Review

Een hoofdstad in aanbouw

Tot de helft van de 19de eeuw was het kwakkelen met Amsterdam. Toen begon de opgang, met dank aan Thorbecke – en andere niet-Amsterdammers. De stad werd een spoorwegknooppunt, er kwam een kanaal naar de Noordzee, en het Atheneum Illustre mocht zich universiteit noemen. Maar kon ze zich een hoofdstad noemen?

Jan Kuijk

Het is duidelijk. Remieg Aerts en Piet de Rooy hebben het bij het schrijven van het derde deel van de nieuwe grote Amsterdamse stadsgeschiedenis moeilijk gehad met het begrip ’hoofdstad’, in de grote Van Dale omschreven als ’de (voornaamste) stad van een land of gewest, waar de algemene, resp. provinciale regering zetelt’. Dat slaat dus niet op Amsterdam. Sterker, geen van de Nederlandse steden zou zich volgens deze definitie landshoofdstad mogen noemen. Den Haag bijvoorbeeld herbergt wel een regering, maar is allerminst de voornaamste stad van het land.

Met de moed der optimisten hebben Aerts en De Rooy hun werk toch maar de ondertitel ’hoofdstad in aanbouw 1813-1900’ meegeven, zich legitimerend met de papieren die koning Lodewijk Napoleon in 1806 de stad gegeven had. Koning Willem I had dat in 1813 nog eens bevestigd, maar in 1814 was het uit met de pret. België kwam er opeens bij en kiezen tussen Amsterdam en Brussel was op dat ogenblik te veel gevraagd van de machthebbers.

Thorbecke heeft in 1848 de kans voorbij laten gaan deze omissie te herstellen. Integendeel. Hij verzekerde nog in 1851 de Tweede Kamer dat ’zo Amsterdam in de tegenwoordige toestand het hart, de hartader van het land moet worden genoemd, dat hart en die hartader tamelijk flauw kloppen’. Aerts, die de eerste helft van de 19de eeuw voor zijn rekening neemt, probeert Thorbecke’s harde oordeel over die vertraagde hartslag feitelijk wat af te zwakken, maar helemaal overtuigend klinkt het niet.

De verklaring voor het kwakkelen zoekt Aerts in de mentaliteit van de oude Amsterdamse elite, die zich aanvankelijk geheel op de Gouden Eeuw richtte en als Potgieter (en een van onze tijdgenoten) droomde van Jan Compagnie en ’de geest van de VOC’. Het is gek genoeg Thorbecke, de diagnosticus van de vertraagde hartslag, die in dit relaas naar voren komt als de prins die de schone slaapster aan het IJ wekt, en dan krijgt Piet de Rooy de dankbare taak het verhaal voort te zetten.

Het keerpunt legt hij bij 1851. Thorbecke’s gemeentewet van dat jaar gaf ook anderen dan leden van de oude Amsterdamse geslachten gelegenheid zitting te nemen in de gemeenteraad. Hoe beperkt het kiesrecht dan nog is, er is in elk geval wel sprake van nieuw bloed. Maar het was ook aan Thorbecke’s persoonlijk en tamelijk hardhandig ingrijpen uit 1864 te danken dat de stad 25 jaar later, in 1889, een gigantisch spoorwegknooppunt op drie kunstmatige eilanden in het IJ kreeg, nadat Thorbecke eerder, in 1862, de Tweede Kamer had weten te overtuigen een subsidie te geven voor de Kanaalmaatschappij om ’Holland op z’n smalst’ (de duinenrij bij Velsen) door te graven.

Ook aan Thorbecke’s wetgeving op onderwijsgebied had Amsterdam in die jaren van opgang veel te danken, onder andere omdat (nu op initiatief van de gemeente zelf) het oude Atheneum Illustre in 1877 eindelijk de status van universiteit kreeg.

Thorbecke is niet de enige naam in De Rooys relaas. De opkomst van Amsterdam in de tweede helft van de 19de eeuw, zo maakt hij duidelijk, is vooral een zaak van niet-Amsterdammers geweest of anders van de import-Amsterdammers die op de prille opbloei van de stad afkwamen en daar, als het zo uitkwam, het hunne verder aan hebben bijgedragen. Pas toen de oude elite weer bij de les geroepen was, ging zij eveneens aan de slag met zoiets als een Concertgebouw en -orkest of een Stedelijk Museum.

De Rooy kan het overigens niet nalaten even over de grens van 1900 heen te kijken naar 1903, het jaar van de opening van de Beurs van Berlage – voor De Rooy een verwijzing naar ’het klassieke republicanisme uit autonome stadsrepublieken’ zoals Siena, Florence en het Amsterdam van weleer. Maar voor zijn tijdgenoten was de Beurs in de eerste plaats het architectonische signaal van een nieuwe tijd.

De Rooy deelt dat optimisme, maar besluit zijn opgewekt vertelde verhaal desondanks in mineur: ,,Amsterdam beschouwde zichzelf als de belangrijkste stad van het land, en dat niet zonder reden. Toch bleef het vervelend dat de Nieuwe Rotterdamsche Courant het in 1902 niet kon nalaten op te merken dat de hoofdstad niet in de Grondwet voorkwam en dat er wat dat betreft louter sprake was van een traditie.”

Het zit De Rooy kennelijk niet lekker. Op naar het vierde deel, zou ik zeggen, op naar het jaar 1983, wanneer Amsterdam na heel wat gebakkelei eindelijk recht gedaan wordt in een Grondwet die onomwonden vastlegt dat Amsterdam onze hoofdstad is – iets wat iedere Nederlander voor die tijd natuurlijk al lang wist.

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden