Review

Een profeet die zich niet laat kennen

Hij is niet langer 'Dichter des Vaderlands' en al helemaal niet meer de gevreesde columnist die feministen, architecten, en nepdichters op de kast jaagt. Gerrit Komrij, dinsdag zestig jaar oud, is een autoriteit geworden. Maar wat heeft hij betekend voor de Nederlandse letteren? En waar was hij zelf op uit?

Jaap Goedegebuure

Afbreken om op te bouwen, en opbouwen om af te breken, binnen dat gesloten circuit vol tweespalt en paradoxen werkt Gerrit Komrij nu al zo'n veertig jaar aan zijn oeuvre. In zijn rol als polemist en criticus hanteert hij de striemende zweep van zijn hoon in de verwachting dat slachtoffers en omstanders er iets van zullen leren, al was het alleen maar dat kwaliteit en schoonheid, van kunst en van leven, respect verdienen. Als dichter heeft hij altijd zijn uiterste best gedaan om de indruk te wekken dat poëzie spel is, weliswaar een spel met complexe regels, dat hoge eisen stelt, maar niet iets om je hele ziel en zaligheid aan op te offeren. De bloemlezer Komrij daarentegen richtte ten gunste van tien eeuwen Nederlandse dichtkunst het ene na het andere monument op. Ten slotte werd dankzij een publieke verkiezing de Dichter des Vaderlands in hem wakker gekust. Wie is nu eigenlijk de echte Komrij, de pamflettist, de pias of de poëet? Herbergt zijn persoonlijkheid ze alle drie, of zijn het niets dan carnavalsmaskers? Komrij zelf zou het laatste maar wat graag doen geloven.

Of hij nu poëzie schrijft of pamfletten, de pias uithangt of zich als polemist opstelt, altijd is er aan het eind een zuigend vacuüm waarin Komrij zijn teksten laat verdwijnen. Elke tragiek lijkt daaraan vreemd te zijn. Altijd is Komrij eropuit te vermaken door te verbazen. Eerst de oo's en aa's van het publiek aanhoren, en dan het verbale vuurwerk beeindigen met een flinke knal en een grote hoeveelheid rook. We mochten eens denken dat hij het ernstig meende, dat hij pretenties had, dat hij zich, in het spoor van Kloos of Lucebert, een god in het diepst van zijn gedachten of, erger nog, een gevallen engel waande. Dan liever de lucht in.

Vliegt dan het boek dat dit gedicht

bevat

Niet acrobatisch dansend uit uw hand,

Als door een windhoos opgetild, totdat

De inhoud zuigend losschiet uit de band?

Ontploft het vers, zodat uw hand

verbrandt?

Zakt u met boek en al in een zwart gat?

De dichter is niet slechts een simulant

Maar hij verbeeldt zich ook nog

wonderwat.

Dat staat te lezen in 'Gesloten circuit', een dichtbundel met een titel die klinkt als een programma. Komrij heeft patent op zulke titels. 'Averechts', 'De gelukkige schizo', 'Onherstelbaar verbeterd', 'Alles onecht', 'Daar is het gat van de deur'; het is maar een handvol aan pakkende en spraakmakende opschriften. Maar de richting die ze wijzen is die van het definitieve verdwijnperspectief, de leegte die blijft nadat de allerlaatste schil van de ui is gepeld en de allerlaatste vermomming afgelegd. Want Komrij houdt er niet van te worden gekend. Komrij heeft een uitgesproken weerzin tegen het opgelegde pandoer dat van de schrijver onthullingen en confidenties verwacht, liefst zo herkenbaar mogelijk, maar tegelijk op smaak gebracht met oud zeer, verse wonden en bittere pillen. Poëzie is in zijn ogen dan ook geen gevoelsexpressie, maar hoogstaand variété, al eindigt dat nog zo dikwijls met een val uit de nok van het circus. Vandaar zijn voorkeur voor de parodie en de pastiche.

Het intiemste stukje van zijn ziel dat Komrij zelf ooit prijsgaf was een gefictionaliseerde autobiografie. Om de paradox extra cachet te geven verscheen die in de Privé-Domeinreeks, het prachtpodium van literaire ikzeggers. 'Verwoest Arcadië' (ook al zo'n typerende titel!) heet dat kwarteeuw oude boek, dat nu, ter gelegenheid van Komrij's zestigste verjaardag, wordt herdrukt. Hoofdpersoon is ene Jacob Witsen. Zijn levensloop mag dan enige overeenkomsten vertonen met die van Komrij zelf, daarmee is beslist niet gezegd dat de een het alter ego van de ander is. Witsen is een masker, een persona om dat toepasselijke Latijnse woord maar te gebruiken, een karakter dat mondjesmaat en 'kiersgewijs', dat wil zeggen uit stukken en brokken, wordt opgebouwd. Pas 'na afloop van dat karwei', zo heet het in de proloog, 'dat kommervolle karwei, zal hij een verleden hebben. Genaaid en ingebonden.' Een verleden als een boek. Geen wonder dat Jacob zijn Arcadië als dichter verlaat. Zingend steekt hij zijn hoofd uit het dakraam en gaat de wereld in, een wereld die ertoe bestemd is op te gaan in een boek.

In weerwil van het gedeelde dichterschap is Jacob Witsen geen evenbeeld van zijn schepper, verre van dat, zelfs geen lachspiegelbeeld. Als hij met al zijn leegte en leugenachtigheid al iets belichaamt, dan is het ten hoogste een idee omtrent het soort schrijverschap dat Komrij voorstaat. Het doen alsof is hem tot natuur geworden: ,,de dierlijke mimicry bleef bewaard in het esthetisch spel, het ging van zinvol naar zinloos, van drift naar beheersing.''

'Verwoest Arcadië' was de eerste 'roman' die Komrij in 1980 publiceerde. Er zouden er meer volgen: 'Over de bergen', 'Dubbelster', 'De klopgeest' en ten slotte, bij zijn zestigste verjaardag, 'Hercules'. Het zijn ideeënconstructies, met dramatiek aangeklede vertogen over de voosheid van de grote woorden, over het waanidee van authenticiteit, over de alomtegenwoordige macht van pretenties. Stuk voor stuk maken ze duidelijk dat Komrij geen romancier is, maar allereerst een auteur die zijn personages als spreekbuis inzet en van plot en handeling niet al te veel werk maakt. Daarmee lijden zijn romans aan een zekere bloedarmoede.

Dat geldt ook voor 'Hercules'. Tim, de hoofdpersoon van die nieuwe roman, is een doorsneefiguur op zoek naar een heroïsch leven in een tijd van vervlakking en vulgariteit. Als een tweede Hercules wil hij grootse daden stellen en wantoestanden wegruimen, van milieuvervuiling tot seksverslaving, en van corruptie tot autobiografische zelfverheerlijking. Het is duidelijk dat hier sprake is van een gemythologiseerd zelfportret, tot en met het bitterzoete slot waarin het fiasco als onontkoombaar wordt aanvaard: ,,De list is om het verval rijping te noemen, de zwerver held, de ruïne schoonheid, de eeuwige achteruitgang vooruitgang en alles wat mislukt geschiedenis.''

Hier spreekt Komrij, eens een gevreesd columnist, maar allengs al meer en meer een pias die niet zozeer afschrikt als wel amuseert. Het noodlot van Multatuli, meer bewonderd te worden om de virtuoze stijl dan geëerd om de boodschap, werd ook Komrij's deel. Komrij vond dat hij om zijn opbouwende afbreekacties, gericht tegen 'de treurbuis' (TV), 'de onwelriekende gleuvenbrigade' (de feministische beweging), de wansmaak van projectontwikkelaars en stadsvernieuwers, en de onkunde van pruldichters en nepauteurs een standbeeld of een eregeld had verdiend.

Toen die uitbleven en weerwerk niet uitbleef, voelde hij zich ernstig tekortgedaan. Had hij soms heiligschennis gepleegd in plaats van zandkastelen en bouwvallen in elkaar te stampen? Was hij dan inderdaad de profeet die in eigen land niet werd geëerd? Zo bezeerd en beledigd voelde hij zich dat hij, naar eigen bewering in elk geval, Multatuli, Busken Huet en W.F.Hermans wilde volgen in vrijwilige ballingschap. Komrij koos enige jaren domicilie in Portugal. Uit de verte konden we af en toe zien hoe hij er in zijn gehuurde palacio de aristocraat van de geest uithing en intussen smachtend wachtte op erkenning, liefst in de vorm van een aansprekende literaire onderscheiding.

Het werd de P.C. Hooftprijs, allerhoogste onderscheiding die voor vaderlandse auteurs beschikbaar is. Helaas kreeg hij hem niet voor zijn lievelingskind, de poëzie, en al helemaal niet voor zijn fictioneel proza. De erkenning viel ten deel aan het narrenpak van de satire, aan de pamfletten en paskwillen. De leeuw werd gelauwerd omdat hij mooi gebruld had, maar voor zijn tanden was niemand nog bang.

En dat terwijl hij toch met al zijn bloed, hoezeer ook uit drukinkt bestaand, allereerst voor de dichtkunst had geleefd. Want zeg nu zelf, wie na eredoctor Victor van Vriesland heeft zoveel gedaan om het lyrische erfgoed van de Lage Landen te conserveren, niet door het klakkeloos te reproduceren in een zoveelste bloemlezing, maar door het daarentegen te herijken, door het licht anders te laten schijnen, niet alleen op de altijd weer geëerde toppen, maar ook op de veronachtzaamde dalen? En toen Komrij werd uitverkoren als de eerste Dichter des Vaderlands, had hij er toen al niet alles aan gedaan om de poëzie een beter aanzien te geven?

Jammer genoeg voor Komrij hebben al die even lang gesmade als gewenste eerbewijzen tot effect gehad dat men hem is gaan zien als de zoveelste autoriteit, een schutspatroon die in het zadel is geraakt nadat hij anderen, de Vijftigers met name, beentje had gelicht. Helaas, het effect van zulke herculeïsche schoonmaakacties duurt meestal niet langer dan tien of vijftien jaar. Degenen die Komrij van de troon had willen stoten, zijn al weer sinds lang gecanoniseerd, Gerrit Kouwenaar voorop.

Niettemin: wat gezegd moet worden, moet gezegd. Komrij's blijvende betekenis ligt in zijn dichterschap, en dan vooral in een enkel aspect daarvan: het maken dat tegelijkertijd breken en vernietigen is.

Hier past geen sarcasme of ironie, integendeel: Gerrit Komrij zou zich wel degelijk moeten verstaan met de door hem vaak gesmade Gerrit Kouwenaar, die ooit zei dat geen enkele vorm van maken ooit kon wedijveren met het doodmaken. Daarom is er tussen hen beiden geen betere brug denkbaar dan de Brug der Zuchten in het oord van de ultieme kunstmatigheid en de tot kunst verheven carnavalsmaskerades, Venetië.

Je zag een roeiboot van het Lido

komen.

De roeier had een glazen staaf als roer,

Twee stokvissen als riemen. Door zijn lome

Slagen leek hij je teder, maar ook stoer.

Zijn aanschijn was welhaast van

paarlemoer.

Zijn ogen zagen stadwaarts als

fantomen,

Zijn lippen rilden woordeloos.

Vervoerd

Leek hij, vervuld van welke weke

dromen?

Je stond te kijken bij de Campanile,

Door een toneelkijker. Je adem stokte.

Hij hees zich, bleek als marmer, op de oever.

Je zag hem zwoegen. Hij bewoog zich stroever

En stroever, totdat hij uiteenviel en

Verging tot zwarte, walgelijke brokken.

Hier manifesteert Komrij zich in zijn boeiendste hoedanigheid. Gehuld in de mantel van de onheilsprofeet en sprekend in een welhaast surrealistische orakeltaal zegt hij ons de apocalyps aan, tot in zijn verste vezels vervuld van walging en fascinatie voor ondergang en afbraak. En hij doet dat, deze flaneur in het helse moeras dat Nederland heet, volgens de welbeproefde regels van de kunst, in het stramien van het sonnet. Kan het opbouwender?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden