Recensie Opera

Een zuigeling en een oude diva in de hoofdrol op het Festival d’Aix-en-Provence

Beeld uit het door Romeo Castellucci geënsceneerde Requiem van Mozart, met het geweldige koor Pygmalion. Beeld Pascal Victor/ArtComPress

Een zuigeling en een oude diva in close-up spelen een hoofdrol op het Festival d’Aix-en-Provence dit jaar, de eerste editie van Pierre Audi. Waar de baby naar adem doet happen, wekken de alomtegenwoordige videobeelden vooral irritatie op.

Voor op het toneel ligt een baby. Zes maanden oud kan die net het hoofdje oprichten en zich op de armpjes omhoog duwen. Verwonderd kijkt de zuigeling de zaal in. De laatste klanken van het gregoriaanse ‘In paradisum’, met breekbaar maar helder stemmetje gezongen door een jongetje van amper zes, zijn net weggestorven. In de geladen stilte kijkt de baby naar ons, en geeft geen kik. Wij houden collectief de adem in, en zien in dat onbevangen kindje onszelf. Dan zakt heel langzaam het doek.

Een beeld om nooit, maar dan ook nooit meer te vergeten. Het is het slot van ‘Requiem’, een geënsceneerde versie van Mozarts dodenmis, waarmee dit jaar het Festival d’Aix-en-Provence (even oud als het Holland Festival) opende. Je kunt een kind van zes maanden natuurlijk niet regisseren. Dat het zich zo stil hield op deze avond was een wonder. Maar als het was gaan blèren dan nog was deze voorstelling met dezelfde mokerslag aangekomen. Voor de acht voorstellingen van ‘Requiem’ staan twee moeders met hun babies op de cast-lijst, ze wisselen elkaar af, en blèren of krijsen, dat gaat ongetwijfeld een keer gebeuren.

De nieuwe baan van Pierre Audi

Sterven, uitsterven, herboren worden. Daarover ging dit Requiem in een regie van Romeo Castellucci. Maar daarover gingen eigenlijk ook de overige vier opera-voorstellingen in het festival, dat dit jaar voor het eerst onder leiding staat van Pierre Audi. Na dertig jaar artistiek directeurschap van De Nationale Opera begon hij met deze festival-editie officieel aan zijn nieuwe baan. Dat ‘sterven, uitsterven, herboren worden’ wordt overigens nergens als een overkoepelend thema aangekondigd, maar je proeft de meesterhand van Audi de programmeur in alle vijf opera’s. Niet dat alles even geslaagd is, maar daarover zo.

Even terug naar dat overrompelende Requiem. Castellucci is een regisseur die vaak de rand van sentiment en kitsch opzoekt, en er soms overheen kukelt. Nu niet. Zijn voorstelling begint met een oude vrouw. Van achter de bühne klinkt een geheimzinnig gezongen ‘Christus factus est’. De vrouw neem een hap uit een appel, drinkt wat water en gaat op bed liggen. Ineens is ze daaruit verdwenen, opgelost in het niets. Als minuten later het bed wordt opgetild rolt er een vrouw onder vandaan, alleen veel jonger. Langzaam wordt duidelijk waar Castellucci heen wil. De vrouw wordt steeds jonger, tot ze als baby’tje alleen op dat toneel ligt. Voor de regisseur gaat het Requiem niet over de doden, maar over de achterblijvers, de levenden.

De tekst loopt door onder de foto

In vervreemdende folkloristische Balkan-achtige rei- en rondedansen wordt in de dodenmis het leven gevierd. Met op de achtergrond geprojecteerde teksten van verdwenen of uitgestorven dieren, steden, gebouwen en talen. Beeld Pascal Victor/ArtComPress

In de anderhalf uur tussen oude vrouw en baby laat Castellucci in de open lucht van het Théâtre de l’Archevêché (in de open lucht) van alles gebeuren. Het geweldige koor van Pygmalion onder leiding van Raphaël Pichon speelt daarbij een hoofdrol. In vervreemdende folkoristische Balkan-achtige rei- en rondedansen wordt het leven gevierd. Het kleurrijke gehuppel is een onverwacht contrapunt bij de overbekende muziek van Mozart. Die fantastisch en fel uitgevoerde muziek is overigens aangevuld met het al genoemde gregoriaans en met onbekende geestelijke muziek van de jonge Mozart. Dat de zangers bij al dat gedans zo zuiver en ritmisch kunnen blijven zingen is een klein wonder. Zodra het echte Requiem begint, op het moment dat de vrouw in bed oplost, laat Castellucci op de achterwand een hele lijst van verdwenen en uitgestorven dieren, planten, steden, talen, kunstwerken en gebouwen projecteren. Geen videobeelden maar gewoon titels en teksten. En het gaat maar door, wat is er al veel verdwenen van deze aardbol. De cyclus van de mensheid, cultuur en leven. Het einde van de voorstelling, met een omhoogkomende toneelvloer is verbluffend. En dan moet, na al het geraas met die toneelvloer, dat baby’tje nog komen.

Hoofdrol voor video

Bij de andere grote producties dit jaar in Aix speelden videobeelden een hoofdrol. Van Ivo van Hove, die Kurt Weills ‘Aufstieg und Fall der Stadt Mahagonny’ regisseert, was dat te verwachten, omdat hij dat al jaren doet. Maar ook Christophe Honoré’s moeizame versie van Puccini’s ‘Tosca’ zat er vol mee. Voor zowel Honoré als voor Van Hove klonk er aardig wat geboe in Aix. Of dat aan de video’s lag? Feit is wel dat ondanks de voortschrijdende techniek de zingende close-up-monden op de videoschermen net niet synchroon lopen met die op de bühne, en dat zorgt voor irritatie en afstand.

Honoré had over Puccini’s opera zijn eigen verhaal gedrapeerd, dat van de oudere diva die terugkijkt op haar gloriejaren als Tosca (in de opera is ze ook een zangeres). De opera begint als de jonge uitvoerenden van de opera bij de diva thuiskomen om de opera onder haar supervisie door te zingen. Niemand minder dan de Amerikaanse Catherine Malfitano (71) – in haar gloriejaren een beroemde Tosca – was naar Aix gekomen om zich, vooral mimend en met veel rollende ogen-close-ups, in Honoré’s concept te laten persen. We hadden hier dus twee Tosca’s op de bühne, en dat zorgde voor aardig wat noodoplossingen en kronkels in de enscenering. In Le Monde en Le Figaro werd met lof gesproken over dit experiment, maar veel buitenlandse kranten vonden er niet veel aan. Zo had de Financial Times er maar twee sterren voor over.

De tekst loopt door onder de foto

Twee Tosca's op de bühne en twee op de video’s erboven. Links Catherine Malfitano, rechts Angel Blue. Beeld Jean-Louis Fernandez

Hier werd Puccini’s verhaal totaal naar de achtergrond verdrongen, en erger nog, ook de zangers verdwenen uit de spotlights. De arme Alexey Markov (een vileine Scarpia) stond tijdens het Te Deum, zijn hoogtepunt in de opera, volledig in de schaduw, terwijl de immer angstig kijkende Malfitano omstuwd werd door fans die handtekeningen en selfies wilden. Dat alles uitvergroot op de videoschermen die boven de handeling hingen. Toegegeven, er zaten ook aardige vondsten in deze regie, maar het geheel kraakte aan alle kanten. In de derde akte keken we, na een lullig stukje toneel van Malfitano bij een maquette van de Romeinse Engelenburcht, naar een concertuitvoering. Het orkest was naar de bühne verhuisd, waar Malfitano, wild krijsend, haar polsen doorsneed. Jammer voor Angel Blue, wier allereerste Tosca vocaal beslist imponerend was, dat ze niet van de Engelenburcht mocht springen. Tenor Joseph Calleja had niet zijn avond, en bleef ook al leven. Dirigent Daniele Rustioni wist met het orkest van de Opéra de Lyon niet te overtuigen.

Aanklacht tegen het kapitalisme

Van Hove’s regie van de opera van Weill en Bertolt Brecht was virtuoos. Zijn productie is later in Amsterdam en New York te zien. Goudzoekers stranden in de woestijn en stichten er de vrije stad Mahagonny. En dus begon Van Hove op een leeg toneel en liet daar vervolgens allerlei decorstukken op slepen om de stad op te bouwen. Het grote videoscherm stond er al, maar bijna nooit voegden de erop getoonde beelden iets toe. Je ging eigenlijk alleen maar zitten letten op wie van de koorleden (opnieuw het geweldige Pygmalion) met zijn gezicht kon acteren en wie niet.

De tekst loopt door onder de foto

Beeld uit Kurt Weills ‘Aufstieg und Fall der Stadt Mahagonny’ met groot op video Karita Mattila als Leokadja Begbick. Beeld Pascal Victor/ArtComPress

De hoog-karaats cast werd aangevoerd door Karita Mattila, Willard White, Annette Dasch, Nikolai Schukoff, Alan Oke en Thomas Oliemans. Zij zongen werkelijk allemaal prima, maar Van Hove toonde zich meer begaan met de techniek dan met zijn personages. In een kale, koude kilte voerden die hun aanklacht tegen het kapitalisme uit. In de bak speelde het Philharmonia Orchestra onder leiding van Esa-Pekka Salonen luid en langzaam. De balans met de zangers was in het Grand Théâtre de Provence verre van optimaal. Met verder twee interessante kameropera’s – ‘Jakob Lenz’ van Wolfgang Rihm en het splinternieuwe en zeer fraaie ‘Les mille endormis’ van Adam Maor – heeft Audi een divers en opwindend festival bedacht. Zoals gezegd, niet altijd even geslaagd, maar altijd boeiend.

Het Festival d’Aix-en-Provence duurt nog t/m 22 juli. www.festival-aix.com

Lees ook:

Het Pierre Audi-tijdperk is na dertig jaar nu echt voorbij

Audi wilde in zijn ensceneringen het kunstwerk tonen, het niet interpreteren, zoals hij in zijn warme dankwoord zei. En hij werd daar steeds beter in. De film boordevol clips aan het begin van de avond liet het zien: al die voorstellingen die tezamen een heus tijdperk vormen, een tijdperk dat nu echt voorbij is.

Pierre Audi: Het is goed om te gaan

Pierre Audi nam vorig jaar na dertig jaar afscheid als artistiek leider van De Nationale Opera. “Na dertig jaar blijft mijn hart hier in Amsterdam.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden