Review

Een huissloofje neemt wraak

Nóg beter dan Sándor Márai schreef zijn land- en tijdgenoot Dezsö Kosztolányi. Zijn onlangs vertaalde 'Anna' is een grootse roman, waarin een dienstbode gruwelijk wraak neemt op haar hardvochtige werkgevers. En die waren juist zo ingenomen waren met de ijverige, bescheiden Anna.

Schrijvers kun je bewonderen om de rijkdom van hun taal en om hun complexe zinnen. Thomas Mann en Marcel Proust bijvoorbeeld. Maar je kunt ze net zo goed bewonderen om het tegendeel, hun eenvoudige en trefzekere stijl, hun proza waarin geen woord te veel staat. Anton Tsjechov en Willem Elsschot behoren tot deze categorie en wat mij betreft ook Dezsö Kosztolányi, de grootste Hongaarse schrijver van de vorige eeuw. Van de wonderbaarlijke Kosztolányi is een veelzeggende anekdote overgeleverd. Als tijdschriftredacteur ontving hij ooit een aanstormend talent dat net een prozagedicht had ingeleverd waarin uiterst bloemrijk een zonsondergang werd beschreven. Kosztolányi sleutelde wat aan het fragment, streepte adjectieven weg, hield metaforen tegen het licht en kortte de tekst zodanig in dat er uiteindelijk slechts één zinnetje over bleef: 'Het werd avond'.

Dezsö Kosztolányi beschikte over een legendarisch taaltalent; al op jonge leeftijd vertaalde hij Shakespeare, Goethe en Baudelaire in het Hongaars, later publiceerde hij studies over stijlleer en taalverzorging. Maar hij is toch vooral beroemd geworden als dichter, novelist en romanschrijver; Péter Esterházy noemt hem 'de meest elegante' van alle Hongaarse auteurs. Kosztolányi groeide op binnen een burgerlijk-intellectueel milieu in Subotica, de Noord-Servische stad die vroeger tot de Habsburgse monarchie behoorde, en studeerde enige jaren filosofie in Boedapest en Wenen alvorens zich volledig aan de literatuur en journalistiek te wijden. Op vrij jonge leeftijd overleed Kosztolányi aan de gevolgen van kanker.

Zijn werk is niet makkelijk te plaatsen. Enerzijds was hij gefascineerd door decadentie en verval, zoals blijkt uit zijn sublieme verhalencyclus 'Kornel Esti' en zijn geestige en speelse historische roman 'Nero' uit 1922, die door Thomas Mann en André Gide zeer werd bewonderd. Anderzijds maakt hij gebruik van moderne middelen als innerlijke monologen en perspectiefwisselingen en heeft hij bijna altijd een voorkeur voor verschoppelingen en outsiders, voor de kleine man of vrouw, die hij met een opvallend inlevingsvermogen beschrijft. Medelijden is misschien wel zijn centrale thema. In 'Leeuwerik' (1924) kruipt hij in de huid van een door haar uiterlijk benadeelde jonge vrouw, en in 'Anna' (1926), zijn mooiste en zojuist heruitgegeven roman (de eerste Nederlandse editie verscheen vrijwel onopgemerkt zo'n kwart eeuw geleden), staat het leven van een uit de provincie afkomstige dienstbode in Boedapest centraal.

Kosztolányi's herontdekking is geen toeval en heeft alles te maken met het internationale succes van zijn Hongaarse tijdgenoten. Deze schrijver is echter van een heel ander kaliber dan Sándor Márai of Antal Szerb. Márai heeft twee sublieme autobiografische werken geschreven, 'Land, Land!...' en het nog niet vertaalde 'Bekentenissen van een burger'. Maar zijn romans 'Gloed' en 'De erfenis van Eszter' zijn nogal stereotiep van opbouw (het telkens opvoeren en onderbreken van de spanning) en melodramatisch van toon, terwijl de rest van zijn oeuvre nog van aanzienlijk minder niveau is. Toch overschrijdt hij nergens de grenzen van de kitsch, wat van de onlangs eveneens vertaalde Antal Szerb lang niet altijd gezegd kan worden.

Vergeleken met hen is Kosztolányi ontegenzeggelijk subtieler en geraffineerder, al zal dit de verkoopcijfers waarschijnlijk eerder benadelen dan bevorderen.

'Anna' speelt zich af in Boedapest gedurende het najaar van 1919, een uiterst woelige tijd voor de Hongaren; het land is na de Eerste Wereldoorlog uiteengevallen en de communistische Radenrepubliek van Belá Kuhn moet weer snel plaats maken voor het rechtse bewind van admiraal Horthy. Zijdelings geeft Kosztolányi een fraai tijdsbeeld van deze overgangsfase. Toch gaat het in de roman om iets heel anders. Centraal staat het echtpaar Vizy, door en door standsbewuste burgermensen; de man bekleedt een hoge post als regeringsambtenaar en heeft door zijn aanpassingsvermogen ('zelfs in zijn slaap bleef hij een tacticus') de moeilijke tijd zonder kleerscheuren doorstaan. Na lang zoeken heeft het echtpaar een dienstbode gevonden, de uit de provincie afkomstige en nog geheel onbedorven Anna. Het meisje is de droom van iedere Boedapester burgervrouw: hardwerkend tot aan zelfopoffering toe, bescheiden en met weinig tevreden; twee keer per maand krijgt ze op zondagmiddag een paar uur vrij om met collega-dienstmeisjes een wandeling te maken.

Het echtpaar Vizy, dat al heel wat dienstboden heeft versleten, is uiterst ingenomen met Anna, al laat men dit tegenover het meisje niet blijken. Anna wordt als een huissloofje behandeld. Negen maanden lang lijkt alles goed te gaan, tot het Anna plotseling te veel wordt en ze op een nacht het echtpaar Vizy met een keukenmes vermoordt. Een voor iedereen onbegrijpelijke daad, zelfs voor de psychologen van de rechtbank.

Kosztolányi weet de onderdrukking van het dienstmeisje uitstekend voelbaar te maken. Een zwart-wit beschrijving gaat hij daarbij subtiel uit de weg en zelfs het echtpaar Vizy wordt niet helemaal in negatieve termen beschreven; in zekere zin, zo laat Kosztolányi doorschemeren, zijn ze het slachtoffer van de omstandigheden want hun leven is door de dood van hun enige kind uit balans geraakt - mevrouw Vizy zoekt regelmatig troost in spiritistische bijeenkomsten. Maar ook tegenover Anna verhoudt Kosztolányi zich geheel onpartijdig - als een moderne Flaubert. Gaandeweg krijg je medelijden en ontwikkel je zelfs enige sympathie voor deze tengere boerendochter met de mooie ogen, die zeer zwijgzaam en teruggetrokken is en bijna een autistische indruk maakt. Halverwege de roman wordt ze verleid door een neef van de Vizy's namens Jancsi, die haar een abortus aanbeveelt en haar later geen blik meer waardig keurt.

Deze Jancsi, een dandy en losbol van de bovenste plank, is een van de sterke bijfiguren in 'Anna'; hoofdstuk twaalf ('Een wilde nacht'), waarin hij Anna tot zijn minnares maakt, behoort tot de onbetwiste glansstukken van de roman. Een andere opvallende bijfiguur is de idealistisch-ziekelijke dokter Moviszter, de buurman van het echtpaar Vizy, die het later tijdens de rechtszitting (Anna wordt tot vijftien jaar tuchthuis veroordeeld) als enige voor het dienstmeisje opneemt. ,,Ze hebben een machine van haar gemaakt (...) Ze hebben haar onmenselijk behandeld.''

'Anna' fonkelt in het detail, zoals altijd bij de meesterlijke stilist Kosztolányi. Op bijna iedere bladzijde verrast hij met subtiele waarnemingen, mooie beelden en fijne humor. De grondtoon van de roman is licht ironisch, bijna laconiek en als het ware moeiteloos geschreven - alleen de hele groten kunnen dit. Wat vreemd dat deze schrijver in Nederland zo lang onbekend is gebleven. Maar daar komt nu gelukkig verandering in: de uitgever kondigt meer boeken van Dezsö Kosztolányi aan.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden