Review

Een mooie en vreselijke tijd

Op 11 april 1968 loste een jonge arbeider drie schoten op studentenleider Rudi Dutschke. Dat leidde tot maandenlange onlusten. Veertig jaar na dato blikt Duitsland terug op de gebeurtenissen in dat jaar. Antoine Verbij ziet in de boeken veel verbazing en verbittering.

Antoine Verbij

De boeken zijn o.a. te bestellen bij Die Weisse Rose, Rozengracht 166, 1016 NK Amsterdam. Tel. 020-6383959

Berlijn, Kurfürstendamm, witte donderdag 1968. Studentenleider Rudi Dutschke wil net op zijn fiets stappen wanneer een hem onbekende man hem aanspreekt. ’Bent u Dutschke?’ Het antwoord is ja. Dan trekt de man een pistool, roept ’smerig communistisch varken!’ en vuurt van dichtbij driemaal op Dutschke.

Met bebloed hoofd rent Dutschke ervandoor en verliest in de armen van een vriend het bewustzijn. Een zware operatie redt zijn leven. Elf jaar later sterft hij alsnog aan de gevolgen. De aanslagpleger, Joseph Bachmann, is dan al tien jaar dood. Een brief van Dutschke enkele maanden na de aanslag, had hem van zijn ’misvatting’ overtuigd. Hij pleegde zelfmoord.

Op de avond van de aanslag trekken vijfduizend demonstranten op naar de gebouwen van Springer, uitgever van onder meer het boulevardblad Bild. Zoals hij later ook toegaf was Bachmann mede door de haatcampagne van dat blad tegen Dutschke tot zijn daad gekomen. ’De kogel kwam van Bild’, roepen de demonstranten.

Er vliegen stenen door de ruiten van het Springergebouw, bestelwagens die de kranten moesten rondbrengen gaan in vlammen op, de politie is vrijwel machteloos. Ook in andere steden breken rellen uit. In München komen een student en een fotograaf om het leven. In Frankfurt krijgt de twintigjarige heethoofd Joschka Fischer rake klappen.

Veertig jaar later publiceert Fischer zijn herinneringen aan de acht jaar dat hij Duitslands minister van buitenlandse zaken was. De Kochstraat, waar de aanval op het Springer-gebouw plaatsvond, wordt omgedoopt in Rudi Dutschkestraat. In luttele maanden verschijnen circa twintig boeken over de betekenis van het jaar 1968 voor de Duitse geschiedenis.

In elk van die boeken speelt Dutschke een prominente rol. Zoals in de herinneringen van schrijver Peter Schneider die destijds in de leiding van Dutschkes Socialistische Duitse Studentenbond (SDS) zat. Hij had Dutschke al in 1963 leren kennen. Die was twee jaar eerder, kort vóór de bouw van de Muur, van de DDR naar de Bondsrepubliek verhuisd.

Schneider: „Ik herinner me zijn compacte gestalte en zijn smalle, ongeschoren gezicht met de dicht bij elkaar staande, donkere ogen onder pikzwarte lokken. Hij begon een enorm lange zin, met avontuurlijk over elkaar heen buitelende bijzinnen, en pas na een paar minuten kwam hij bij de punt aan.”

Schneider was niet de enige die onmiddellijk onder de indruk raakte van de bijna Jezus-achtige uitstraling van de overigens diepgelovige Dutschke. Uit de terugblikken op 1968 komt Dutschke naar voren als een charismatisch leider, een bevlogen ideoloog, een bedreven tacticus en een moedig straatvechter in de veldslagen met de politie.

Dutschke groeide in Duitsland uit tot de icoon van ’1968’. In dat roerige jaar namen over de hele wereld studenten de leiding in protesten tegen verkalkte autoriteiten, het onrecht in de derde wereld en de oorlog van de Amerikanen in Vietnam. In Engeland, Frankrijk en Italië, in Japan, Amerika en Mexico streden ze voor een ’wereldrevolutie’ uit naam van de onderdrukte volkeren in Zuid-Amerika, Afrika en Zuidoost-Azië.

Maar hoe wereldwijd die protestbeweging ook was, in Duitsland blikt men dezer dagen vooral terug op de ’bijzondere weg’ die de eigen ’generatie van 68’ bewandelde. Vooral de auteurs die, zoals Peter Schneider, zelf deel uitmaakten van die protestgeneratie, hebben nauwelijks oog voor het internationale karakter van de beweging.

Anderen, zoals de historicus Norbert Frei, die in 1968 nog maar dertien was en daarom te jong om in de ban van Dutschke te kunnen geraken, gaan wel in op die internationale context. Frei wijdt zelfs een heel hoofdstuk aan Nederland en wijst ook, wat zelden gebeurt, op de protestbewegingen in Oost-Europese landen als Polen, Tsjechoslowakije en de DDR.

Ook de even oude journalist Reinhard Mohr profiteert in zijn terugblik op de generatie van 1968 van de distantie tot het onderwerp. Maar anders dan veel vertegenwoordigers van jongere generaties zet hij zich niet af tegen de 68’ers. Integendeel: „Mijn vrienden en bekenden uit die generatie behoren tot de meest ontwikkelde en verstandigste mensen die ik ken”, schrijft hij. „Ze hebben dan wel hun beste eigenschappen een tijd lang begraven onder holle leuzen en partijprogramma’s, maar op z’n laatst op hun veertigste zijn ze tot inkeer gekomen. Ze spelen weer piano, houden van opera en literatuur, doen aan geschiedschrijving, bepalen de buitenlandse politiek, geven de verzamelde werken van Hölderlin uit en koken ingewikkelde menu’s voor tien personen.”

En – zo kan men daar nu aan toevoegen – blikken met verwondering en verbittering, schuld en schaamte, frustratie en irritatie terug op de ’waan’ waaraan ze destijds ten prooi waren. „We beleefden de tegenspraken van die tijd aan ons eigen lijf”, schrijft Gerd Koenen, die na de ineenstorting van de studentenbeweging in 1969 voorman werd van een strenge maoïstische partij.

„Je deinde mee op stromingen die je niet in de hand had, hoe ’bewust’ je ook was. Uit een prettig hedonisme ontstond van de ene dag op de andere een puriteinse ernst, uit egalitarisme elitarisme, uit een antiautoritaire houding een hang naar autoriteit, uit een pacifistisch antimilitarisme een cultus van revolutionair geweld.”

Wolfgang Kraushaar, die destijds ijverig maar niet al te fanatiek meedemonstreerde, heeft al heel wat publicaties over Rudi Dutschke, de generatie van ’68 en het linkse terrorisme op zijn naam staan. Zijn huidige terugblik heet dan ook heel deftig ’Een balans’. Op Duits-academische toon recapituleert én relativeert hij wat hij eerder al beweerde.

Enkele jaren geleden baarde Kraushaar opzien toen hij met documenten aantoonde dat Dutschke het gebruik van revolutionair geweld al bepleitte toen er van links terrorisme nog lang geen sprake was. Nu benadrukt hij echter dat Dutschke onderscheid maakte tussen geoorloofd geweld tegen zaken en ongeoorloofd geweld tegen personen.

Ook het dubieuze nationalisme waarvan hij Dutschke eerder beschuldigde – Dutschke ijverde voor een revolutie die de beide Duitslanden weer zou verenigen – ziet hij nu genuanceerder. Hij maakt duidelijk verschil tussen Dutschkes ideeën over een socialistische Duitse staat en het radicalere nationalisme van zijn toenmalige kameraad Bernd Rabehl, die uiteindelijk bij het neonazisme uitkwam.

Terwijl Kraushaar in zijn kritiek op Dutschke duidelijk gas terugneemt, haalt de historicus Götz Aly extra hard uit. Aly wijst op Dutschkes twee gezichten: enerzijds de democratische hervormer, die opriep tot een ’lange mars door de instituties’, anderzijds de ’haatprediker’, die het over de ’propaganda van de kogels’ had en in zijn dagboeken mijmerde over ’veiligheidstroepen’ met ’knuppels en molotovcocktails’.

Van alle boeken over 1968 is dat van Aly het meest uitdagend. Zijn kritiek op de generatie van 68 is meedogenloos, even meedogenloos als zijn zelfkritiek. De ex-maoïst Aly bekent zich destijds blindelings achter Dutschke te hebben geschaard, maar vindt diens idealen nu ’stinken naar de fantasieën van de grootste Führer aller tijden’.

Aly is een van de weinige beschouwers die met verrassend materiaal komen. Zo onderzocht hij hoe destijds liberale professoren op de studentenprotesten reageerden. Hoewel ze vaak zelf doelwit van kritiek waren, hadden ze het beste met de studenten voor en waarschuwden ze hen voor de totalitaire valkuilen in hun ideologie. Maar die bezorgdheid was aan verblinde wereldverbeteraars als Aly destijds niet besteed.

Aly betoont zich van alle auteurs het meest schuldbewust. Peter Schneider, die in zijn terugblik zijn oude dagboeken citeert en becommentarieert, heeft een mildere kijk. Daar heeft hij ook recht op, want hij was destijds de eerste van de protestgeneratie die afstand nam van de revolutionaire waan. In 1973 schreef hij de roman ’Lenz’ over het falen van de utopie, een roman die ook de Nederlandse studentenbeweging wakker schudde.

„Het was een mooie en verschrikkelijke tijd”, schrijft Schneider nu in zijn epiloog en vervolgt met een boodschap aan zijn kinderen: „Het zal altijd weer nodig zijn en moed vergen om tegen zelfbenoemde heersers te rebelleren. Maar het zal nog meer moed vergen om, wanneer nodig, in opstand te komen tegen de leiders in eigen kring en tegen hen te zeggen: ’Zijn jullie helemaal gek geworden!”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden