Review

EERSTE 'VOLLEDIGE' MONOGRAFIE OVER HET GESCHILDERD WERK VOLSTREKT ONBETROUWBAAR Dalí riekt nog steeds naar fraude

Robert Descharnes/Gilles Néret, 'Dalí. Het geschilderde werk', 1994, 2 delen in cassette, 780 bldz, uitgave Taschen/Librero, ¿ 149,50.

MICHIEL KOOLBERGEN

Opvallend op deze verkoop-expositie was, dat in veel gevallen de handtekening van Dalí niet op het werk zelf, maar op het passe-partout stond. Dat riep een bericht in herinnering dat in 1974 in het Spaanse blad El Pais verscheen: de Franse douane had een stationcar aangehouden die van Spanje op weg was naar Parijs(!) en volgeladen bleek te zijn met 40 000 door Dalí gesigneerde blanco vellen papier; de wagen kon ongehinderd zijn weg vervolgen, er was immers tot dan toe niets illegaals gebeurd. Maar iedereen kon raden waarvoor die blanco vellen moesten dienen. Onthullend was ook het bericht, dat een jaar na Dalí's dood (1989) in de kranten verscheen: de Spaanse politie had bij een galerie in Barcelona een partij van meer dan duizend valse Dalí's (etsen, litho's en aardewerk) in beslag genomen, alsmede een paar dozen vol echtheidsverklaringen. En de lijst met fraude-praktijken rond het werk van Dalí kan met gemak aangevuld worden: tweehonderd valse etsen en litho's in beslag genomen in Canada (1981); Newyorkse galerie gesloten na verkoop van een duizendtal valse litho's met echtheidscertificaten (1988); grote kunstzwendel met valse etsen van Dalí in Zweden en Denemarken (1991); deskundigen schatten dat er jaarlijks voor ruim een miljard gulden aan valse Dalí's van de hand gaan.

In de hierboven genoemde fraude-gevallen betrof het meestal valse grafiek, maar valse schilderijen van Dalí zwerven eveneens in groten getale rond. Ook hier zouden Dalí en handlangers zelf een handje meegeholpen hebben. In 1984 vertelde de jonge Catalaanse schilder Manuel Pujol Baladas in Vrij Nederland dat hij tijdens zijn artistiek leerproces 530 ongesigneerde imitaties van het werk van Dalí maakte en die via een Franse kunsthandelaar onder anderen aan Dalí's echtgenote Gala verkocht. Plotseling doken ze - mét de handtekening van Dalí - weer op. Baladas kreeg toevallig een catalogus van het veilinghuis Sotheby in Londen in handen en merkte dat een Dalí die hij geschilderd had voor 30 000 gulden was verkocht. “Er hangen nu valse Dalí's die ik geschilderd heb in de Tate Gallery in Londen, in het Museo Nacional in Bogota en in het Dalí-museum in Cleveland. Het merkwaardige is dat Dalí verklaard heeft dat die schilderijen authentiek zijn (....) Ik zou best eens willen weten wie mijn imitaties van de handtekening van Dalí heeft voorzien. Het is weinig waarschijnlijk dat Dalí dat zelf heeft gedaan: ik heb artsen gesproken die mij verzekerd hebben dat hij, zeker na 1981, daar niet meer toe in staat was. Van de 530 imitaties die ik gemaakt heb, heb ik er tot nog toe tachtig kunnen achterhalen. Wat er met de andere gebeurd is, weet ik niet. Die zullen wel na de dood van Dalí op de markt komen. En wie zal dan nog kunnen bepalen welk schilderij vals is en welk niet?”, aldus Baladas.

Toen Dalí nog enigszins bij zinnen was, wees hij zelf vervalsingen van zijn werk aan. Zo diende hij in 1979 een aanklacht in tegen de eigenaren van een antiekzaak in Barcelona, waar 22 schilderijen te koop werden aangeboden als echte Dalí's; de meester zelf noemde de vervalsingen 'vakwerk'. En drie jaar later diende hij een aanklacht in tegen zijn ex-privé-secretaris Peter Moore, die een aan hem gewijde schilderijententoonstelling in Perpignan had georganiseerd; tachtig van de 426 daar opgehangen Dalí's waren vals. Zo steeg in de jaren zeventig en tachtig de verwarring ten top: enerzijds was er een Dalí die er kennelijk zijn hand niet voor omdraaide om blanco vellen papier van zijn handtekening te voorzien en de imitaties van Baladas authentiek te verklaren, anderzijds was er een Dalí die zelf vervalsingen van zijn werk aanwees. De wegen van 'de Goddelijke Dalí', zoals hij zichzelf graag noemde, waren ondoorgrondelijk.

Gangstertroep

Het gevolg was wel, dat bijvoorbeeld de voormalig directeur van Sotheby in Amsterdam, Van der Werff, in 1988 opmerkte dat het veilinghuis geen naoorlogse grafiek van Dalí meer onder de hamer bracht, vanwege de onbetrouwbaarheid van die werken, en vanwege de hardnekkige geruchten dat er rond Dalí 'een gangstertroep' bestond. Deze richtlijn bestaat nog steeds. Ook het veilinghuis Christie's in Amsterdam zegt geen grafiek van Dalí meer te veilen. Regelmatig krijgen beide veilinghuizen valse grafiek aangeboden door argeloze eigenaren die in de veronderstelling verkeren een echt werk van Dalí in huis te hebben. Dalí riekt nog steeds naar fraude.

Een 'gangstertroep' die het sjoemelen met Dalí's werk niet kon laten? Wie waren dan wel die heren? Rafael Santos Torroella, dichter, kunsthistoricus en docent aan de Academie voor Schone Kunsten in Barcelona, deed in 1984 daarover in Vrij Nederland een boekje open toen hij op de laatste levensjaren van Dalí vooruitblikte. De oude en versukkelde Dalí bracht die periode bedlegerig door in zijn kasteel van Púbol. Volgens Torroella werd Dalí geheel van de buitenwereld afgesloten door een groep van drie mensen die hij 'de leden van het Politbureau' noemde. Het waren de Madrileense advocaat Miguel Domenech, de Catalaanse schilder Antonio Pixtot en de privé-secretaris van Dalí, de Franse fotograaf Robert Descharnes, die volgens Torroella 'het huis van Dalí in Port Lligat leeggeplunderd heeft'. Volgens de kunsthistoricus was 'de trojka' van Domenech, Pixtot en Descharnes als executeur-testamentair op het geld van Dalí uit en had zij de verzwakte Dalí 'echt gegijzeld', opdat hij zijn testament niet zou wijzigen. En inderdaad stierf Dalí op de ochtend van maandag 23 januari 1989 in alle eenzaamheid. In de krant van die dag stond te lezen: “Zijn dood werd al enige tijd verwacht: het afgelopen weekend was men al begonnen met het delven van zijn graf in de tuin van het museum in Figueras waar werk van hem te zien is.”

Anno 1995 vinden wij een van de toenmalige trojka-leden - Robert Descharnes - terug als presentator van het pas verschenen, diklijvige, tweedelige boekwerk 'Dalí. Het geschilderde werk'. Descharnes heeft het inmiddels ver geschopt. Op de achterflap van deel I van het boekwerk lezen wij onder meer: “Hij is lid van de Gala-Salvador-Dali-stichting die hem benoemde tot afgevaardigde voor internationale contacten. Kort voor zijn dood benoemde de kunstenaar hem tot zaakwaarnemer van de gebruiksrechten op zijn werk in de firma Demart Pro Arte B.V., waarvan Descharnes directeur is.” Zijn naam staat dan ook op het boekwerk vermeld vanwege zijn bezit van de beeldrechten op Dalí's werk. Voor de tekst is de Franse 'kunsthistoricus' Gilles Néret verantwoordelijk.

Het moet gezegd worden: het boekwerk met zijn ontelbare kleurenplaten van het chronologisch behandelde schilderwerk van Dalí oogt als een juweel. Maar daarmee is dan ook alle lof geoogst. Trots wordt op de voorflap gemeld dat het bij dit tweedelige boekwerk gaat om 'de eerste monografie over het geschilderde werk van Dalí waarin alle bekende werken zijn verzameld', aangevuld met documentaire foto's en reproducties van schetsen, tekeningen en objecten. Verrassend is inderdaad, dat er veel afbeeldingen van werken aanwezig zijn, die niet eerder in de Dalí-literatuur te vinden waren. Maar, zo vraag je je dan juist onmiddellijk af, hoeveel van al die afgebeelde werken zouden gezien de fraude-praktijken rond Dalí wel eens vals kunnen zijn? Het portret van Freud (deel I, p.298), dat nogal afwijkt van de andere portretten die Dalí van de psychiater maakte? Of wellicht het schilderij van een vrouwenfiguur met Catalaans brood (zonder titel, deel I, p.179), dat voor een bedreven kunstenaar als Dalí te onbeholpen geschilderd is? Of het wel erg schattige ontwerp voor een damestennisjurkje (deel II, p.561)? Descharnes en Néret gaan nergens in hun boekwerk op het probleem van de vervalsingen van Dalí's werk in, leggen nergens uit hoe zij tot de samenstelling van deze monografie gekomen zijn. Alleen in de inleiding, waarvan de tekstregels grotendeels verspild zijn aan een overbodig en onnozel verhaal over een recent bezoek aan Dalí die in de hemel 'bezig is met fotografische precisie elk haartje van Gods prachtige baard vast te leggen', geeft Descharnes de lezer een even korte als vage verantwoording. In kromme taal (maar dat zou ook aan de hier en daar haperende vertaling voor de Nederlandse editie kunnen liggen) staat daar: “Van de doeken die niet in de monografie zijn opgenomen, heb ik er een paar bewust weggelaten omdat hun authenticiteit twijfelachtig is of omdat Dalí ze zelf niet heeft erkend.” Welke werken zou Descharnes onbewust hebben weggelaten, vraag je je af. Bovendien is er het hierboven geschetste probleem dat Dalí juist imitaties van zijn werk authentiek zou hebben verklaard.

Kritiekloos

De tekst van Néret die de afbeeldingen begeleidt, is van hetzelfde laken een pak: oppervlakkig, kritiekloos, slecht geschreven. Zonder enige distantie beschrijft hij Dalí's levensgeschiedenis, waarbij hij de hoofdstukken vult met oncontroleerbare citaten uit Dalí's boeiende maar pompeuze en volstrekt onbetrouwbare geschriften, zoals de reeds decennia lang omstreden autobiografie 'The secret life of Salvador Dalí' (1942) en Dalí's dagboek uit de periode 1952-1964: 'Journal d'un Genie'. Kortom, we hebben hier niet te maken met een serieuze studie naar het leven en werk van een van de interessantste en veelzijdigste kunstenaars van de twintigste eeuw, maar met een boekwerk dat kennelijk de stevigheid van salontafels moet testen.

Over de laatste levensjaren van de verzwakte Dalí waarin hij als trojka-lid zo'n dubieuze rol gespeeld zou hebben, heeft Descharnes zijn compagnon Néret een kort verslag laten schrijven. Dalí is dan ziek, zwak en misselijk. Néret: “Een andere bijwerking is dat hij zijn stem verliest. Hij wordt ongeduldig en woedend wanneer hij iets zegt en niemand hem verstaat. Er is veel geduld van zijn kleine hofhouding en vooral van Robert Descharnes, zijn vertrouweling, nodig om het nauwelijks hoorbare murmelen dat over zijn lippen komt, te ontcijferen en te vertalen.” Maar oh wonder, op cruciale momenten blijkt Dalí opeens volledig over zijn stemgeluid te beschikken: “Is Dalí gek, seniel? Een groep Catalaanse intellectuelen doet er alles aan om die idee te verbreiden. In een open brief aan de president van de Catalaanse regering, Jordi Pujol, beschuldigen ze mensen in Dalí's omgeving ervan dat ze een slechte invloed op de meester hebben en ze bekritiseren bovendien zijn zaakwaarnemer (=Descharnes, M.K.) en de leiding van het Theatermuseum Gala-Dalí. Ze stellen vast dat Dalí niet meer in staat is zelf beslissingen te nemen... Ziedend van woede wendt Dalí zich meteen tot Pujol, die hem onmiddellijk in de Torre Galatea, Dalí's woonvleugel in het Theatermuseum van Figueras, komt opzoeken. Dalí zegt glimlachend: 'Ik zou Catalonië graag een van mijn mooiste schilderijen willen geven, Continuüm van de vier billen of Geboorte van een godheid...' Kan men na een dergelijk geschenk ook maar een moment twijfelen aan het verstand van degene die iemand een schilderij met een geschatte waarde van 500 000 dollar aanbiedt? De inspanningen van de Catalaanse intellectuelen waren voor niets geweest.” Inderdaad, zo zou je ook kunnen stellen, het door de trojka zo broodnodig gewenste isolement van Dalí werd op voortreffelijke wijze afgekocht.

Zichzelf laat Descharnes na deze passage bewieroken als 'reddende engel en man van eer, de enige die zich niet ten koste van Dalí verrijkte'. Je moet maar durven, als de man die de zo profijtelijke beeldrechten op het werk van Dalí in de wacht wist te slepen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden