Review

Een held valt van zijn voetstuk

'Een man die op Orestes leek' (1969) is het eerste werk van de Galicische auteur Alvaro Cunqueiro (1911-1981) waarmee de Nederlandstalige lezer kan kennismaken. Vooral vóór de Burgeroorlog, in de vroege jaren dertig, schreef Cunqueiro in het sterk met het Portugees verwante Galicisch, maar onder invloed van de centralistische talenpolitiek van Franco zag hij zich genoodzaakt op het Spaans over te stappen.

ILSE LOGIE

Die Burgeroorlog had nog meer gevolgen voor Cunqueiro's loopbaan: om het hoofd boven water te houden ging de auteur, die voordien vooral als dichter bedrijvig was geweest (onder meer als grondlegger van een nieuwe 'troubadourspoëzie') zich op steeds meer verschillende genres toeleggen. Daarenboven werkte hij gedurende een tiental jaren mee aan allerlei falangistische publicaties, een vorm van collaboratie die hem later zuur zou opbreken.

Toch heeft Cunqueiro's marginale positie binnen de Spaanse canon ook literaire oorzaken. Zijn hele omvangrijke oeuvre onttrekt zich immers aan elke inlijving in een stroming en staat haaks op het sociaal-realisme dat in het Spaanse literaire landschap decennialang de toon aangaf. De doorsnee Spaanse lezer had blijkbaar geen boodschap aan Cunqueiro's magisch getinte, aan de Griekse en Keltische traditie ontleende thema's, en al evenmin aan zijn dromerige, melancholische stijl met parodiërende ondertoon. Pas toen de opgang van de Latijns-Amerikaanse roman het magisch-realisme weer bestaansrecht verleende, kwam er een herwaardering van Cunqueiro's gewraakte 'escapisme'. In Spanje gebeurde dat vanaf de jaren '70, elders nu pas.

'Een man die op Orestes leek' is een van de zeven romans die Cunqueiro heeft geschreven. Volgens het voortreffelijke nawoord bij de vertaling van Ana-Sofía Pérez-Bustamante bevat dit boek alle typische Cunqueiro-ingrediënten. Zoals gebruikelijk bij hem treedt de auteur in dialoog met een mythe, hier die van Orestes, die hij herschept en in een onbepaald historisch tijdperk situeert, wat aanleiding geeft tot behoorlijk wat anachronismen: zo wordt Mycene er in één adem genoemd met Buenos Aires, de Florentijnse neoplatonici, de Kartuizers van Parma, de rantsoeneringsbonnen van na de Spaanse Burgeroorlog en zelfs tandpasta met munt.

Voorts verlangen de hoofdpersonages terug naar een Gouden Eeuw (het primitieve, beschutte Galicië van de kinderjaren), dat uiteraard buiten hun bereik ligt. De mythe levert slechts de verhaalstof en het kader, want binnen de hoofdintrige zijn tal van uitweidingen verwerkt die er evenveel toe doen. De personages ondernemen namelijk zoektochten waarop ze volksmensen ontmoeten die Cunqueiro graag aan het woord laat.

Net zoals de held van Aeschylus is Cunqueiro's Orestes de zoon van koning Agamemnon en koningin Clytaemnestra. Bij zijn terugkeer uit Troje werd Agamemnon vermoord door de minnaar van zijn vrouw, Aegistus. Volgens de overlevering heeft Orestes zich, mede hiertoe aangezet door zijn zussen Electra en Ifigeneia, op Aegistus en Clytaemnestra gewroken door hen allebei te doden.

Bij Cunqueiro komt vooral de achterzijde van deze mythe in beeld. Orestes is hier niet langer de man uit één stuk die de onwrikbare orde herstelt. Hij gaat integendeel gebukt onder de hem opgedrongen heldenrol. Hij kan er maar niet toe komen zijn voornemen uit te voeren, maar evenmin kan hij zich aan de opdracht onttrekken, zodat hij als een Griekse Hamlet voortdurend heen en weer geslingerd wordt tussen tegenstrijdige gevoelens.

Het koningspaar is er al niet veel beter aan toe. Aegistus en Clytaemnestra kennen hun doodvonnis en wachten bang af. De zenuwspanning put hen uit, hun macht brokkelt gestadig af, en de schatkist raakt leeg door de exorbitante bedragen die aan de geheime dienst worden gespendeerd. De hele stad Mycene kreunt mee onder de vloek die op het koningspaar rust. Overal heersen repressie en spionage, zodat de burgers alle vreemdelingen met Orestes verwarren. Het kwaad wordt stelselmatig met zijn nakende komst in verband gebracht, of het nu om doodgeboren kinderen dan wel om mislukte oogsten gaat.

Wanneer in het eerste deel van het boek de Man met het Blauwe Wambuis zijn intrede doet - de man uit de titel, 'die op Orestes leek' - doen alweer de wildste geruchten de ronde. Knap is de cirkelstructuur van de roman: het einde sluit naadloos aan bij het begin, maar alles wordt met zoveel voorbehoud verteld dat de lezer toch in het ongewisse blijft.

Is die Man met het Blauwe Wambuis Orestes? En zo ja, welke Orestes? Misschien een gelouterde Orestes, die het juk van de wraak intussen van zich heeft afgeschud. Zelfs diegenen die Orestes als kind hebben gekend, raken het niet eens. Voor de een was hij een zwijgzame jongen met een grote verbeelding, voor de ander een onverbeterlijke deugniet.

Ook later hebben uiteenlopende gissingen over zijn persoon de stad bereikt: dat hij dolend ridder was geworden, fervent bordeelbezoeker, religieuze fanaticus. Vrouwen worden verliefd op hem louter op grond van zijn tot de verbeelding sprekende roem die uiteindelijk nergens op berust. Wat heeft dat hele web van verhalen met de ware identiteit van Orestes te maken, of krijgt die identiteit juist hierdoor gestalte? Orestes is in ieder geval het spoor bijster.

Hoewel Cunqueiro oog heeft voor de heldenmoed uit de mythen plaatst hij er ook vraagtekens bij door de grootsheid met het alledaagse te verstrengelen en zo te ondergraven. De auteur laat uitschijnen dat de druk van de traditie verlammend kan werken, en dat het de mens moeite kost zich ervan te bevrijden. Hij suggereert dat het er niet eens toe doet of Orestes nu al dan niet opdaagt, al dan niet de Jongeling met het Blauwe Wambuis is: hij komt hoe dan ook te laat, op een ogenblik dat de mythische tijd van de wraak is verstreken, dat de angstige spanning en de hang naar bloedvergieten zijn weggeëbd.

Net zoals dat met Orestes het geval is, vergalt het wachten ook Aegistus' leven. Hij is zo vergroeid geraakt met het besef ten dode te zijn opgeschreven dat hij bijna teleurgesteld is wanneer het schrikbeeld zich niet voltrekt. Zozeer is Aegistus door de kwestie Orestes geobsedeerd dat hij zijn hele doen en laten erop afstemt, en de fatale scène tot in de kleinste details regisseert. Hij kan de wraak niet uit zijn hoofd zetten omdat een tragisch einde zijn laffe moord op Agamemnon alsnog naar de achtergrond zou verdringen.

Intussen zit de toneelschrijver van de gemeenschap, Filon, wel met de handen in het haar. Zolang Orestes zich niet laat zien, hangt het naar hem genoemde stuk immers in het luchtledige. Filon popelt van ongeduld om het te voltooien, en hij probeert zich voor te stellen hoe het zou zijn als Orestes ten tonele verscheen. Filons tragedie, die geheel aan de wetten van het genre gehoorzaamt en een voorspelbaar verloop kent, illustreert de opvatting dat het leven neerkomt op een onafwendbare lotsbestemming.

Cunqueiro's versie van de Orestes-mythe wijkt daar sterk van af: bij hem ligt de nadruk net op het uitblijven van grootse daden en het doorbreken van elke vorm van voorbestemdheid, een visie die ook weerspiegeld wordt in de losse, gefragmenteerde opbouw van de roman. Omdat Filon het schrijven van de slotscène niet kan blijven uitstellen, vervaardigt hij een bol waarin wordt uitgebeeld hoe Orestes koning Aegistus met een lang zwaard doorsteekt, terwijl Clytaemnestra dood aan zijn voeten ligt.

Aangezien de toneelschrijver het raden heeft naar de werkelijke afloop van het drama, bedenkt hij een truc: wanneer de bol wordt geschud, komt er sneeuw te voorschijn en raakt het statische tafereel toegedekt en dus als het ware uitgewist, net zoals dat mettertijd met alle vastgeroeste wetmatigheden van het klassieke wereldbeeld zou gebeuren.

De scepsis van Cunqueiro tegenover rechtlijnigheid kan ook gelezen worden als een vorm van schipperen. Wie de roman namelijk opvat als een allegorie van het naoorlogse Spanje, dat op zijn hoede is voor een historische wraak van de overwonnen republikeinen, kan in het boek inderdaad een pleidooi zien voor verzoening, een pragmatische stellingname die niet iedereen de auteur in dank heeft afgenomen.

Maar het pleit voor het boek dat het aanleiding geeft tot verschillende interpretaties. En het pleit voor de uitgeverij Coppens & Frenks dat ze, met Cunqueiro, een poging onderneemt om de literatuur uit Galicië op de kaart te zetten.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden