt niet gedeporteerd' gezet. Maar toen hij nietsvermoedend op school kwam, zei rector Elte: ,,Jij had hier niet meer moeten zijn! In plaats van jou is nu De Vries doorgestuurd.'' Dat was de conrector van het Joods Lyceum. Vermoedelijk, aldus Michman, had Elte de lijst opgesteld.

Van de 490 leerlingen en de vijftig man personeel die de school in de twee jaar van z'n bestaan gehad heeft, is bijna de helft omgekomen. Dat is minder dan het beschamende Nederlandse gemiddelde van 75 procent. Hondius vermoedt dat dat komt doordat het Joods Lyceum-publiek vaker een onderduikplek kon vinden - en enig vermogen had om die te betalen - én doordat de schoolleiding zich 'dicht bij' de inner circle van de Joodse Raad bevond. Of het Joods Lyceum werkelijk zo'n goede school is geweest als de overlevende oud-leerlingen beweren, Hondius zet er terecht zo haar vraagtekens bij. Voor de leerlingen begon de ellende pas goed na hun tijd op de school. Hun positieve herinnering aan de school dient misschien vooral om het verdriet over die latere lotgevallen op afstand te houden.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden