Review

Een soap, een spektakel!

Hij had er nog jaren aan kunnen werken, twijfelt nog altijd over sommige passages. Maar Ard Posthuma leverde een prachtige nieuwe vertaling af van Faust. Het grote werk van Johann Wolfgang Goethe is geen klassiek drama, maar een modern, experimenteel werk, met veel humor, zegt Posthuma. En dan mag je de dronkemannen in Auerbachs kelder best 'Olé! Olé!' laten joelen.

Andrea Bosman

'Duitsers zijn overigens wonderlijke lieden', zei Johann Wolfgang Goethe in 1827 tegen zijn trouwe gesprekspartner Eckermann. 'Zij maken zich door de diepe gedachten en ideeën die ze overal zoeken en overal inleggen het leven moeilijker dan nodig is. Ach, heb toch eindelijk de moed u aan uw indrukken over te geven, u te laten amuseren, ontroeren, verheffen, ja, tot iets groots ontvlammen en aanmoedigen. Maar denk toch niet altijd dat alles wat geen abstracte gedachte of idee bevat, onbeduidend is!'

Deze woorden van de grote dichter en denker zelf moeten vertaler Ard Pos-thuma uit het hart gegrepen zijn. Als één ding de boventoon heeft gevoerd in zijn jarenlange omgang met de 12111 versregels van Faust, dan is het het plezíer in de tekst, in de humor van Goethe, in de moderniteit van het werk. Dat blijkt al uit de gretigheid waarmee hij het boek telkens weer oppakt voor nieuwe voorbeelden.

,,Ik heb Goethe niet leuker willen maken dan hij is, maar het is natuurlijk een buitengewoon geestig werk'', vertelt hij in de serre van zijn Groningse herenhuis. ,,Kijk naar de proloog, waarin een Joop van den Ende-achtige theaterdirecteur, een acteur à la Rijk de Gooijer en een serieuze schrijver met elkaar bespreken hoe het stuk er eigenlijk uit moet komen te zien. Het is een gesprek dat nog steeds volkomen actueel is: De directeur gaat het er alleen maar om dat er zoveel mogelijk mensen komen, terwijl de schrijver zich druk maakt om de artistieke waarde. En dan is al duidelijk wat het zal worden: een allesomvattende soap, een spektakel, een onderhoudend stuk!''

Faust is een van de grote klassieke werken uit de wereldliteratuur. Een levenswerk: Goethe (1749-1832) heeft er gedurende zestig jaar aan gewerkt. Enkele maanden voor zijn dood voltooide hij het tweede deel. Het werk, dat vaak gezien wordt als een poging opkomst, bloei en verval van de westerse cultuur te vervatten, heeft de reputatie een moeilijk, massief en ontoegankelijk werk te zijn en 'typisch Duits' bovendien, wat dat ook moge betekenen. Bijna iedereen ként het werk, slechts weinigen hebben het gelezen.

Het verhaal van de vastgeroeste geleerde Faust, die met zijn duivelse kompaan Mefistofeles zijn studeerkamer verlaat om het echte leven in volle omvang te leren kennen, is gebaseerd op het leven van 'Magister' Georg Sabellicus Faust, die werkelijk bestaan heeft. In de zestiende eeuw trok hij rond in Zuid-Duitsland, noemde zich wonderdokter en vergeleek zijn verrichtingen met die van Jezus. Hij sprak tot de verbeelding, deze kwakzalver, genoot een slechte reputatie maar had tegelijkertijd succes. Al tijdens zijn leven stapelden de verhalen over hem zich op tot een legende. Luther noemde Faust een tovenaar en een bondgenoot van de duivel, schrijft Posthuma in zijn nawoord.

Vele volksboeken verschenen er over Faust, het verhaal waaide over naar Engeland en de eerste die er eind zestiende eeuw een echt drama van maakte was Christopher Marlowe, tijdgenoot van Shakespeare. Bij hem zweert Faust God af, en krijgt hij in ruil voor zijn ziel van Mefisto rijkdom, eer en macht. Veel van deze elementen zijn bij Goethe terug te vinden. Het ligt voor de hand te veronderstellen dat hij het werk van Marlowe kende voor hij met schrijven begon. Maar dat is niet zo. Goethe moet met Faust kennis hebben gemaakt op jaarmarkten en kermissen, waar het als poppen- en marionettenspel in Duitsland een grote populariteit genoot. Daar maakte hij furore als een soort Jan Klaassen, niet als tragische held; de duivelsbezweringen en heksenfeesten boden veel mogelijkheden tot spectaculair gooi- en smijtwerk.

Die invloed van luchtig poppenspel klinkt door Posthuma's vertaling. Met groot gemak wordt de lezer het verhaal binnengetrokken: wie eenmaal begint kan moeilijk ophouden, en dat ligt niet alleen aan de fraaie gebonden uitgave in de Gouden Reeks van Athenaeum met illustraties van Eugène Delacroix en Max Beckmann. Schijnbaar moeiteloos en natuurlijk stapt Posthuma in Goethe's vele variabele versvormen, of het nu alexandrijnen, stanza's, terzinen of zogenaamde 'Knittelverzen' zijn. Hij laat veel van de oorspronkelijke tekst intact maar schroomt niet om moderne uitdrukkingen als 'pulp', 'doelgroep', 'luchtfietserij' of 'Verweggistan' te gebruiken.

,,Het is misschien een provocerende vertaling'', zegt Posthuma. ,,Maar het blijft in mijn ogen een letterlijke ver-taling, omdat ik niet alleen vertaal wat er st t, maar ook wat er gebéurt. Neem de scène in Auerbachs kelder in Leipzig - die overigens nog steeds bestaat - waar Faust en Mefisto aan het begin van hun reis in het eerste deel tussen de dronkelappen belanden. Daar wordt gezongen en gezopen en laat ik een van de figuren 'Olé! Olé! Ohhh-' roepen, waar Goethe schrijft 'Auf! holla! Ho!'. Je kunt zeggen dat er in Goethe's tijd nog geen voetbal bestond en dit soort uitroepen dus ook niet, maar dat is niet van belang. Zo maak je wel duidelijk dat er gejoeld wordt, je laat zien wat er gebeurt. Ik vind dat juist een letterlijke manier van vertalen. Bovendien: het is geen spijkerschrift.''

Het gebruik van moderne uitdrukkingen moet je wel doseren, vindt Pos-thuma. ,,Je hoeft van de schelpenwagen van Galathea geen Porsche te maken. Het werk van Goethe is een caleidoscoop, je kunt er niet één vertaalstrategie op loslaten. Er komen bijvoorbeeld meer dan tweehonderd figuren in het werk voor, die zijn niet allemaal even belangrijk. Het is beter dat die twee regeltjes die ze spreken de geest van Goe-the ademen in plaats van dat ze exacte kopieën zijn van wat er staat. Vaak zijn ze gewoon geestig bedoeld, of zijn het toespelingen op toen al nauwelijks herkenbare tijdgenoten. Maar de eerste scènes van Helena in het tweede deel, die in een oud-Griekse versvorm à la Euri- pides spreekt, heb ik heel braaf omgezet. Zo moet je als vertaler heel flexibel te werk gaan. Ik weet dat Goethe verzot was op anachronismen. Hij laat Faust en Mefisto op een mantel wegvliegen, en verwijst daarvoor naar de voor zijn tijd nieuwste technieken uit de ballonvaart. Daarom ben ik ook niet bang geweest om nieuwe woorden te gebruiken.''

Faust geniet hier te lande een moeizame reputatie. Zo nu en dan trekt een theatergroep het stuk van de plank, maar Goethe lijkt hier nooit echt aangekomen te zijn. Deels is dat volgens Posthuma te wijten aan de ,,truttige'' vertalingen die zo lang hebben gedomineerd: Die van C. S. Adama van Scheltema uit 1911 (deel I) en die van Nico van Suchtelen uit 1920 (deel II). ,,De ver-taling van Van Suchtelen is onleesbaar. En als ik heel arrogant ben, zijn alle andere vertalingen dat ook.''

,,Eigenlijk is het allemaal de schuld van Adama van Scheltema, die afrekende met zijn voorganger, dominee Ten Kate, die een heel leuke en geestige ver-taling had gemaakt - al had hij de vele seksuele toespelingen die het werk bevat zorgvuldig weggemoffeld. Maar hij had ergens 'krant' vertaald met 'Handelsblad', om het aanschouwelijker te maken. Voor Adama Scheltema was actualiseren uit den boze, op eigentijds taalgebruik rustte een taboe. Ik ben tegen een dergelijk purisme, daardoor krijg je een heel steriel Nederlands.''

,,Adama van Scheltema wilde zelfs dat de versregels overal precies even lang waren als bij Goethe, maar dat werkt niet overal. Zo schreef Goethe op diverse plekken in Italiaanse madrigalen, waar de regels in lengte en in rijmschema variëren, afhankelijk hoe de inhoud zich aandient. Het is dus niet zo'n strakke vorm als bij het sonnet. Daar moet je als vertaler dan ook in meegaan. Maar op andere plekken kan het weer niet. Daar waar de Aartsengelen spreken in stanza's (strofen van acht regels waarvan de eerste, derde, respectievelijk de tweede, vierde etc. rijmen, red.) heb je met een rigide vorm te maken, en die volg ik dan ook. Overigens is dat weer zo'n mooi stukje, waar Mefisto eerst probeert God in die stanza's te spreken, maar het al snel opgeeft omdat hij dat niet kan, daar te weinig verheven voor is. Het is een van de vele passages waarin personages afstand nemen tot hun tekst, en die de moderniteit van het werk uitmaken.''

Dat Goethe nooit is aangeslagen in Nederland heeft niet alleen met de kwaliteit van de vertalingen te maken, vermoedt Postuma: ,,Misschien houden wij niet van autoriteiten als 'de grootste Duitse dichter en denker', misschien heeft het nog met de oorlog te maken.'' Faust is door de Duitsers zelf behoorlijk misbruikt. Na 1870 werd hij ingezet om de kunstmatige Duitse eenheid te belichamen. En sindsdien zijn er vele onzin-interpretaties over het werk bij gekomen. ,,De nazi's gingen ideologisch met hem aan de haal door met het 'faustische' in de mens te duiden als een Ãœbermensch-ambitie. Zo werd Faust ineens symbool voor de 'Duitse mens', die streeft naar het hoogste. Maar dat is absoluut niet zo! Het is juist dat hogere wat hem niet bevredigt en wat hij heeft afgezworen. En bovendien mislukken al zijn ondernemingen jammerlijk!''

Een andere misvatting is volgens Pos-thuma dat het werk zo 'typisch Duits' zou zijn. ,,Kijk eens op de website van theaterregisseur Peter Stein, die de gehele Faust het afgelopen jaar in een marathonvoorstelling heeft opgevoerd. Op die website mogen allerlei Duitse prominenten zeggen wat Faust voor hen betekent. De bekende nieuwslezer Ulrich Wickert heeft het daar over 'het meeste actuele Duitse drama vanwege de zoektocht naar het absoluut goede'. Wat een onzin! Faust lijkt meer op het Japanse Kabuki-theater dan dat het een typisch Duits drama zou zijn. Het is zo'n singulier werk, zo surrealistisch en experimenteel. Goethe was geen 'typische' Duitser maar juist een wereldburger, ongelooflijk veelzijdig en onafhankelijk, een heiden, die meer wist van de islam dan de meeste Europeanen nu.''

,,Je hebt veel van die boekjes met spreuken uit Faust, die volstrekt uit hun context zijn gehaald. De passage: 'Wer immer strebend sich bemüht, den können wir erlösen' uit het slot, bijvoorbeeld. Daaruit komt het idee voort dat Faust als beloning voor zijn inspanningen naar de hemel gaat, terwijl alles wat hij doet mislukt en hij een aantal doden op zijn geweten heeft. Faust komt ook helemaal niet tot inzicht, hij heeft niets geleerd van al zijn omzwervingen. Als de Lemuren op het laatst zijn graf graven denkt Faust, de bijna honderdjarige blinde, dat ze bezig zijn zijn land te draineren.''

,,En dan, wat ook grappig is: waarom wordt de ziel van Faust gered? Omdat Mefistofeles even niet oplet en om de tuin wordt geleid, met een trucje. Het is een pure kluchtige scène waarin Mefisto even wordt aangeraakt door de liefde en verliefd wordt op de achterwerken van de engelen.''

De souplesse van de nieuwe vertaling is bedriegelijk: maximaal twintig regels per dag verwerkte Posthuma, die onder andere ook Hölderin naar het Nederlands vertaalde, en werk van Martinus Nijhoff, Gerrit Kouwenaar en Cees Nooteboom naar het Duits, wat ongebruikelijk is omdat Duits niet zijn moedertaal is. Aan Faust had hij nog jaren kunnen sleutelen. Twijfelen doet Posthuma bijvoorbeeld nog steeds over de slotzin 'Das Ewig-Weibliche - zieht uns hinan'. ,,Bij mij staat er nu: Het eeuwig vrouwelijke - is wat ons leidt'. Ja, je zou ' ntrekken' denken maar het is ook een stuwing die van onderen komt . . . Als ik het echt even niet weet, laat ik een bad vollopen, leer de passage uit mijn hoofd, en zak helemaal onder water met het voornemen er niet uit te mogen voor ik de juiste oplossing heb.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden