Essay

Een goede biograaf laat zien dat we nooit precies zullen weten wie zijn onderwerp is

Beeld Kwennie Cheng

Zelfs met álle feiten op een rijtje weet Coen Simon nog niet wie zijn vader is. Dat beseft iedere biograaf: elk leven is uniek.

Toen mijn vader op zijn zestigste stopte als huisarts, verhuisden mijn ouders van de doktersvilla waar ik was opgegroeid naar een boerderijtje een dorp verderop. De dag van zijn afscheid was ook de dag van hun verhuizing. In de ochtend ging de complete huisraad over, ’s middags stond mijn vader urenlang handen te schudden onder de oude beuken aan Het Hungeling. Door het nazomerse weer en het herfstoker aan de bomen kreeg alles een filmisch karakter: een eind-goed-al-goedscène. Waarna iedereen nog lang en gelukkig leeft.

Maar mijn vader had net iets te lang te hard gewerkt, te weinig geslapen en kon maar moeilijk zijn draai vinden als pensionado. Hij vermagerde en ik vreesde denk ik niet als enige dat hij jong zou sterven, net als zijn eigen vader. Die angst bleek onterecht, en nu schaam ik me dat ik destijds tijdens een afwasje stond te bedenken wat ik op zijn begrafenis kon zeggen om hem te kenschetsen.

Ik wist toen heel precies wat ik wilde zeggen, nu zou ik dat niet meer weten. Het zou bovendien gek zijn als dat verhaal overeind was gebleven, terwijl zijn biografie er sindsdien alweer achttien jaar bijkreeg. En niet te vergeten ook mijn biografie kreeg er achttien jaar bij, of misschien wel meer, want in de tussentijd werd ik vader van drie kinderen. En hun jaren moet je op een of andere manier ook meetellen in zo’n verhaal.

Dood spoor

Een biografie heeft een protagonist, met een leven vol gebeurtenissen, maar evengoed een auteur, ook met een eigen leven. En niet te vergeten is er nog de lezer van de biografie, en ja ook die heeft een leven, ergens in een tijd, en altijd onder omstandigheden. Op het snijpunt van deze drie levens (van de protagonist, de biograaf en de lezer) ontstaat de biografie. Zo relatief is het beeld dat een mens van een mens kan schetsen. Dus wie spreekt van een definitieve biografie, of denkt dat de biografie het ware wie achter een persoon blootlegt, bevindt zich op een dood spoor in de biografische waarheidsvinding.

Als er iemand geïdentificeerd moet worden, gaat het meestal over een lijk. Dat was, zo las ik in NRC Handelsblad, voor Remco Campert aanvankelijk ook de reden om niet aan zijn biografie mee te werken. “Schrijf die biografie lekker na m’n dood”, was zijn eerste reactie volgens biografe Mirjam van Hengel.

Zo voelde het ook voor de Franse filosoof Jacques Derrida (1930-2004), toen aan het eind van zijn leven documentairemakers hem wilden portretteren en er bovendien twee grote archieven van zijn werk werden geopend in Parijs en in Californië. Hij vergeleek de grijze mappen in de archiefkasten met urnen en de gebouwen zelf met mausolea. In die documentaire die de ware mens moet tonen achter de filosoof, en waarin we te weten komen dat Derrida het liefst de hele dag in pyjama en badjas achter zijn bureau zat, waarschuwt hij voor het gefixeerde beeld van de gebiografeerde denker. Hoe goed ook gedocumenteerd, zo’n beeld gaat ‘soms eeuwen voor de waarheid door’. Volgens Derrida levert een sterke interpretatie van een enkele zin van de schrijver soms een betere biografie dan alle verzamelde feiten bij elkaar.

Langzame ontbinding

We zijn geneigd te denken dat als we alles weten, het beeld compleet gemaakt kan worden. Maar bij de biografische waarheid hebben we ook aan alle feiten nooit genoeg. Zelfs niet als er na iemands dood geen feit meer bij komt. “Het beeld van een overledene is nooit definitief”, schreef de Franse filosoof Maurice Halbwachs in ‘Les cadres sociaux de la mémoire’. “Alles wat we over hem te weten komen, maar ook alle veranderingen die we zelf ondergaan, veranderen het. Hetzelfde geldt voor het verleden in zijn geheel. De voorstelling die we er ooit van hadden, ontbindt langzaam. Nieuwe beelden vervangen de oude.”

Deze zinnen werden trouwens - ik kan er ook niets aan doen - postuum gepubliceerd. Hoe dan ook, het proces dat Halbwachs hier beschrijft, voltrekt zich natuurlijk ook al bij leven. Voortdurend zijn we niet meer degene die we waren. Zo was Monica Lewinsky twintig jaar vóór #MeToo er nog van overtuigd dat de affaire die ze met de Amerikaanse president Bill Clinton had, een gelijke relatie was met wederzijdse instemming. Maar door de ontmaskeringen van de MeToo-beweging voelt zij zich nu alsnog gedwongen. Aan de gebeurtenissen in the Oval Office is niets veranderd, toch zijn de feiten niet meer dezelfde.

Pavlovreactie

Een van de dingen die ik had bedacht te willen zeggen om mijn vader te typeren had betrekking op zijn taalgebruik. Dat ook in alledaagse zaken heel beschouwelijk en analytisch kan zijn. Of moet ik zeggen: kon zijn? Want de ziekte van Alzheimer waar hij inmiddels aan lijdt, heeft niet alleen zijn geheugen maar ook zijn taalgebruik aangetast.

Hij zocht altijd al naar woorden, dat is niet nieuw. Maar ik hoor hem minder vaak gebruikmaken van de passieve constructie. Vooral dat ene zinnetje. “Zet mijn spullen daar maar neer, anders wórdt het vergeten.” Zo sprak hij graag, tot grote ergernis van mijn moeder. “Wórdt vergeten?” was haar pavlovreactie, “jíj vergeet het anders. Zeg dát dan!”

Zijn passieve taalgebruik was voor haar een bewijs dat mijn vader nogal laconiek met zijn verantwoordelijkheden omging, terwijl ik het zag als een manier van spreken die blijk gaf van een diep inzicht in menselijk gedrag: we zijn een stuk minder autonoom dan we onszelf graag zien met al onze voornemens en goede bedoelingen.

Nu zijn vergeten écht pathologisch is geworden zou je kunnen zeggen dat mijn vader met zijn mensbeeld gelijk heeft gekregen, het vergeten wordt voor hem gedaan. Maar er is natuurlijk niet één waarheid over mijn vader, er zijn altijd meer waarheden over een mens. Eén mens bestaat uit vele personificaties die elkaar afwisselen en soms opvolgen. Dat lijkt me nog de grootste beproeving bij het schrijven van een biografie: om over iemand een consistent verhaal te schrijven zonder de inconsistenties in het levensverhaal te veronachtzamen. Dus wat moeten we vertellen over iemand om dat verhaal te vatten? Hoe zullen we iemand heugen?

Valse noot

Volgens de Franse dichter en denker Paul Valéry (1871-1945) is het geheugen dat deel van het denken dat ons verleden bewerkt met het oog op het heden. Hij schreef in zijn ‘Cahiers’ (die nota bene ook postuum verschenen) dat het geheugen ‘de strekking van het verleden door trekt naar de toekomst’.

Die bewerking voeren we de hele dag door uit. Want met ‘verleden’ hebben we het hier niet over vroeger. Ook het heden is al opgedeeld in een actueel en een voorbij deel. Denk maar aan een muziekstuk, waarbij de inmiddels uitgeklonken klanken nog steeds bepalen of wat we op dat moment horen, een valse noot is. Zonder geheugen, geen muziek. En zo is er zonder het geheugen ook niet alleen geen verleden, maar ook geen heden. Het geheugen is geen database, waarin alles wat langskomt wordt opgeslagen, maar een deel van onze verbeelding, dat werkt, aldus Valéry, “naar aanleiding van een actuele behoefte, ter wille van een actueel doel.”

Wie dit tot zich door laat dringen snapt waarom een in feiten uitputtende biografie die alles bovendien in de juiste historische context plaatst, zo dodelijk saai kan zijn. Wat de biografie moet heugen dient, zoals Valéry zegt, te zijn afgestemd op een actuele behoefte en niet op de eis van een historische reductie.

De schilder Kandinsky wees ooit op de neiging van kunsthistorici om zó consciëntieus elk detail van een schilderij in de juiste historische context te plaatsen, dat ze iedere eigenheid van het werk om zeep helpt.

Authenticiteit en waarachtigheid bestaan bij gratie van de ontsnapping aan de gewone gang der dingen. Daarom mag een biografie geen heldenepos zijn. Want een heldenverhaal heeft een causaal verloop, hoe uitzonderlijk de held in kwestie ook uitblinkt in moed en verstand. Voor toeval is weinig plaats in een heldendaad.

Minutieus en waarachtig

De biograaf verbeeldt het levensverhaal van zijn protagonist door met het aangedragen materiaal een waarachtig mens tot leven te wekken. Een mens die een niet eerder vertoond perspectief biedt op het leven, omdat er niet eerder zo iemand was en omdat er nooit meer zo iemand zal zijn. Deze verbeelding is waarachtig, en moet historisch kloppen, maar valt nooit samen met wie hij of zij was.

We zullen nooit weten wie Juliana was, niet wie Jacob van Lennep was, we weten niet wie Remco Campert is, wie Boudewijn Büch echt was, Jan Wolkers of Margaretha Zelle. Zoals ik uiteindelijk ook niet kan weten wie mijn vader was. Dat is wat een goede biografie kan. Heel minutieus en waarachtig toont zij de unieke onbevattelijkheid van een leven.

Filosoof en essayist Coen Simon (1972) schreef onder meer ‘Oordeel zelf. Waarom niemand hetzelfde wil en iedereen hetzelfde doet’ (2017). Bovenstaande tekst hiernaast sprak Simon vorige maand uit bij de uitreiking van de Nederlandse Biografieprijs.

Lees ook:

De ander vraagt om eerbied, zodat hij kan oplichten

Welmoed Vlieger leest het liefste biografieën: de levensloop van mensen is vaak zo fascinerend en onvoorspelbaar.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden