RecensieOorlogsklassieker

Een grimmige en bij vlagen apocalyptische weergave van de bevrijding van Italië

Tot Bevrijdingsdag bespreekt Letter&Geest wekelijks een oorlogsklassieker. Vandaag ‘De huid’ van Curzio Malaparte.

Op 1 oktober 1943 bereikten de Geallieerden het grotendeels verwoeste Napels. Curzio Malaparte (1898-1957) voegde zich bij hen als verbindingsofficier en volgde de bevrijdingskaravaan van Napels naar het noorden, dwars door een verward en ontredderd land. Over zijn ervaringen schreef hij ‘De huid’, een roman die eigenlijk ‘De pest’ had moeten heten, maar die titel was een paar jaar eerder al door Camus gebruikt.

Boccaccio’s taferelen van sociale ontwrichting door de Zwarte Dood van 1348 vormen de achtergrond voor de morele pest die Malaparte ziet woeden in het pas bevrijde Italië: “Het ongewone karakter van die gloednieuwe ziekte was als volgt: ze tastte niet het lichaam aan, maar de ziel. De ledematen bleven ogenschijnlijk ongerept, maar in het omhulsel van het gezonde lichaam raakte de ziel bedorven, verrot.”

Hoewel Malaparte altijd schreef met de werkelijkheid als uitgangspunt – voor en tijdens de oorlog werkte hij als journalist, politiek schrijver en oorlogscorrespondent – zette hij ook altijd iedere werkelijkheid naar zijn eigen hand. Hij was een meester in het naar hartelust vermengen van feiten en fictie. ‘De huid’ is geen uitzondering. Ook hier beziet hij Italië’s naoorlogse werkelijkheid door een vervormende bril, en de lezer komt maar zelden te weten waar de grens tussen feit en fictie precies loopt.

Botjes van een mensenhand in de couscous

Een enkele keer lijkt hij naar de lezer te knipogen. Zoals tijdens die lunch, vlak nadat een soldaat een hand is verloren, wanneer hij doodleuk vertelt dat hij in de couscous alle botjes van een mensenhand heeft aangetroffen. Zijn toehoorders betichten hem van een slechte grap, maar verbleken wanneer Malaparte uit de in zijn bord overgebleven botjes een hand samenstelt. Bij uitzondering krijgt de lezer hier achteraf te horen dat het schapenbotjes waren.

Ook zijn beschrijving van het bevrijde Napels baadt in zo’n onwerkelijk licht. Om aan geld en voedsel te komen is de straatarme, uitgemergelde bevolking tot alles in staat. De misogyne Malaparte beschrijft hoe in Napels vooral de vrouwen massaal ten prooi vallen aan het morele pestvirus. Prostitutie neemt er bizarre en perverse vormen aan. Amerikaanse soldaten worden gelokt met blonde schaamhaarpruiken, op trappen krijgen ze terloopse vrije blikken op vrouwelijke geslachtsdelen, ze staan in de rij om in een duister kamertje een echte maagd te mogen betasten. En terwijl alle andere prijzen stijgen, keldert die van mensenvlees: “Een meisje tussen de twintig en vijfentwintig, dat een week geleden nog tien dollar waard was, bracht nu amper vier dollar op, botten inbegrepen.”

Luguber, grimmig en bij vlagen apocalyptisch is Malaparte’s weergave van de bevrijding van Italië. Zelfs de Vesuvius lijkt te sterven nadat hij in april 1944 dagenlang vuur en lava had gespuwd en de aarde had doen beven. In de onnatuurlijke stilte die over de stad is gevallen, beklimmen Malaparte en een Amerikaanse vriend de vulkaan: “Wij waren misschien de twee laatste mensen van de schepping, de twee enige mensenkinderen die de vernietiging van de wereld hadden overleefd. […] We waren levende mensen in een dode wereld.”

Fragiel collectief geheugen

Het is belangrijk om te bedenken dat tegelijk met de verdrijving van de Duitse bezetters tussen 1943 en 1945 in Italië ook een bittere burgeroorlog werd uitgevochten tussen partizanen en fascisten. De erfenis van het fascisme en deze broederstrijd sloegen diepe breuken in een toch al fragiel collectief geheugen. En verschillende werkelijkheden bleven naast en tegenover elkaar bestaan. Malaparte zelf wisselde als een kameleon van ideologische kleur. Van republikein werd hij fascist, vervolgens antifascist, communist en op zijn sterfbed ook nog eens katholiek.

Italië herdacht de bevrijding op 25 april 1945 zelden onbezorgd. Elk jaar opnieuw staan zin en betekenis ter discussie. Links viert de overwinning van het Italiaanse verzet op Duitse bezetters én Italiaanse fascisten. Rechts mijdt het ceremonieel vertoon en relativeert de rol van het verzet, het herinnert aan misdaden van partizanen tegen het eigen volk. De laatste jaren worden zelfs de Italianen van Mussolini’s Republiek van Salò als patriotten betiteld. Ieder kamp leeft nog steeds in de eigen werkelijkheid.

Het is wrang dat nu Italië vanwege Covid-19 is ondergedompeld in de moeilijkste crisis sinds de oorlog, de 25ste april wellicht in grotere saamhorigheid kan plaatsvinden.

Curzio Malaparte
De huid
De Arbeiderspers; 566 blz. € 33,50

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden