Review

Een wrokkige en een amusante 't Hart'POLEMISCHE PAUKESLAGEN EN ANDERE KRITISCHE BESCHOUWINGEN'

Maarten 't Hart, 'Een havik onder Delft', uitg. De Arbeiderspers, Amsterdam 1992, 256 blz. - 34,90

T. VAN DEEL

De meeste critici, zo betoogde hij, hadden gestudeerd en aan de universiteit een heel pakket normen geleerd waaraan goede literatuur moest voldoen. Zijn boeken voldeden daar niet aan en werden dus niet goed besproken. De academische schrijvers, van De Revisor dus, werden geprotegeerd door de academische critici en dat clubje maakte de dienst uit. Echte vertellers, zoals hij, werden met minachting bejegend. Dat maakte hem wrokkig en keer op keer herhaalde hij, in steeds simpeler bewoordingen, zijn bezwaren tegen dit complot.

Wie figureren, zo kwaadaardig, in zijn voorstelling van zaken? Ikzelf heb deze twijfelachtige eer. Ik ben een kruidenier die met behulp van door mijzelf uitgevaardigde wetten en regels de levende literatuur weegt. Ik doe dat in de traditie van Ter Braak, die geen oog had voor vertellers als Herman de Man en Anton Coolen. Een nog veel erger gruwel is de criticus van Vrij Nederland, Carel Peeters, die om meer filosofie in de literatuur vraagt en hem stelselmatig de grond in boort. Hij heeft gezworen deze Peeters het leven meer dan zuur te maken.

Zo is Maarten 't Hart in de loop der tijd door vijanden omringd geraakt, althans dat is zijn visie op de werkelijkheid waarin hij leeft. Hij ziet overal lijnen lopen, van die naar die en dan via dat tijdschrift of die krant naar deze club of gene mafia. De etiketten liggen klaar en worden niet meer op hun realiteitsgehalte getoetst. De grote strijd is feitelijk niets anders dan een status quo, behalve dan dat meer recent met name tegen Peeters het zwaardere geschut van roddel, insinuatie, belediging is ingezet. Fijntjes ging het bij 't Hart toch al nooit toe, maar 't is nu onsmakelijke laster geworden.

Deze 't Hart is helaas ook weer aanwezig in zijn nieuwste boek 'Een havik onder Delft', een verzameling 'Polemische paukeslagen en andere kritische beschouwingen' zoals de ondertitel luidt. Het heeft geloof ik bitter weinig zin meer om de reeks misvattingen die bij hem nu al zo lang hebben postgevat stuk voor stuk tegen te spreken of tenminste te nuanceren. Hij vindt het bij voorbeeld, in navolging van Karel van het Reve, niet nodig om romans te interpreteren of te analyseren, want waarom zou er iets 'achter' de tekst zitten, er zit toch ook niks 'achter' het leven? Al dat dwangmatige zoeken naar een diepere betekenis is alleen maar van belang voor 'tientallen knoeiers' die als ze dat niet meer hoefden doen 'brodeloos' zouden worden.

Soms denk ik ook dat hij maar wat badinerend simplificeert en dat men onwijs zou handelen door er serieus op in te gaan, maar dikwijls is er een toon in zijn woorden die op zure verontwaardiging wijst of, zoals in de volgende passage, op doorvoelde teleurstelling:

"De laatste jaren was ik het plezier in de Nederlandse letterkunde vrijwel volledig kwijtgeraakt. Ik leefde alleen nog op als er een boek van Hermans, Frits Hotz of Mensje van Keulen verscheen, maar dank zij Van der Heijden heb ik weer hoop gekregen, weer plezier gekregen, en heb ik zelf opeens ook weer de kracht gevonden om door te werken aan mijn romancyclus Het woeden der gehele wereld. Kan het dan toch waar zijn dat een echt groot talent, simpel door wat hij voortbrengt, dat hele stoffige, verschraalde, verpieterde, door neerlandici en door lilliputters als Carel Peeters verpeste literaire klimaat, van nieuw elan weet te voorzien?"

Gelukkig staan er in 'Een havik onder Delft' een groot aantal, soms ook wel polemische, amusante stukken, waarin 't Hart zich van zijn vrolijkste kant laat zien. Ze gaan over de gevaren die een mens bedreigen wanneer hij zijn uiterlijk verandert; over hoe verschrikkelijk het is om een man te zijn; over de moeite die het hem kostte om het geld dat hij van zijn studiebeurs overhield teruggestort te krijgen in de staatskas; over het veel voorkomende feit dat men verliefd wordt op de vriendin van degene die later je vrouw wordt; over het verminderen van de belasting door op heel veel aanbiedingen om op te treden niet in te gaan; over het celibaat; over het heerlijkste vakantieland, Zwitserland; over vermageringsmythen, over de afkeer van reizen, over de vrek, over muziek, ethologie, verkrachting in het dierenrijk, godsdienst, en nog veel meer.

Op al deze terreinen beweegt 't Hart zich niet alleen met het grootste gemak, hij ontvouwt ook in kort bestek en op een luchtige manier allerlei ideetjes. Vaak lopen het essayistische en het verhalende karakter van de stukken door elkaar en krijgen we tussen de bedrijven door heel wat belevenissen en herinneringen van 't Hart te lezen. Een vermakelijke vind ik deze, waarin de zuinige 't Hart, rond 1962, een langspeelplaat gaat aanschaffen:

"Maar om voor een LP het daar toen nog gigantische bedrag van vierentwintig gulden uit te geven, moest ik mijzelf als volgt te slim af zijn. Wilde ik een plaat hebben, dan begaf ik mij per fiets (niet per trein natuurlijk, dat kost geld) naar Den Haag en reed ik door de Geleenstraat, waar de meisjes, zoals medestudenten mij verteld hadden, vijfentwintig gulden kostten. Zag ik daar achter een der rood verlichte ramen een meisje dat mijn begeerte opwekte dan reed ik een paar maal heen en weer tot ik er zuchterig van werd en zij steeds dwingender naar mij ging lachen. Was het moment aangebroken om mijn fiets tegen een pui aan te zetten, dan schakelde ik opeens over naar een straffer verzet en reed ik bliksemsnel de straat uit. Ik trapte naar muziekhandel Albersen en hield mijzelf onderweg voor: door niet bij dat meisje naar binnen te gaan heb je vijfentwintig gulden uitgespaard. Nu kun je dus gemakkelijk een plaat van vierentwintig gulden kopen en dan hou je nog een gulden over ook! Later, toen de meisjes in de Geleenstraat opeens vijftig gulden kostten, kon ik af en toe zelfs twee platen tegelijk kopen! Aldus heb ik in de loop der jaren duizenden platen weten aan te schaffen."

Hilarische overdrijving behoort tot de vaste humorprocede's bij 't Hart. Het is niet een heel subtiel soort humor (stilistisch), maar wel een die altijd een plezierig effect sorteert. Ik heb veel moeten lachen om 'Een havik onder Delft'.

Bij alle diversiteit aan onderwerpen valt het op hoezeer voor 't Hart leven en literatuur bij elkaar horen. Meestal, wanneer hij het over levenservaringen heeft, komen er ook wel boeken ter sprake waarin deze of verwante ervaringen te lezen staan. Het soort kennis dat hij uit boeken opdoet heeft alles te maken met de soort kennis die hij van het leven wil hebben. Vandaar ook dat hij zo verontwaardigd reageert wanneer schrijvers zich in hun boeken niet aan de werkelijkheid, aan feiten houden. Jeroen Brouwers betrapt hij op muzikale fouten in 'Zomervlucht'. Gottfried Benn schrijft in een gedicht grove leugens over jonge ratten. Nijhoff laat een nachtegaal in het hartje van de stad zijn lied aanvangen. Allemaal leugens en bedrog, fouten die hem als lezer geducht hinderen.

Hoe weinig Nederlandse schrijvers, op een enkeling na, afweten van de natuur, is het onderwerp van het essay 'Een literatuur van stadsmensen'. Zelf kreeg hij van iemand het verwijt dat het onmogelijk was om, zoals hij in zijn roman 'De aansprekers' schreef, in de barre winter van 1963 onder Delft een havik waar te nemen. Dat laat 't Hart niet op zich zitten en hij verzamelt nog andere waarnemingen van diezelfde vogel. Nee, sprookjes of onrealistische verhalen, die wil hij niet verteld hebben.

$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$$

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden