Review

Een gedurige druiping ten dage des slagregens

“Je kunt de bijbel niet begrijpen zonder de cultuur waarin hij gewerkt heeft. Alleen al omdat Martinus Nijhoff een sonnet afsluit met Jesaja's woorden 'de wildernis zal bloeien als een roos' zou daar niet meer aan gesleuteld mogen worden. Want dat sonnet hoort voortaan tot de betekenis van de tekst in Jesaja.” De filosoof Theo de Boer analyseert de invloed van de dichter Nijhoff op de profeet Jesaja, de wonderen van de wonderplant, en het raadsel der onleesbaarheid. Nogmaals de nieuwe bijbelvertaling: ' het gazon zal bloeien als een krokus '.

Op het gymnasium had ik een leraar Grieks die op een keer proefvertalingen teruggaf met de opmerking: het is allemaal slappe pap. Hij bedoelde daar niet zozeer de fouten mee als wel het Nederlands dat nergens naar leek. Hoe komt het dat moderne bijbelvertalingen dat zelfde gevoel oproepen?

In de Statenvertaling lees ik in Spreuken 27,15: “Een gedurige druiping ten dage des slagregens en een kijfachtige huisvrouw zijn even gelijk'. Wil je hiervan een slap aftreksel maken, dan moet je vertalen: “Continu gedruppel als het hard regent en een ruziemakende vrouw dat is één pot nat”. Dit wordt, zo kun je nu al voorspellen, de nieuwe vertaling van Spreuken. De vertaling van het Nederlands Bijbelgenootschap (NBG) uit 1951: “Een gestadig druppelend lek op een dag van stortregen en een twistzieke vrouw lijken op elkaar”, was hierheen op weg. In de nieuwe 'doeltaal' kunnen 'gestadig' en 'twistziek' niet gehandhaafd worden en, wat belangrijker is, het hebraïsme 'ten dage van' moet verdwijnen. We komen dus al vertalend van de drup in de regen. Is dat een noodzaak of kan het ook anders?

Ik wil voorop stellen dat ik in 195l blij was met de vertaling van het NBG. De Statenvertaling was niet alleen vaak onbegrijpelijk maar ik vond er ook een duf, oudbakken sfeertje omheen hangen. Dat zoiets in een moderne vertaling kan verdwijnen, blijkt als we twee versies van Paulus naast elkaar leggen. De Statenvertaling heeft in 2 Cor. 4, 8/9: “Als die in alles verdrukt worden, doch niet benauwd; twijfelmoedig, doch niet mismoedig; vervolgd, doch niet daarin verlaten; nedergeworpen, doch niet verdorven”.

In de Willibrordvertaling (1978) luidt deze passage: “Wij worden aan alle kanten bestookt, maar raken toch niet klem; wij zien geen uitweg meer, maar zijn nooit ten einde raad; wij worden opgejaagd maar niet in de steek gelaten; wij worden neergeveld maar gaan er niet aan dood.” Je voelt onmiddellijk: hier is iemand aan het werk geweest met een zintuig voor taal. Ik noem dit 'goed Nederlands'. Als dit ook mogelijk is wat gaat er dan mis met moderne vertalingen?

Een paar jaar geleden hield ik samen met een collega uit Nijmegen een lezing over Nijhoff. Hij behandelde de sonnetten uit de serie 'Voor dag en dauw'. Ik hoorde hem tot mijn schrik zeggen dat het citaat waarmee Nijhoff sonnet VI afsluit: “De wildernis zal bloeien als een roos” in de bijbel helemaal niet voorkomt. Prompt meldden zich in de pauze twee studenten uit Delft met de mededeling dat deze regel wel degelijk in de bijbel staat, en wel in Jesaja 35,1. Ik informeerde nieuwsgierig of ze gereformeerd waren. Ja, ze waren van de Gereformeerde Gemeenten. 'Ach', zei ik tegen ze, 'mijn zeergeleerde collega is rooms-katholiek en weet dus niet zoveel van de bijbel, dat snappen jullie wel'. Dat begrepen ze uitstekend.

Thuisgekomen merkte ik echter dat ik ook niet veel van de bijbel weet. Ik kon de tekst nergens vinden. Het citaat van Nijhoff is zoek geraakt. In Jesaja 35,1 staat nu: “De steppe zal bloeien als een narcis” (NBG). Als ik zoiets lees vraag ik me af wat een vertaler beweegt wanneer hij die tekst 'verbetert'. Wil hij de vooruitgang van de wetenschap van het Hebreeuws en de botanie demonstreren? Wil hij betogen dat gelovigen zich drieëneenhalve eeuw vergist hebben, denkend dat de wildernis zou gaan bloeien als een roos terwijl nota bene de steppe zal bloeien als een narcis? Als een tiental jaren later - het gaat snel tegenwoordig - ontdekt wordt dat de narcis bij nader inzien een boterbloem is, krijgen we dan in de doeltaal: “het weiland zal bloeien als een boterbloem?” Weer even later: “het gazon zal bloeien als een krocus?” De wetenschap staat voor niets.

In de toelichting bij de nieuwe bijbelvertaling (NBV) wordt terecht opgemerkt dat de Bijbel niet alleen in een traditie staat maar ook de oorsprong is van de traditie. “Veel van de westerse kunst en cultuur is ondenkbaar zonder de bijbel”. Het omgekeerde geldt mijns inziens ook. Je kunt de bijbel niet begrijpen zonder de cultuur waarin hij gewerkt heeft. Alleen al dat Nijhoff een tekst heeft geciteerd zou, vind ik, een reden moeten zijn daar niet meer aan te sleutelen. Het sonnet hoort voortaan tot de betekenis van de tekst in Jesaja. Ik weet daardoor wat ik me in onze tijd bij een bloeiende wildernis moet voorstellen. Deze sleutel is dus in 195l al weggegooid.

De NBV opereert in de spanning tussen trouw aan de brontekst en gerichtheid op de doeltaal. Wat valt daarvan te verwachten - of te vrezen? Beide principes kunnen derailleren. Het eerste is het geval als hebraïsmen vermeden moeten worden maar we anderzijds worden opgescheept met irrelevante weetjes uit de wetenschap. Dat is de sciëntistische klip. Bij de doeltaal dreigt er het populisme. 'Een knieval voor het krantengepeupel' noemde Gerard Reve zo'n vertaling die het maar korte tijd uithoudt.

Wat is eigenlijk die doeltaal? Bij een doeltaal hoort een doelgroep en dat is in dit geval de gemiddelde Nederlander, iets even vaags als de zwevende kiezer. In het ergste geval is de resultante van deze twee krachten quasi-wetenschap aangelengd met slappe pap. Nu zal men daar niet veel van merken in boeken als Ester en Judit - hier loopt de nieuwe vertaling als een trein. Het gaat echter mis in de lyrische passages, dus daar waar het er op aan komt, als Karin Armstrong gelijk heeft in haar bewering dat spreken over God altijd een of ander vorm van poëzie is.

Wat leert ons in dit opzicht de Jonavertaling? Nico ter Linden heeft er al het nodige over gezegd. Ik kan dat niet verbeteren, wel aanvullen. De wonderboom in het laatste hoofdstuk is vervangen door 'ricinusplant'. De poëzie is verdwenen constateert Ter Linden. Ik wil hier nog wijzen op de wonderlijke argumentatie. Het bezwaar tegen wonderboom is dat “het wonder geen betrekking heeft op de ongewoon snelle groei van de plant, maar op de (wonder)olie die er uit gewonnen wordt”. Weten de vertalers het hier beter dan de verteller? Nergens wordt gerept van wonderolie. Dat is een weetje van plantkundigen. Een plant, ricinusplant of niet, die in één nacht opgaat en vergaat, dat is toch een wonderbaarlijke plant. Zou je dat geen wonderplant mogen noemen?

Hier doet de nieuwe vertaling me denken aan een kritiek die ik eens las op de regels van Nijhoff: 'Een geur van hoger honing verbitterde de bloemen'. Volgens de criticus typisch een regel van een dichter die nog nooit naar de natuur gekeken heeft. Bloemen bevatten namelijk geen honing maar nectar. Nijhoff had dus moeten schrijven: 'Een geur van hoger nectar/ verdreef ons uit de snackbar' of iets dergelijks.

De mooiste zin in het boek Jona heb ik altijd de laatste gevonden: 'Benevens veel vee' (een vondst van de oude Leidse vertaling, overgenomen door de NBG). Dit is kort en het klinkt prachtig. De nieuwe bijbelvertaling heeft: 'en dan nog al die dieren'. De actiegroep 'Lekker dier' zal ongetwijfeld ingenomen zijn met deze vertaling maar ik wantrouw ze.

Al die dieren? Welke dieren dan? Als Albert Schweitzer een tor zag die in een kuil was gevallen zette hij er een stokje bij zodat het beest eruit kon klimmen. Dacht de Israëlitische boer ook zo? Was hij behalve over zijn geiten en schapen ook bezorgd over de vlooien, luizen, torren en kevers? En over veevijandige wolven en leeuwen? En als het al een uitgemaakte zaak is dat het Hebreeuwse woord hier niet 'vee' maar 'dieren' betekent, waarom dan deze kreet en niet gewoon: 'Bovendien veel dieren'? Tot zover over Jona. Enige ongerustheid is wel op zijn plaats dunkt mij.

De vaagheid van het begrip 'doeltaal' kleeft ook aan het criterium 'goed Nederlands'. Wat is goed Nederlands? Wie maakt dat uit? In de toelichting lees ik dat elke vertaler samenwerkt met een neerlandicus. Als de laatste zegt dat de vertaling gebeurt 'op een werkelijk Nederlandse manier' is een vertaalkoppel tevreden. Hier wordt een principiële fout gemaakt.

Ten eerste moet de vraag gesteld worden: is die neerlandicus een linguïst of een beoefenaar van literatuurwetenschap? Is hij of zij linguïst dan betekent dat, dat fouten in de woordenschat en de grammatica vermeden worden, maar meer niet. Is de neerlandicus een beoefenaar van de literatuurwetenschap dan doet zich het probleem voor dat Karel van het Reve 'het raadsel der onleesbaarheid' genoemd heeft.

Wetenschapsbeoefenaars schrijven soms slechts tot zeer slecht en dat is een raadsel. Literatuur immers, zo luidt kortweg het betoog van Van het Reve, bestaat uit goede en mooie zinnen. Een beoefenaar van literatuurwetenschap is dus een deskundige in goede en mooie zinnen. Maar waarom maakt hij dan zelf slechte en lelijke zinnen?

De oplossing van het raadsel is mijns inziens dat wetenschappelijke kennis van taal iets heel anders is dan gevoel voor taal. Zoals de broer van de geleerde schrijver opmerkt in 'Zelf schrijver worden': “Als men dat talent heeft, dan krijgt men een kans mede, maar als men dat talent niet heeft, dan blijft alle gezwoeg futiel.”

Men had dus naast neerlandici dichters en schrijvers moeten opnemen in de commissie? Waarom ontbreken die? Ik schrijf dat op rekening van de sciëntistische vergissing, dat wil zeggen een overschatting - zoals zo vaak in onze moderne maatschappij - van de wetenschap. Als we niet oppassen mondt dat uit in een vertaling voor Droogstoppel en Dorknoper.

Er is nog een andere oplossing voor het raadsel der onleesbaarheid: het verschil ontkennen tussen grammaticaal correcte zinnen en goede zinnen. Als je geen gevoel voor taal hebt en wel intelligent bent, is dat een aantrekkelijke gedachte. Dit standpunt wordt in de toelichting van deze vertaling verdedigd. Daar lees ik dat er geen wezenlijk verschil bestaat tussen (het vertalen van) literaire en niet-literaire teksten: “Ondanks veelvuldig onderzoek heeft men nooit kunnen vaststellen dat er in kwalitatief opzicht verschil bestaat tussen bijvoorbeeld literaire en niet-literaire teksten; in beide tekstsoorten kunnen dezelfde taalkundige kenmerken voorkomen... De tweedeling tussen literaire en zakelijke teksten berust in feite op een denkfout: de taal (of het taalgebruik) van de tekst wordt verward met het doel van de tekst en de interesse van de lezer. Aangenomen mag worden dat de lezer van een literair werk behalve aan de inhoud ook waarde hecht aan de vorm van de tekst omdat hij een esthetische gewaarwording wil ondergaan;... De houding van de lezer is echter niet hetzelfde als de taal van de tekst zelf.”

De bewijskracht van deze redenering is volgens mij gelijk aan de volgende: “Er wordt wel een onderscheid gemaakt tussen kwalitatieve en wiskundige taal. Dat berust op een misverstand. Ondanks veelvuldig onderzoek zijn noch bij getallen noch bij driehoeken ooit kleurverschillen gevonden. Natuurlijk kunnen wiskundigen bij het nadenken over hun objecten wel optische gewaarwordingen hebben, maar die horen niet tot de inhoud van hun denken. Er is dus geen verschil tussen kwalitatieve en wiskundige taal. Wie denkt van wel maakt een denkfout.”

Ik denk dat protestanten meer vatbaar zijn voor een dergelijke redenering dan katholieken. En onder protestanten gereformeerden weer meer dan hervormden. Zo zag de gereformeerde theoloog Klaas Schilder zag gedichten als kleine partjes berijmde dogmatiek en ging op die grond tekeer tegen Nijhoff.

Pieter van der Ven heeft in deze krant eens opgemerkt dat rooms-katholieken zoveel minder ruzie maken over teksten omdat ze deze zingen! In de rooms-katholieke leden van de begeleidingscommissie heb ik daarom het meeste vertrouwen. De Catholica heeft nu eenmaal meer esthetica in huis dan de verenigde protestantse kerken in oprichting. De Willibrord-vertaling heeft, zoals ik aan het begin liet zien, aangetoond dat het anders kan. Zij heeft ook zonder meer de vertaling van Ida Gerhardt overgenomen. Dominee Grossouw, zelf een taalkunstenaar, liet zich voor zijn werk aan de Wilibrodvertaling adviseren door onze grote volksschrijver. Uit hun correspondentie (waarvan delen zijn opgenomen in Reve's 'Brieven aan geschoolde arbeiders' blijkt dat hij bijna alle voorstellen ter verbetering van Reve heeft overgenomen. Daarom, zo bid ik u, beminde rooms-katholieke medegelovigen, let er een beetje op dat de boel niet misgaat. Gij alleen kunt voorkomen dat een duur, sciëntistisch-populistisch scenario zich voltrekt boven de hoofden van de gelovigen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden