Een loopje met de geschiedenis

Door de eeuwen heen is de geschiedenis ge- en zelfs misbruikt, tot meerdere eer en glorie van een volk of van een koning. De Utrechtse historicus Pieter Geyl wist dit fenomeen een halve eeuw geleden al te ontleden. De Canadese historica Margaret MacMillan noemt in haar nieuwe boek talrijke voorbeelden : over de zwarte Socrates, het Afrikaanse Athene en keizer Saddam.

De kleine slag rondom het Nationaal Historisch Museum, past die in het rijtje van de Slag bij het Merelveld? De slag uit 1389 wordt tot op heden door de Serven misbruikt als nationaal en christelijk cultureel symbool, want als zij indertijd de Turken niet hadden aangepakt dan was Europa onder de voet gelopen door de islam.

De slag staat voor wat de Duitsers gründungsmythen noemen, plaatsen waar de eigen historie zogezegd begon, zoals in Duitsland de slag bij het Teutoburgerwoud dat was, waar de Germaan Hermann -- van het Hermanssdenkmall -- de Romeinen versloeg in 9 na Chr. Allerlei grote Duitse en Servische misdaden uit naam van natie en volk zijn met genoemde slagen gerechtvaardigd. De slagen zijn wat men noemt schoolvoorbeelden van misbruik van de geschiedenis.

Het theater rond het Nationaal Museum in een adem noemen met dergelijke beladen gebeurtenissen is vanzelfsprekend wat te veel eer. Er zijn immers geen slachtoffers te betreuren -- hooguit kost het drama een paar carrières -- en de verwachting is ook niet dat het polderende en nivellerende karakter van Nederland over een aantal decennia opgehangen wordt aan de slag om Arnhem van 2009.

De slag, of beter gezegd het geschiedenisoorlogje, raakt wel aan de mythe van Nederland als bestuurlijke praatgroep en zou als zodanig tekenend kunnen zijn voor ons zelfbeeld. Maar dat deze misbruikt zal worden ten bate van een rigide vaderlandbeeld, of dat de inhoud van het museum straks aanleiding geeft tot oneigenlijk operationaliseren van de historie, het is onwaarschijnlijk. Misbruik van de geschiedenis heet in Nederland een taboe te zijn, en zelfs gebruik roept weerstand op -- denk aan Balkenende die het om zijn oren kreeg na zijn oproep tot herstel van de VOC-mentaliteit.

’Gebruik en misbruik van de geschiedenis’ in de moderne tijd is het onderwerp van het gelijknamige nieuwste boek van de Canadese historica Margaret MacMillan, die eerder een superieur boek schreef over 1919, toen Europa net bijkwam van de Eerste Wereldoorlog. Het kan toeval zijn, maar Nederland komt er nauwelijks in voor. De oorzaak daarvoor lijkt eenvoudig: het Nederland van na de Tweede Wereldoorlog ontbeert een eenduidige historische gründungsmythe. Alle belangstelling voor de geschiedenis ten spijt zijn we een land zonder een Slag bij een Merelveld, dat naarstig op zoek is naar een herkenbaar verleden waarover we het -- nog voordat er een Museum is -- al niet eens kunnen worden.

Dat het ooit anders is geweest, blijkt ook uit een oud boekje met een gelijknamig thema en zelfs eens gelijkluidende titel als het werk van MacMillan. Het gaat om een bundeling lezingen uit 1954 van Pieter Geyl, de Utrechte historicus die geschiedenis ooit ’een discussie zonder eind’ noemde -- en die daarmee uitstekend in de Nederlandse praatcultuurtraditie lijkt te passen, hoewel hij zijn uitspraak op wetenschappelijke gronden deed in een boek over Napoleon.

Geyl onderscheidt een paar hoofdtypen gebruik die in misbruik kunnen veranderen. Tot ongeveer 1800 diende de historie ter bevestiging van de macht. Keizers, koningen en kleinere vorsten, ze hadden allemaal een verre voorvader die probleemloos hun existentie legitimeerde, alsof Karel de Grote hen hoogstpersoonlijk de koningsmantel had omgedaan, zo wilde menig keizer van het heilig roomse rijk eeuwen later nog doen geloven. Het gezag was gegeven door God en door de Geschiedenis. Zelfs het opstandige zestiende- en zeventiende-eeuwse Nederland rechtvaardigde zijn eigen bestaan door het verleden, door de zogenoemde Bataafsche Mythe. ‘De Vergadering’, daar heb je die praatcultuur alweer, was het hoogste gezag, ook al bij de Germanen, schreef Grotius in zijn ’De Antiquitate Batavorum’.

Aan deze vaak onhistorische zelflegitimatie kwam een einde met wat Geyl de ’revolutie tegen de geschiedenis’ noemde, ofwel met de Franse Revolutie, die niet toevallig zichzelf situeerde in een nieuw jaar Eén. Die revolutie veroorzaakte niet alleen een omwenteling in de samenleving, ook het denken over geschiedenis veranderde. Maar doen alsof er geen verleden bestaat is zelfbedrog, concludeerde de Engelse filosoof Edmund Burke in reactie op het revolutionaire verwerpen van alle voorafgaande historie. Er is, schreef hij, een tijd voor ons en een tijd na ons, en de kunst is om het goede te behouden en door te geven.

De geschiedenis was van statisch dynamisch geworden, ontwikkeling zou als begrip en als doel de geschiedschrijving gaan domineren. Elke periode had zijn eigen hartslag. Dat betekende evenwel niet dat de historie niet meer rechtvaardigde, alleen: in plaats van een legitimerende stilstaande gouden tijd kwam groei als het toverbegrip. Het ging ergens naartoe, dat ’bewees’ de historie (voornamelijk draaide deze uit op het ontstaan van de heerlijke eigen natie, in Duitsland, in Frankrijk en op eigen beperktere wijze in Nederland). Meer begrip voor het verleden zelf garandeerde echter niets. Gebruik en misbruik moesten voortaan aan strengere ’wetenschappelijke’ eisen voldoen, schreef Geyl, en dat was, ondanks alle gebreken, winst.

Waar Geyl min of meer ophoudt, gaat MacMillan verder. In haar anekdotenrijke boek wemelt het van voorbeelden van twintigste-eeuws gebruik en misbruik van de geschiedenis, dat ook in de negentiende of zelfs vóór de achttiende eeuw plaats had kunnen vinden, toen historie een eredienst was aan de zittende magistratuur. Zo is er Saddam Hoessein, die zichzelf op een lijn zet met Nebukadnezar, en zijn er Israëliërs die de tempel van Salomo niet honderd jaar ouder gedateerd willen hebben, omdat deze dan een niet zuiver Joodse, maar algemene woestijnvolkse aangelegenheid wordt met alle gevolgen van dien voor de Israëlische stichtingsmythe.

Verscheidene voorbeelden uit MacMillans boek komen uit voormalig gekoloniseerde landen, waar moderne ’westerse’ geschiedschrijving nauwelijks bestaat of uit halve dictaturen, waar wetenschap hyperkritisch gevolgd wordt door de macht. Het verhaal bijvoorbeeld van de Turkse historicus die het 250.000 personen tellende volk van de Lazi helpt de natie Lazistan uit te vinden, en die vervolgens door de overheid wordt vervolgd, is bijna te mooi om waar te zijn. Maar het verontrustende is dat er ook in het vrije Westen voorbeelden zijn van veel boter op het hoofd aangaande historische kwesties. Zo is er een Britse hoogleraar dovengeschiedenis die het heeft over het ’imperialistische oralisme’ in de westerse cultuur. En zijn er in Amerika zwarte linguïsten die beweren dat Athene oorspronkelijk een Afrikaans woord is en dat Socrates zwart was, want er bestaat een beeld van hem waarop hij een platte neus heeft.

Nu kunnen voorbeelden als deze gelden als bedrijfsongevallen die nu eenmaal horen bij jonge emancipatiegeschiedenis. Lastiger wordt het als de geschiedenis, zoals MacMillan schrijft, door een culturele meerderheid ’wordt opgevat als een reeks morele lessen die worden gebruikt om de groepssolidariteit te versterken’. Er is, schrijft zij, reden tot zorg bij de roep om ’patriottisch geschiedenisonderwijs’, zoals door de vroegere Britse premier Margaret Thatcher, en onlangs door Gordon Brown herhaald. MacMillan waarschuwt dat een dergelijk streven -- het verbinden van burgerschap aan kennis van eigen cultuur en geschiedenis -- gemakkelijk kan leiden tot manipulatie van de geschiedenis, tot reductie tot een simpel verhaal van goed en fout.

In onze tijd wordt, net als in de negentiende eeuw, weer veel van de historie gevraagd. En ook al rust op misbruik openbare bestraffing in krantenkolommen en wordt gebruik kritisch bezien, de geschiedenis, zo hoopt men stilletjes in Den Haag, kan de burgerlijke grondtoon van onze in de war zijnde natie bevestigen. De vraag is hoe historici met verwachtingen als deze om moeten gaan. „De historische noties van het publiek zullen altijd één of meer tempo’s bij die van de geleerde wereld achterblijven”, schreef Geyl, die achter ’de natuurlijke verstrooidheid’ van de krantenlezer ’positieve tegenzin’ in het loslaten van de mythe proefde. ’Kritiek, onbevreesde kritiek zonder omzien naar volk of natie’ was de eerste plicht van de historicus, aldus Geyl.

MacMillan komt tot een gelijksoortige conclusie. Musea zijn er om ’controverses’ te vertellen, want geschiedenis „behoort niet geschreven te worden om de huidige generatie een goed gevoel te geven, maar om ons eraan te herinneren dat menselijke aangelegenheden gecompliceerd zijn”.

Haar boek is verplichte kost voor beleidsmakers, museumdirecteuren en kamerleden en voor alle Nederlanders die uit de geschiedenis alsnog een Nederlands Slag bij een vaderlands Merelveld hopen te plukken.

Begin deze week herdachten Serven in Kosovo de Slag bij Merelveld uit 1389, vlakbij de hoofdstad Pristina. Zij namen het zes eeuwen geleden toch maar mooi op tegen de islam. ( FOTO REUTERS)
Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 de Persgroep Nederland B.V. - alle rechten voorbehouden