Review

Een krullekop met een reusachtig IQ en maar een onsje medegevoel

Albrecht Fölsing: Albert Einstein. Suhrkamp, Frankfurt a. M. (imp. Nilsson & Lamm); geb., geïll., 959 blz. - Fl. 102,20. Roger Highfield & Paul Carter: The Private Lives of Albert Einstein; Faber & Faber, Londen (imp. Nilsson & Lamm); geb., geïll., 355 blz. - Fl. 55,35 (Nederlandse vertaling door Jan van de Craats: 'Het verborgen leven van Albert Einstein; Aramith, Bloemendaal; pb 368 blz. - Fl. 49,90).

BAS DEN HOND

Over Einstein komen we hoe langer hoe meer te weten. Alles wat de man ooit op papier heeft gezet, wordt vanuit Princeton in een gestage stroom delen van de 'Collected Papers' aan de wereld beschikbaar gesteld. En twee recente boeken, het bovenbeschreven 'Albert Einstein' en het roddelboek 'The Private Lives of Albert Einstein', voldoen aan de kennelijk door eerdere boeken nog niet gestilde honger naar biografieën.

'Albert Einstein' is een eerlijk boek. Het begint bij het begin en werkt methodisch door Einsteins leven heen, vertellend wat er te vertellen valt, uitleggend waar uitleg dringend nodig is en weglatend waar gegevens ontbreken. Dat betekent automatisch dat je geen intimus van de beroemde natuurkundige wordt, want hoeveel hij ook geschreven heeft, aan vrienden, collega's, autoriteiten en geliefden, wat hem bewoog wordt alleen indirect duidelijk. Albrecht Fölsing laat de feiten, de woorden en manoeuvres voor zichzelf spreken, voorzover ze dat kunnen.

En zo komen we dus niet werkelijk te weten hoe de relativiteitstheorie ontstond. In onmogelijke omstandigheden, dat in ieder geval. Het begin van de wetenschappelijke carrière van Einstein was een ramp. Na zijn afstuderen aan het Polytechnicum in Zürich (de latere Eidgenössische Technische Hochschule) rekent hij vast op een aanstelling als assistent. Vanuit die positie schreef je normaal gesproken je proefschrift en kon je de verder komen op de academische ladder.

Dat het Einstein niet lukte die eerste sport te nemen, kwam niet door gebrek aan talent, maar door zelfoverschatting en slecht 'netwerken', zoals we dat tegenwoordig zouden noemen. Een verbeten inhaalmanoeuvre voerde hem via het leraarschap en een klerkenbestaan op wat sindsdien het beroemdste patentbureau ter wereld moet zijn, via een ongelukkig professoraat in Praag tot het lidmaatschap van de Kaiser Wilhelmgesellschaft in Berlijn, en daarmee tot de wetenschappelijke elite van Europa.

Fölsing speculeert dat het werk op het patentbureau, waar Einstein tot taak had uitvindingen te beoordelen op originaliteit en uitvoerbaarheid, zijn geest gescherpt heeft op een manier die een natuurkundige met een meer conventionele levensloop niet gegeven was. Het is maar één van de pogingen om het ongewoon diepe inzicht van Einstein in natuurkundige problemen te verklaren. Maar het enige wat we zeker weten is, dat hij tussen zijn werkzaamheden op kantoor door nadacht en correspondeerde over twee belangrijke openstaande problemen in de natuurkunde. En aan de wieg stond van doorbraken in beide.

De quantummechanica en de relativiteitstheorie zijn sindsdien vaste bestanddelen van het wereldbeeld dat de fysica te bieden heeft. Allerlei natuurkundige grootheden kunnen niet in willekeurig kleine hoeveelheden worden bestudeerd, maar blijken per se in brokjes te moeten bestaan. En bij dat bestuderen kunnen de ruimte en de tijd niet als afzonderlijke grootheden worden behandeld, waardoor snel bewegende deeltjes niet meer doen wat onze door straatvoetbal of tennis gevormde intuïtie verwacht.

Jammergenoeg zijn de quantummechanica en de relativiteitstheorie het niet helemaal eens over hoe de wereld in elkaar zit. In het natuurkundige spraakgebruik wordt de relativiteitstheorie zelfs gerekend onder de 'klassieke natuurkunde', natuurkunde die het brokjeskarakter van de natuur negeert en dus hoogstens een benadering van de werkelijkheid kan zijn. De relativiteitstheorie is kennelijk nog niet af.

Einstein zag dat anders. Volgens hem was juist de quantummechanica, die hij met zijn proefschrift over het foto-elektrisch effect zelf had helpen grondvesten, niet af. De grote rol die het toeval in die theorie speelt, en de fundamentele beperking die het onzekerheidsprincipe van Heisenberg oplegt aan de nauwkeurigheid waarmee je alles over een natuurkundig systeem kunt weten, maakten het voor hem een lelijke, incomplete theorie.

Dus bleef hij zoeken naar een betere. En hij bleef dat doen op de manier die hem eerder zulke prachtige resultaten had bezorgd: via de wiskunde. De relativiteitstheorie had veel te danken aan de kracht die het wiskundige begrip symmetrie inbracht. Enkele eenvoudige eisen van symmetrie die Einstein stelde aan een systeem dat de voortplanting van het elektromagnetische golven beschrijft, leidden 'vanzelf' tot een theorie die zowel elegant was als waar: de relativiteitstheorie. Die volgorde heeft hij de rest van zijn leven proberen aan te houden.

Langzaam maar zeker verdreef hem dat uit het centrum van de natuurkunde. Keer op keer komt in het boek van Fölsing tot uiting hoe hij met diepe eerbied en tegelijk wetenschappelijke onverschilligheid werd aangehoord als hij weer een college gaf over de leemten in de quantumtheorie en zijn laatste pogingen om een nog algemenere theorie te scheppen, zonder dat vermaledijde toeval. En hoe hij er telkens toch weer achter moest komen dat hij was vastgelopen.

Van teleurstelling horen we dan niet veel, al moet het in huize Einstein wel het gezelligst zijn geweest wanneer hij goede hoop had. “Albert werkt zoals hij nog bijna nooit gewerkt heeft”, schrijft zijn tweede vrouw, Elsa, in 1930. “Hij heeft een geweldige theorie bedacht. Hij wordt steeds mooier, dag na dag. Als hij nu maar waar blijft!”

De lezer vermoedt dat Einstein ofwel een olifantshuid had, ofwel troost vond in andere zaken, en dus meer uit gewoonte zo hard met zijn wiskundige ondernemingen in de weer was. Wat weer past in het beeld van de man die zich steeds vaker bezighield met de wereld buiten de studeerkamer. Hij gebruikte zijn maatschappelijk aanzien in dienst van het pacifisme, van het zionisme, en van zijn eigen kas - wat heel legitiem was, omdat zijn riante salaris in marken buiten de Duitse grenzen weinig meer voorstelde.

Ook vrouwen hielden hem bezig: ze kwamen op hem of zijn reputatie af, en een trouwe echtgenoot was hij niet. Daar gaat vooral 'The Private Lives' over, maar dat puur op zijn slechte karakter gerichte werkje heb je niet nodig om over deze kant van Einstein ingelicht te worden. Ook de Duitse biografie doet hem niet sympathieker lijken dan hij was. Al vanaf het zonder veel commentaar verdwijnen van zijn eerste kind, geboren nog voor hij met Mileva Maric kon trouwen en vermoedelijk ter adoptie afgestaan, kun je weten dat er onder die lieve krullekop behalve een reusachtig IQ ook een stalen wil en maar een onsje medegevoel zat. Een roemrijk leven later blijkt Einsteins zoon psychisch ziek. Hij laat hem goed verzorgen in een inrichting, maar bezoekt hem nooit weer.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden