Een eeuw estafette van de moderne schilderkunst

In hoeverre kun je als telg uit een beroemde kunstenaarsfamilie als schilder je eigen weg vinden? Met die vraag, die centraal staat in het overzicht dat het Centraal Museum in Utrecht van het werk van vier generaties Toorop geeft, worstelden achtereenvolgens Charley -dochter van 'aartsvader' Jan-, haar zoon Edgar Fernhout, en diens zoon Rik.

Omdat het hier om een wel erg theoretische vraagstelling gaat, heeft het museum het verhaal rond de Toorop-kunst niet betrokken bij de presentatie van het werk. Dat levert een wat ambivalent beeld op. Juist door de schilderijen van de vier leden van de schildersdynastie apart te hangen -overigens krijgt ook het filmwerk van Charley's zoon John zijn plaats op de expositie- komen bepaalde relaties en wisselwerkingen niet duidelijk aan het licht. Bovendien volgt de bezoeker de ontwikkelingen van de verschillende generaties in omgekeerde volgorde: het oudste werk, dat van Jan Toorop (1858-1928), sluit de tentoonstelling af, die met de meest recente schilderijen van Rik Fernhout (1959) begint. Het is precies de verkeerde volgorde als je in de begeleidende catalogus stelt dat met het tonen van het werk een eeuw Nederlandse kunstgeschiedenis in beeld komt, waarbij de fakkel van de moderne schilderkunst van overgrootvader tot achterkleinkind is doorgegeven.

Beter was het dan ook geweest om gewoon bij Jan Toorop te beginnen, een schilder van wie de meeste bezoekers tegenwoordig niet veel meer weten dan dat hij de voornaamste vertegenwoordiger was van de zogeheten slaolie-stijl (zo genoemd omdat Toorop voor de Delftse Slaoliefabriek werkte). In de tijd van de art nouveau (eind negentiende eeuw tot 1914) ontwikkelde Jan Toorop een florale stijl. Die werd gekenmerkt door een overheersend gebruik van sierlijke, nimmer eindigende lijnen.

Jan Toorop werkte overigens in meer stijlen, soms zelfs tegelijkertijd. Om zijn publiek op een dwaalspoor te brengen, antedateerde hij sommige werken, zodat het erop leek alsof hij juist de eerste was die die stijlen had ontwikkeld. Hij was beurtelings impressionist, pointillist of luminist en werkte op het einde van zijn leven in de art-decostijl. In de eerste decennia van de twintigste eeuw werd hij door de rooms-katholieke kerk gevraagd voor het ontwerpen van ramen, waar hij op eigentijdse wijze op reageerde.

Het kameleontische gedrag van haar vader was voor Charley Toorop (1891-1955) geen inspirerend voorbeeld. Haar wortels lagen in het realisme. Dat gaf ze aanvankelijk een expressionistische 'vervoeging', mede onder invloed van de komst van de Franse schilder Henri Le Fauconnier naar Bergen (NH), haar woonplaats. In de jaren dertig ontwikkelde ze echter een eigen stijl, die sterk geïnspireerd was door de Duitse Neue Sachlichkeit van Schad, Kanoldt en Dix. Anders dan het Arnhemse Gemeentemuseum keer op keer wil benadrukken, namelijk dat Charley Toorop tot de magisch-realisten (à la Willink, Schumacher, Koch en en Hynckes) moet worden gerekend, plaatst de Utrechtse conservatrice Marja Bosma de schilderes terecht in het realisme. Het uitgebreide overzicht dat zij van Charley's werk geeft, laat vooral de portretten en figuurstukken zien die naar haar opvatting sterker zijn dan de interieurs en landschappen.

Charley Toorop heeft de tanige kaaskoppen vanuit een puur realistische traditie weergegeven, waarbij ze zich nooit toelegde op een juiste perspectivische weergave. Op dezelfde hoekige wijze waarop ze zich in haar schilderijen uitsprak over de werkende bevolking (waarbij ze de arbeidersklasse evenzeer verheerlijkte als bijvoorbeeld Van Gogh en Millet dat al eerder deden) portretteerde ze haar directe omgeving, haar vader, kinderen en vrienden. Veel meer dan het al voor de Tweede Wereldoorlog gedateerde werk van Jan Toorop zijn deze figuurstudies bijster onverteerbaar.

Op weg naar de Charley Toorops heb je de schilderijen van Edgar Fernhout (1912-1974) al uitgebreid kunnen bekijken. Ook Edgars vertrekpunt lag in het realisme, de werkelijkheid waar hij aanvankelijk vol verwondering naar moet hebben gekeken. Edgar Fernhout had veel meer dan zijn moeder tot een magisch-realist kunnen uitgroeien als hij gevolg had gegeven aan zijn gevoel, meer dan aan de schilderkunstige beslissingen die hij waarschijnlijk op rationele gronden nam. In een reeks van slechts drie schilderijen stapte Fernhout tussen 1957 en 1959 over van een thematiek die aanvankelijk op visuele waarneming was gebaseerd naar een abstracte weergave van kleur en licht. In 1959, het jaar waarin zoon Rik werd geboren, maakte hij lichtstudies van kleurschakeringen, waarbij de voorstelling net als bij Mondriaan in vlakjes en streepjes werd opgedeeld. Fernhout bleek in deze periode zeer gevoelig voor de tijdgeest die destijds in Parijs werd gedicteerd door de leden van de ücole de Paris, zoals Manessier, Bazaine en Poliakoff. Fernhout bevrijdde het beeld daarmee van elke denkbare symboliek. Was het een bewuste keuze om zich hiermee voorgoed af te wenden van de invloed van zijn grootvader, of, beter nog, van die van zijn moeder, die tot aan haar dood in 1955 zo dominant in zijn leven aanwezig was?

Ook achterkleinzoon Rik Fernhout kampte met de erfenis dat hij tot een van de bekendste schildersgeneraties behoort. Hij wilde van jongs af aan niets scheppends in de kunst doen, louter om daarmee alle gekoesterde verwachtingen te loochenstraffen dat ook hij wel snel schilder zou worden. Maar omdat ook bij hem de verf in het bloed zit -wat hij op den duur niet kon of wilde ontkennen- drukt ook hij zich tegenwoordig in het platte vlak uit. Rik Fernhout werkt vanuit een procesmatige handeling. Die bestaat hieruit, dat hij op rationele gronden een voorstelling tracht te realiseren waarbij de techniek als een fundamenteel gegeven wordt zichtbaar gemaakt. Hij brengt op het doek meerdere verflagen aan, die vervolgens met engelengeduld, want heel precies en nauwkeurig, worden weggeschraapt.

De werking van de verf, die door Edgar Fernhout al in vierkantjes en streepjes werd aangetoond, wordt ook bij Rik Fernhout aan de orde gesteld. Alleen mis je bij hem de beladenheid, de symbolische duiding van Jan en Charley én de radicale afwijzing die Edgar daar tegenover plaatste.

Van alle schilders van deze vier generaties is Rik Fernhout de meest vrijblijvende. Het maakt zijn werk gelukkig ook minder onontkoombaar. Dat lichtvoetige heb je als bezoeker van de tentoonstelling ook wel nodig na het zien van die al te nadrukkelijk geschilderde koppen van Charley én de wel erg katholieke Maria's en Madonna's van aartsvader Jan Toorop.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden