Review

Een tandeloze tijger

Tien jaar geleden stierf W.F. Hermans - alom erkend als groot romancier en al even belangwekkend polemist. Zijn gevreesde scheldkanonnades vonden in Nederland volop navolging - bij Max Pam en Theo van Gogh bijvoorbeeld. Maar hoe scherp, hoe raak en hoe leuk is Hermans eigenlijk nog? Dat valt tegen, vindt Rob Schouten.

W.F. Hermans is een van onze grootste naoorlogse schrijvers, al durf ik er mijn hand niet voor in het vuur te steken dat zijn werk de tand des tijds ook zal doorstaan. Maar romans als 'Ik heb altijd gelijk', 'De donkere kamer van Damocles', 'Nooit mee slapen', 'Onder professoren' lijken voorlopig niet aan slijtage onderhevig.

Toch heeft Hermans zijn naam en faam niet alleen aan die prachtboeken te danken maar vooral ook aan zijn kritische geest, zijn onvermoeibare kruistocht tegen fouten en misstanden, aan zijn polemische karakter. Hij voerde 'door gevaarlijke gekken omringd' voortdurend oorlog tegen de buitenwereld, over epigonisme, over mandarijnen, over vermeend onrecht, over gemaakte fouten, en ook gewoon over smaak. ,,Eerlijkheid gebiedt mij er rond voor uit te komen dat ik het moeilijk verdraag tegengesproken te worden als ik gelijk heb'' geeft hij toe aan het begin van een uitval tegen taalzonden. En hij had een nogal groot gelijk.

Met dat al staat W.F. Hermans geboekstaafd als een van onze grootste polemisten van na de oorlog, als een scherp criticus en als een meedogenloos aanklager. En school heeft hij ook zeker gemaakt; wie literatuurcritici als Arjan Peters, Max Pam of Arie Storm leest merkt direct dat ze Hermans' befaamde scheldkanonnades in 'Mandarijnen op zwavelzuur' hebben opgeslobberd, en ook columnisten als wijlen Theo van Gogh en Theodor Holman hebben het van hem geleerd. Wat dan precies? Nou, misstanden aan de kaak stellen natuurlijk, onjuistheden bestrijden maar vooral ook schelden, op de man spelen.

Een van hen, Max Pam, stelde een bloemlezing uit Hermans' polemische geschriften samen, getiteld 'Niet uit kwaadaardigheid'. Prikkelende titel natuurlijk want ik zou de lezers de kost niet willen geven die menen dat Hermans nu juist wél uit kwaadaardigheid polemiseerde. Het legertje slachtoffers is groot en divers genoeg om te vermoeden dat Hermans er een meer dan gemiddeld behagen in stelde mensen de les te lezen, te bestrijden en te schofferen.

Zo begint deze chronologische bloemlezing met een aanval op Van Deyssel (zelf ook polemisch begaafd maar dat is natuurlijk slecht te verdragen voor een aanstormend polemist), waarna Bert Voeten geschoren wordt en even later krijgt Julien Gracq ervan langs. Wie deze vroege polemische stukken leest krijgt het gevoel dat Hermans warmliep voor de echt grote vijanden van even later: de epigonen van Forum, met voorop H.A. Gomperts, en verder Adriaan Morriën, Theun de Vries, J.B. Charles. En hij liet het niet bij literatuur, getuige zijn eindeloze polemieken inzake Weinreb, waar hij ten slotte gelijk in kreeg, een gelijk waarvan Hermans, naar Pam denk ik terecht veronderstelt, nooit erg genoten heeft.

Hermans bestreed graag misstanden maar vooral wilde hij zijn eigen gelijk luid en duidelijk halen. Deze bloemlezing geeft een aardig inzicht in de wijze waarop Hermans zichzelf eeuwige vijanden bezorgde. Aad Nuis is iemand 'die niets anders kan dan liegen, bedriegen, teksten vervalsen, uitlatingen verdraaien', J.B. Charles is een kaalhoofdige 'morele maniak', Theun de Vries produceert boerenromans en wilde anti-communisten 'de zegen van de dwangarbeid' deelachtig maken. En over de krant waarin H.A. Gomperts publiceert schrijft Hermans: ,,Ik heb hem nodig om er het eten van de hond op klaar te zetten. Inderdaad kunnen de geschriften van H.A. Gomperts daar uitstekend voor worden gebruikt: ze zijn niet te hoog, er valt niets aan te bederven en de lucht van afgekloven beenderen die zij verspreiden, bevordert de eetlust van de trouwe viervoeters.'' Leuk, leuk! Of misschien toch een beetje flauw?

Wie al die vileine stukken van Hermans zoveel jaar na dato herleest komt er danig teleurgesteld uit. Toegegeven, er zitten onbetaalbare exemplaren tussen, zoals die waarin hij de journalist John Peereboom onderhanden neemt: ,,Dierbare Mistah Pyrrahboame, Ik gelezen hebben uw stukje 'Striem op striem' in de jubileumnummer van de Hollands Maandblad, Nr. 378 mei van 1979, waarin u boos zijn op W.F. Hermans.'' Maar dat was een krielkip; zodra er grotere prooien in beeld kwamen, laadde Hermans het kanon en ging het vaak mis. Zo zijn de stukken tegen J.B. Charles, tegen de Weinreb-“kliek' en tegen de tekstbezorger van 'zijn eigen' Multatuli onleesbaar geworden, omdat Hermans niet kon ophouden. Je zou hem gelijk willen geven, ware het niet dat hij, frikkig en schoolmeesterachtig, maar doorgaat met haarkloverij, de dood in de pot voor een rake polemiek, waarbij vooral de aandacht van de lezer niet mag verslappen. Hermans heeft iets van een inquisiteur die een eindeloze lijst aanklachten voorleest, zo nu en dan onderbroken door korte, vinnige scheldpartijen.

Voor een deel komt onze teleurstelling voort uit het feit dat de kwesties die Hermans aanroerde allang gepasseerd of nogal futiel zijn, en zijn tegenstanders vergeten. Zijn schotschriften hebben dus per saldo weinig autonome kracht. Boven alles komt de scherpte van Hermans, waarom hij zo berucht was, inmiddels over als 'flauw'. Pam moet er in zijn inleiding hartelijk om lachen als Hermans schrijft: ,,Zodra ik vind dat mijn naam weer eens in de krant moet komen, trap ik op Gomperts, niet uit kwaadaardigheid, maar zoals een trambestuurder op een bel.'' Ik vind het vooral melig en het zegt meer over de pestkop dan over de geplaagde. Hermans wilde wat al te graag dat zijn lezers mee lachten als hij weer eens iemand neerbuigend bij de voornaam noemde, Ger (Harmsen of Klein), Kees (Buddingh') of hem nadrukkelijk smalend 'professor' noemde (Nagel, Harmsen, Tamsma).

Toen Hermans zijn polemieken schreef, overheerste het fatsoen in Nederland nog. Vandaar dat ze hard aankwamen. Inmiddels hebben ironie en cabaret het voor het zeggen en je merkt dat grootvader Hermans het tegen zoveel opvolgers moet afleggen. Hij is een tandeloze tijger geworden. Dat heeft wel iets treurigs voor iemand die er zoveel energie in stak. Maar ach, we hebben altijd zijn romans nog.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden