Review

Elk lepeltje bevat café au lait

In 1915 pleegde de Haïtiaan Edmond Laforest zelfmoord door met het Franse woordenboek van Larousse om zijn nek geknoopt van een brug te springen. Hij bracht er letterlijk mee tot uiting dat de mens uit de kolonie verzuipt onder de last van de taal van zijn koloniale overheersers. Laforest viel te pletter in de kloof tussen de superieur gewaande Franse cultuur en zijn eigen historische wortels met het Creools als uitdrukkingsmiddel.

Laforest was niet de enige schrijver wiens levenslange positie tussen twee culturen dramatisch eindigde. De blanke Peruaan José María Arguedas werd na de dood van zijn moeder in 1914 grootgebracht door Indianen. Hij ging op in hun denk- en gevoelswereld, of zoals hij het uitdrukte: hun grenzeloze tederheid en liefde. Via hun taal, het Quechua, maakte hij zich hun cultuur eigen. Zo behoorde hij tot twee culturen: de blanke en de Indiaanse.

In zijn literatuur bracht hij de Indianen samen met het humane deel van de onderdrukkers, als een voorbode van de tijd dat in Peru het beste van de moderne én de inheemse wereld met elkaar zou worden verbonden. Het was een brug te ver, want Arguedas moest toegeven: “. . .ik begrijp in wezen niet wat er in Chimbote en in de wereld gebeurt”, en hij schoot zichzelf in 1969 tweemaal door zijn hoofd.

Toch is het wel mogelijk dat verschillende culturen op den duur in één persoon harmonieus samengaan. Het levert zelfs een nieuwe cultuur op, zoals blijkt bij de Antilliaanse schrijvers. Cola Debrot gebruikte een treffend beeld voor deze cultuur: de café au lait. Het lukt je niet daar nog melk uit te lepelen, omdat elk lepeltje altijd café au lait bevat.

Antilliaanse auteurs leven dan ook niet moeizaam tussen verschillende stelsels van normen en waarden, zij zijn die ze zijn en ze vinden hun syncretiserende eenheidscultuur een vanzelfsprekendheid. De tussenfiguur is in hun literaire werk historie geworden.

Arguedas en Laforest gingen nog tussen verschillende culturen ten onder, maar de Antilliaanse auteurs hebben in strikte zin geen tussenpositie meer. Het zijn de twee uitersten op een lijn waar nog veel meer mogelijkheden zijn. Dit blijkt uit de rijke essaybundel 'Tussenfiguren. Schrijvers tussen de culturen', het resultaat van een groot colloquium in 1996 aan de universiteit van Namen. Daar waren toen meer bijdragen dan de bundel nu bevat, maar de redactie heeft streng geselecteerd.

In zijn totaliteit is 'Tussenfiguren' een eerste alomvattende verkenning van de positie van schrijvers tussen verschillende culturen. Hun aantal is deze eeuw in hoog tempo toegenomen. Daarmee vormen ze voor de literatuurbeschouwing een steeds groter probleem. Het was vaak niet duidelijk hoe hun werk moest worden ingedeeld. Een treffend voorbeeld is de Fransman André Schwarz-Bart. Hij verbindt in zijn oeuvre, dat hij voor een deel schreef met zijn Caribische echtgenote, het lijden van de slaven met dat van de joden. In Franse en in Caribische literatuuroverzichten wordt hij overgeslagen: een typische schrijver in between.

De eerste verkenning van het begrip 'tussenfiguur' verschaft ook meer duidelijkheid over de vraag wie er wel en wie er niet toegerekend moet worden. Tussenfiguren worden gekenmerkt door een continue spanning. Zij beschrijven niet een positie, maar een proces. Zij zijn de intellectuele nomaden die zich niet verbinden aan naties, etnische groepen of collectieven en als het wel gebeurt, is het maar tijdelijk of om pragmatische redenen. Ze zijn de representanten van breuklijnen in de geschiedenis, de onafhankelijke denkers die door hun tussenposities per definitie ideologie-bedreigend zijn.

Deze en andere kenmerken van de tussenfiguur worden pas in het nawoord gegeven door Elisabeth Leijnse en Michiel van Kempen die de redactie verzorgden. Zelden is een samenvattend nawoord zo op zijn plaats geweest als hier, want door de vele verschillende tussenposities van de besproken schrijvers dreigde je als lezer het zichte te verliezen. Het verklaart ook waarom de voorafgaande bijdragen zo boeiend waren, want tussenfiguren zijn door hun unieke positie geen saaie figuren.

Een aparte plaats hebben joodse auteurs. Jacob Israël de Haan deed steeds pogingen om zich een groepsidentiteit aan te meten. Eerst liet hij de joodse geheel los en zocht hij het bij de socialisten. Daarna koketteerde hij met zijn homoseksualiteit, het derde geslacht, en ten slotte omarmde hij de joodse identiteit en hij vertrok naar Israël. Daar voelde hij zich niet thuis. Eigenlijk verlangde hij terug naar Amsterdam om daar naar Israël te verlangen. Zover kwam het niet, want hij werd vermoord.

Een aparte categorie tussenfiguren zijn de bruggenbouwers. Een van de opmerkelijkste is de Indo Jan Boon, die als Tjalie Robinson de Indo-cultuur aan de Europeaan uitlegt en de Europese cultuur aan de Indo. Levenslang was hij bezig een brug te slaan tussen gekleurd en ongekleurd Nederland. Ook probeerde hij een Indo-netwerk op te bouwen, want Indo's zitten ook in Californië, de Antillen en Suriname. Hij bestreed het beeld dat de Hollander van het Oosten heeft: “De zwoele erotiek van het Oosten is hier, in Europa gemaakt, geboren in een kop vol nonsens van een slappe fauteuilzitter.”

Een laatste groep tussenfiguren zijn de 'prettiggestoorden'. Leo Vroman bijvoorbeeld overstijgt de grenzen van het Engels en het Nederlands, van wetenschap en kunst, van woord en beeld. Een ander, Lafcadio Hearn, ging naar Japan en dook onder in het Japanse leven zonder ooit goed Japans te leren. Het is een van de vele paradoxen die in het leven van een tussenfiguur kunnen voorkomen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden