Review

ELCO BRINKMAN TERUG NAAR GIESSENDAM

Bij Kok in Kampen verschijnt eind deze maand het boek 'Elco Brinkman' waarin diverse auteurs een beeld schetsen van de CDA-fractievoorzitter en beoogd premier. In het boek keert Trouw-commentator Willem Breedveld met Elco Brinkman terug naar diens geboortegrond, de Alblasserwaard. De streek die hem vormde? 'Het zou best kunnen. Het schijnt een inspirerende streek te zijn.' Deze voorpublicatie is een verkorte versie. 'Elco Brinkman', uitgeverij Kok in Kampen, 176 pagina's, prijs f 35,-.

Hoe is het mogelijk dat de inwoners van dit stukje Zuid-Holland, de Alblasserwaard, te boek staan als zwaar op de hand? Als een godvruchtig volkje weliswaar, maar somber, ingetogen en zich permanent bewust van de doemwaardigheid van het menselijk bestaan? Daar lijkt warempel toch geen reden toe, zou je zeggen. De terloopse opmerking van Elco Brinkman ter hoogte van Giessen-Oudekerk dat hier destijds de 'heerlijkheid' van zijn vader begon, jarenlang burgemeester van Hardinxveld-Giessendam, lijkt daarom wel degelijk serieus bedoeld.

Hooguit zou dat 'heerlijkheid', in de betekenis van het landgoed van een ambachtsheer, een verwijzing kunnen zijn naar het veelgehoorde en vaak ook met enig dedain opgediste beeld als zou de Alblasserwaarder iemand zijn die zich schikt naar het gezag, hoe zich dat ook aandient: in de persoon van een patriarchale vader, een burgemeester, of een hel en verdoemenis predikende dominee. Het verhaal doet zelfs gretig de ronde, met name onder het meer verlichte deel der natie, dat Alblasserwaarders bogen voor de Duitse bezetters omdat zij deze heidenen als een roede zagen in de straffende hand Gods. Dat is echter een mythe. Ongetwijfeld zullen er enkele van zulke verdoolde zielen hebben bestaan, maar voor het overige bevestigt het verhaal alleen maar de in calvinistische kring vaak moeizame discussie over de brief van de apostel Paulus aan de Romeinen, waarin gehoorzaamheid van de burger aan de over hem gestelde overheid een belangrijke rol speelt. Maar heidenen als gezag accepteren? Mensen die de 'ware' godsdienst tot een aanfluiting maken? Dat was zelfs voor de meest gezagsgetrouwe Alblasserwaarder uiteindelijk (want sommigen, onder wie de oprichter van de SGP, ds. Kersten, bespeurden aanvankelijk wel degelijk iets van een te accepteren gezag in het optreden van de Duitsers) een reden zich teweer te stellen. Veel calvinisten maakten deel uit van de harde kern van het verzet.

Maar wat de verwachting van de Alblasserwaard en zijn inwoners ook moge zijn, zij verdampt op slag bij de aanblik van de schreeuwende borden die plotsklap opdoemen tussen het groen van de brave burgermanstuintjes. Daarop staan teksten geschreven die getuigen van een ingehouden woede, die scherp contrasteert met de keurige geveltjes, de goed verzorgde tuinen en de paradijselijke rust van het gebied. De lijdzame gehoorzaamheid, die men deze burgers toedicht, blijkt in geen enkele verhouding te staan tot de opstandigheid die hier jegens de overheid wordt gedemonstreerd. De Alblasserwaard pikt het niet dat Den Haag hen dreigt op te zadelen met de verfoeide Betuwelijn; een noodzakelijk geachte, snelle (vracht-)spoorlijn tussen Rotterdam en Duitsland.

Ter plekke lijkt het ook een absurd plan. Hardinxveld-Giessendam zit al ingeklemd tussen de A 15, die hier pal langs de rivier de Merwede loopt en een verder landinwaarts gelegen spoorlijn. Daartussen speelt het leven zich af van de dorpelingen, gelukkig opgevrolijkt door het riviertje de Giessen en uitgerekend dat zou nota bene vlak langs zijn oevers een soort bulderbaan moeten dulden? Brinkman wist het. Als geboren Giessenaar had hij aan een blik op de kaart van zijn partijgenote, minister Maij-Weggen (verkeer en waterstaat) genoeg om te weten welke rampen zich zouden voltrekken. Zijn beste jeugdvriend, de kunstschilder Evert van Lopik, behoort met zijn pittoreske huis aan de Giessen tot de vele potentiele gedupeerden. Het verbaast hem daarom niet dat zijn voormalige dorpsgenoten thans zo grommerig doen. Hij geeft zelfs geen krimp als blijkt dat Giessendam 'zijn' zoon persoonlijk aanspreekt op deze euvele daad. Even voorbij Giessenburg heet het in koeieletters:

Brinkman met zijn arrogante stappen

Probeert de polder aan zijn laars te lappen

Als hij van het Catshuis wil gaan dromen

Moet hij met andere plannen komen

Arrogante stappen? Het lijkt geen slechte typering voor de man die nog niet zo lang geleden zoiets als een nationale discussie uitlokte met zijn onbekommerde stappen op het toneel. Brinkman sprak niet zoals het een politicus betaamt vanachter de katheder met zijn onuitputtelijke en door hele generaties politici ook ruim benutte mogelijkheden zich als een kanselredenaar te ontpoppen. Nee, de fractievoorzitter van het CDA liep losjes over het toneel, zich met de loopmicrofoon in de hand rechtstreeks tot het publiek richtend. De Brinkman-shuffle was geboren en daarmee vestigde hij op een uitdagende manier de aandacht op zijn rol als de gedoodverfde nieuwe premier van dit land.

Trouwens, niet alleen het loopje was uniek, de context waarbinnen het zich afspeelde was dat evenzeer. Ons parlementaire systeem kent geen rechtstreeks gekozen minister-president. Het Nederlandse volk kiest het parlement, dat op zijn beurt zijn zegen geeft aan de formatie van een regeringsploeg. Pas in de jaren zeventig deed aarzelend de regel opgeld dat de grootste regeringspartij de premier levert en in de praktijk was dat toen de zittende premier. Tijdens de verkiezingen in 1977 heette het: Kies de minister-president, kies Den Uyl.

De slogan sloeg aan, maar hij werd het niet, ondanks een verkiezingswinst van maar liefst tien zetels. Van Agt werd de nieuwe premier en vanuit die positie voerde hij pas in 1981 en 1982 voluit campagne voor het behoud van het premierschap. Tot verbijstering van zijn vele trouwhartige kiezers vertrok hij echter in 1982, kort na de verkiezingen, van de ene op de andere dag in het 'veelkleurige herfstbos'. Lubbers nam het estafettestokje over en voerde ook weer als zittende premier tot twee keer toe campagne. Pas met Brinkman als de inmiddels gekozen lijstaanvoerder van het CDA, is er sprake van een kandidaat-premier die zich nadrukkelijk als zodanig in de strijd werpt. Zoiets is in het vaderland nog niet eerder vertoond.

Terug daarom naar Giessendam, naar het dorp waar Brinkman zijn jeugd vanaf zijn zesde tot aan zijn gang naar de Vrije Universiteit in Amsterdam heeft doorgebracht. Biedt dit oer-Hollandse plaatsje met zijn polder, een spoorlijn, een dorpsschooltje, kerkjes, veel kerkjes, een immense en tegelijkertijd ook foeilelijke Rabobank, de lieflijke Giessen, de dorpskern Giessendam, een sluisje en pas daarna het verdergelegen Hardinxveld aan de Merwede, biedt dit aanknopingspunten voor een typering van de stijl en de achtergrond van de nieuwe premier?

Het zou best kunnen. Het schijnt een inspirerende streek te zijn. De oud-fractievoorzitter van het CDA, Willem Aantjes, kon soms met weemoed en een vleugje romantiek verhalen over zijn geboortegrond en zowaar beklom ooit de anti-revolutionaire politicus Maarten Schakel het spreekgestoelte van de Tweede Kamer om, het was ter gelegenheid van een ruilverkavelingswet, in een loflied uit te barsten op de verstilde schoonheid van de Alblasserwaard met zijn tiendwegen, geriefbosjes, sloten en het bloeiende fluitekruid.

Zoveel lyriek heeft Brinkman tot dusverre niet aan de dag gelegd, maar ook hij zou eigenlijk het liefste in de polder wonen. Zijn huidige huis aan de rand van Leiden (met een weids uitzicht, dat was een vereiste) kan er wat hem betreft maar ternauwernood mee door. En in ieder geval maakte hij graag van de gelegenheid gebruik om vanuit het perspectief van Giessendam te praten over zijn achtergrond.

Wat weten we eigenlijk van Brinkman? Nee, ik bedoel niet zijn prestaties als minister van WVC, zijn gemarchandeer met de omroepen, zijn pleidooi voor een zorgzame samenleving en zijn eeuwig noodzakelijk geachte bezuinigingen. In al die zaken toonde hij zich geen beter of slechter minister dan anderen, of het zou moeten zijn dat hij zich al op jeugdige leeftijd een rad soort turbo-bestuurderstaal had eigen gemaakt. Amper op zijn dertigste werd hij directeur-generaal op binnenlandse zaken en op zijn 34ste werd hij minister. De structuur en het gewicht van zijn argumenten kon je bij wijze van spreken alleen met een supersnelle belichtingstijd betrappen. En dan nog was het oppassen geblazen, want hoe kon je zeker weten de goeie foto te hebben gemaakt? Zelfs uit zijn meer academische betogen op schrift viel slechts met de grootste moeite een beeld van de politicus te reconstrueren. Altijd weer is er die ondertoon van zakelijkheid met een niet te onderdrukken neiging tot het understatement en woordspelingen. Is-ie nou echt verontwaardigd? Weegt dat echt zwaar voor hem? Of is het slechts de zoveelste zet in het Haagse pokerspel? Zijn diepbruine ogen, die nogal eens de neiging hebben te blijven steken, bieden bij zoveel existentiele twijfel geen wezenlijk houvast. Een koele kikker, aldus een veelgehoord commentaar.

Terug daarom naar Giessendam.

Op een terras in de buurt van Gorcum herinnert Brinkman zich de roemruchte burgemeester van dit stadje, Ridder van Rappard, door Godfried Bomans begin jaren zeventig ooit onsterfelijk geportretteerd als de kampioen van het fatsoen. Nederland ging gebukt onder provo, studentenopstand en algeheel verval van normen en waarden, maar hij, Van Rappard, stond pal; compleet met een eigen lijst waarmee hij stormenderhand de Tweede Kamer zou veroveren teneinde het laffe, al te toeschietelijke politiek Den Haag een poepje te laten ruiken. Van Rappard had ongetwijfeld allure, maar, weet Brinkman, zijn vader had niet veel met hem op. Gezag en orde? Uitstekend. Maar belangrijker is respect, begrip voor elkaars positie, samen tot zaken kunnen komen en daaraan ontbrak het deze stier in de porseleinkast ten enen male.

Nee, dan zijn vader. Die was in de wijde omtrek geliefd en werd alom gerespecteerd, zoals ook zijn vrienden beaamden en met zichtbaar plezier vertelt Brinkman: “Je moet je voorstellen dat hier zo ongeveer letterlijk elke straat zijn eigen kerk had, gereformeerde en hervormde denominaties in alle soorten en maten. De mensen hadden ook een soort zendingsdrift. Maar er moest ook nog zoiets als brood op de plank komen. Er moesten compromissen gesloten worden. Je moest aan het eind van de dag ook nog door dezelfde deur kunnen. Dat werd door alle partijen zo gevoeld.”

“Andersdenkenden. Dat was bij ons thuis een gevleugeld woord. Het werd me met de paplepel bijgebracht: anders zijn, of anders denken behoeft niet per definitie slechter te zijn. Wij waren gereformeerd synodaal, voor Giessendamse begrippen is dat licht. Je zou kunnen zeggen: bij ons was er geen sprake van een aards tranendal, omdat de mens nu eenmaal geneigd is tot alle kwaad. Gereformeerden waren minder fatalistisch. Er was ook blijheid en vooral een sterk besef dat het geloof vooral met de daad beleden moet worden. Preken is mooi, maar wat doe je ermee? Wat koop je ervoor? Gebruik je je talenten wel die God ons toevertrouwd heeft?”

“In dat respect hebben voor andermans opvattingen was mijn vader heel precies. Wij zouden best op zondag hebben mogen fietsen of zwemmen, maar om geen aanstoot te geven, vond mijn vader dat we van dit soort activiteiten op de dag des Heeren maar beter af konden zien. Dat roept natuurlijk de vraag op: wie bepaalt de norm en op grond waarvan? In ons geval was dat heel simpel, dat zwemmen of fietsen was niet echt nodig en waarom zou uitgerekend het gezin van de burgemeester, dat toch al in een glazen huis leeft, het gevoelen van een meerderheid in de gemeente moeten tarten?”

“Even zo goed trotseerde mijn vader een meerderheidsopvatting van de raad (ook die van zijn eigen partij, de ARP) door het op te nemen voor de PvdA en D66, die het zwembad op zondag geopend wilden hebben. Hij deed dat met volle overtuiging vanuit het idee dat een minderheid haar rechten heeft, bijvoorbeeld om op zondag te kunnen zwemmen. Waar dit recht de rechten van de meerderheid op geen enkele wijze beknotte, wist mijn vader wat hem te doen stond. Het voorstel van de minderheid werd overigens verworpen. Of het zwembad inmiddels wel open is op zondag? Ik weet het niet.”

De politicus Brinkman (die als jongeling de verrichtingen van zijn vader vaak vanaf de publieke tribune gadesloeg) blijkt te hebben geleerd van de zwembadkwestie: “Waar het om draait is respect hebben voor de ander. Geen polarisatie, of per se je zin willen doordrijven. Leven en laten leven. Een pacificatie bewerkstelligen en op basis daarvan weer een poosje vooruit kunnen. Niet iedere keer opnieuw de oorlog beginnen. Afspraken kunnen maken en je daaraan houden. De samenleving moet geordend zijn. Een zekere stabiliteit is nodig. Mensen willen weten waar ze aan toe zijn.”

Giessendam. Het dorp dat Brinkman zich ook herinnert als het dorp van Kommer Damen, de ondernemende scheepsbouwer die met zijn scheepwerf zorgde voor het nodige leven in de stillte. Kommer Damen heeft kans gezien de boel dwars tegen het afnemende tij in aan de praat te houden, maar het staat toch niet meer in verhouding tot de gloriedagen van weleer. Toen was het een grote werkgever. Een baas. Of in het jargon van de jaren zeventig: een kapitalist. Maar in de optiek van Brinkman was hij vooral ook onderdeel van het dorp: “Als er een schip van stapel liep, was er die spanning: zouden er nieuwe opdrachten volgen? Daar werd voor gebeden. Bij iedere tewaterlating liep het hele dorp uit. Hier waren belangen in het geding die boven de gebruikelijke partij-politieke en kerkelijke tegenstellingen uitgingen. Het had iets depolitiseerderigs. Zo kon een gemeenschap zich dus ook verbonden weten, door samen iets te presteren. Het had iets feestelijks.”

Het roept het beeld op van een wereld van samen de handen uit de mouwen. Er samen tegenaan gaan en vooral niet te veel zeuren over rechten, beloningsverschillen, laat staan dat iemand zou afhaken op vage gronden. Het schip moet op tijd van stapel lopen. Er is brood op de plank nodig. Het zou iets kunnen verklaren van Brinkmans irritatie over wat hij noemt de 'gelijkberechtingsindustrie' en de daarmee gepaard gaande inactiviteit in de samenleving.

Door het dorp wandelend laat Brinkman zien hoe de horizon van Giessendam vooral door de polder wordt bepaald, vroeger nog meer dan nu. Zijn ouderlijk huis, de dorpsschool, de kerk, ze liggen langs een weg die op enige afstand parallel loopt met de spoorlijn Gorcum-Dordrecht. Daarachter de open polder, waarin hij als jochie het grootste deel van zijn vrije tijd doorbracht. Slootje springend, eendeeieren zoekend, werkend bij de boer.

De andere kant van het dorp behelst een compleet andere wereld, tenminste zo ervoer hij het als jongen. Daar begint Hardinxveld met zijn winkelstraat. Daar ook snelt het verkeer voorbij op de A 15, ligt de rivierdijk met daarachter de uiterwaarden, de drukke scheepvaart op Duitsland en aan de overkant van de Merwede een stuk Biesbosch dat zich tooit met fraaie namen als De Ruigtens en de Ruigtens bezuiden de Perenboom. Fascinerend, maar de meeste tijd bracht Brinkman door in het overzichtelijker Giessendam.

De combinatie van natuur en ordening ineen, een leven ook waarin een relatie met de Schepper vanzelfsprekend is, spreekt Brinkman aan. Het biedt vastigheid in een veranderende wereld. De mens zoekt en tast, maar wil zich ook geborgen weten.

Het is een thema dat Brinkman ook in de gedichten van Guillaume van der Graft meent aan te treffen. Reden voor hem om tot twee keer toe in de Tweede Kamer aandacht te vragen voor deze dichter. De eerste keer tijdens het debat naar aanleiding van de regeringsverklaring klonk het bijna als een waarschuwing aan het adres van de nieuwe coalitie om niet te veel overhoop te halen, en zich te beperken tot het noodzakelijke. Hij citeerde een gedicht, waarin de menselijke ziel zich op vleugels van de lente uitstrekt, nieuwe grenzen wil verkennen, om te besluiten met deze regels:

Maar als de wind hartstochtelijk gaat waaien

De bomen in hun overtuiging schokt

En twijfel in de waterschoot laat zaaien

Wordt men van de weeromstuit orthodox.

Twee jaar later, tijdens de algemene beschouwingen, deed Brinkman opnieuw een beroep op het poetisch talent van Guillaume van der Graft, met een gedicht dat niet alleen laat zien dat het moment van orthodoxie inmiddels is aangebroken, maar meer nog welke betekenis daaraan moet worden toegekend:

Nu het stortregent

en ieder ding verdwijnt

in 't overwegend

en onbelijnd

geweld van overvloed

wordt mij bewuster

wat ik geloven moet:

men kan geruster

zijn als de ramp losbreekt

over het leven,

dan waar de lamp verbleekt

in angst en beven,

want in overmacht

van 't reppend oerbegin

zet God weer onverwacht

herscheppend in.

Brinkman is er de man niet naar zich wijsgerig over dit soort teksten uit te laten, ofschoon de associaties voor het oprapen liggen. Met zijn prille ervaring met de watersnoodramp in 1953, toen zijn vader nog burgemeester was van het zwaar getroffen Stad aan het Haringvliet; een gebeurtenis die diepe indruk op hem heeft gemaakt. Met zijn overtuiging ook dat de mens zich vooral bezig zou moeten houden met de bijbelse opdracht zich voor zijn naaste in te zetten. Het idee eigenlijk dat een egoistische natie juist op dit punt aan het afglijden is en dat een soort bekering dringend noodzakelijk is. Het zijn echter teksten die je uit zijn mond niet zo gauw zult optekenen. Als typische synodaal gereformeerde beperkt hij zich liever tot de daad. Wil hij beproeven of de preek op zondag ook maandag enige geldingskracht heeft.

Nog een keer terug naar Giessendam. Het lagere schooltje is van een ontroerende eenvoud. Een schoolpleintje. Keurig afgepast zes lokalen. Brinkman herinnert zich hoe de jeugd zich keurig klassikaal opstelde voor de schooldeur bij de aanvang van de schooltijd. Het ging er ordelijk toe. Tijdens de zanglessen rond het harmonium zong Brinkman de 'derde stem'. Tot die categorie werd een groepje leerlingen gerekend, waarvan de juffrouw meende dat ze eigenlijk niet tot normaal zingen in staat waren. Als derde stem werden ze geacht wat zacht op de achtergrond mee te brommen.

Vooral niet te luid, want dat zou de orde verstoren.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden