Review

Een Duitse, een Angelsaksische en een dwarse filosoof

In Nederland breekt volgende week de maand van de filosofie uit. Het razendsnelle, stof-opwaaiende proces van globalisering zal de debatzaaltjes binnendringen, nu een paar wijsgeren van wereldformaat zich aan het fenomeen hebben gewaagd. Economie, ethiek, empirie, activisten en Duitse klassieken komen elkaar verbaasd tegen. Hans Achterhuis bespreekt alvast drie zéér uiteenlopende visies.

Globalisering: Mijn woordenboek uit 1996, dat in herdruk toch nog zo'n vijfduizend nieuwe termen toevoegde, noemt het begrip niet. Dat klinkt ons nu onvoorstelbaar in de oren. Dagelijks worden we inmiddels in de media met de term doodgegooid.

Toch hebben we kennelijk met een nieuw fenomeen te maken. De afgelopen tien jaar zijn de markten en de maatschappijen van nagenoeg alle landen ter wereld steeds meer met elkaar vervlochten geraakt. Zeker, dit proces vindt al plaats sinds de eerste ontdekkingsreizen van de Europeanen en de opkomst van het kapitalisme. Maar het is in de afgelopen jaren - vooral na de val van de Muur - in zo'n stroomversnelling geraakt dat we met recht een nieuwe naam hebben gezocht om het fenomeen te benoemen.

Wetenschappers in alle maten en soorten, van economen tot cultuurtheoretici, van politicologen en historici tot communicatiedeskundigen, laten hun licht erover schijnen. Van meet af aan heeft de filosofie als 'moeder van de wetenschappen' een belangrijke stem gehad in dit gevarieerde wetenschappelijke koor.

Het waren tot nu toe vooral politieke filosofen als Benjamin Barber en Antonio Negri (samen met Michael Hardt) die met 'Jihad vs McWorld' en 'Empire' standaardwerken afleverden. Sinds kort mengen zich echter ook andersoortige wijsgeren in de discussie. Net voor de maand van de filosofie worden drie onlangs verschenen filosofische visies op globalisering ook in het Nederlands uitgebracht. Dat levert niet alleen drie nieuwe en waardevolle perspectieven op, het laat ook zien op hoeveel totaal verschillende manieren de filosoof zich tegenwoordig in de maatschappelijke discussie manifesteert.

Met 'Hoeveel globalisering verdraagt een mens?' beantwoordt de Duitse denker Rüdiger Safranski, die overigens in 'de nacht van de filosofie' op 5 april in Amsterdam acte de présence zal geven, nog het meest aan het traditionele Europese beeld van de wijsgeer. Safranski is bekend geworden door zowel wetenschappelijk verantwoorde als zeer toegankelijk geschreven studies over denkers als Heidegger, Schopenhauer en Nietzsche. Een aantal jaren geleden verscheen zijn veelgeprezen studie 'Het kwaad' die ook in ons land enthousiast werd ontvangen. En nu dus, laat ik het maar meteen zeggen, een zeer aansprekende kritische studie over globalisering.

Hoe pakt een min of meer traditionele wijsgeer zo'n nieuw thema aan? Hij gaat vooral te rade bij de traditie en verbindt die met manifestaties van het verschijnsel dat hij bestudeert. Dit alles doet hij door het lezen van teksten, in de eerste plaats natuurlijk wijsgerige maar daarnaast met mate ook andere teksten over het fenomeen dat hij aan de orde stelt. Dus kijkt Safranski inderdaad naar wat Kant over een wereldregering, Hegel over vijandschap, Heidegger over techniek en Rousseau over cultuurkritiek te zeggen heeft.

Dat kan allemaal in stelling worden gebracht door wie aspecten van het globaliseringsproces op een onverwachte wijze wil belichten. Helaas laat Safranski het op dit laatste punt ernstig afweten. Zijn gedragen stijl, gelardeerd met fraaie oneliners die je als lezer bijblijven, verhult dat hij bitter weinig over globalisering zelf te berde brengt.

Hij situeert zich uitdrukkelijk in de traditie van de romantische cultuurkritiek. En die presenteert hij helder. Ongetwijfeld kan deze traditie ook toegespitst worden op onderdelen van het globaliseringsproces. Het probleem is alleen dat Safranski dit nauwelijks doet. Meestal zou je zonder problemen zijn analyses ook op totaal andere verschijnselen kunnen laten slaan. Het begrip 'globalisering' kan bijna overal moeiteloos worden vervangen door 'mechanisering', 'industrialisering', 'techniek', 'vervreemding' en ga maar door.

De kracht van Safranski's stijl wordt hier zijn zwakte. Als een ouderwetse predikant boeit en verleidt hij zijn publiek, dat ademloos de retorische hoogstandjes volgt zonder al te veel acht te slaan op de inhoud. 'Het kwaad' leed al enigzins aan dit euvel - voorzover ik kan nagaan is het geen van de enthousiaste recensenten indertijd opgevallen dat Safranski een aantal passages letterlijk dubbel gebruikt. Ze staan zowel in het hoofdstuk over Freud als in dat over Faust. De tekstverwerker maakt dit geschuif inderdaad gemakkelijk en het verwijderen wordt wel eens vergeten. Maar het is tekenend voor Safranski's sonore stijl dat niemand dit kennelijk opmerkt.

Welnu, op dezelfde wijze ben ik benieuwd hoeveel lezers en recensenten eigenlijk zullen opmerken dat zijn laatste boek ondanks de titel eigenlijk niet expliciet over globalisering g t.

Als Safranski filosofie bedrijft binnen de Europese continentale traditie, doet de ethicus Peter Singer dat in de Angelsaksische variant. Dat is een hemelsbreed verschil. De Angelsaksische traditie argumenteert veel sterker en richt zich, als ze een concreet verschijnsel bestudeert, veel directer op de empirische werkelijkheid.

Dat doet Singer dan ook in 'Eén wereld' waarin hij een 'ethiek van de globalisering' ontwikkelt. Veel meer dan zijn Duitse tegenhanger verdiept hij zich in rapporten en studies over globalisering. En hij laat zijn niet geringe argumentatieve vermogen vervolgens vaak via het in de Angelsaksische wijsbegeerte geliefde procédé van het denkexperiment los op de vraag hoe wij als burgers van één wereld moreel moeten handelen.

Net als Safranski heeft Singer wereldwijde bekendheid verkregen met een aantal studies, die deels ook in het Nederlands zijn vertaald. Allereerst is hij de geestelijke vader van de idee van de dierenbevrijding. Zijn pleidooi hiervoor stamt al uit 1975 en opende wereldwijd veel ogen voor het leed dat wij dieren aandoen. Bijna even bekend is zijn stellingname over (onder andere) euthanasie en abortus in 'Rethinking Life and

Death', zo'n kleine tien jaar geleden. De traditionele medische ethiek werd in deze goed gedocumenteerd studie scherp aangevallen. En dan hebben we nu dus 'Eén wereld' waarin Singer, zoals we gewend zijn, geen blad voor de mond neemt.

Vier thema's uit de globaliseringsdiscussies worden door Singer centraal gesteld: het broeikaseffect, het afbreken van handelsbarrières, het nieuwe verschijnsel van de gewapende humanitaire interventie en ontwikkelingshulp. Elke keer laat hij feilloos zien dat we de ethische principes, die we vaak op de schaal van de natiestaat al hebben ontwikkeld, verloochenen zodra we de nationale grenzen overschrijden. Steeds opnieuw doet hij een beroep op de lezer om de nationale beperking van het blikveld achter zich te laten teneinde een waarlijk mondiale ethiek te ontwikkelen. De nationale burger moet in zijn morele handelen leren wereldburger te worden.

Bij zijn analyses en pleidooien wordt Singer duidelijk gedragen door een diep gevoeld moreel besef. Maar hij hanteert dat niet à la Safranski op retorische wijze. Zoals in zijn eerdere boeken beperkt hij zich ook hier tot een heldere, vaak ijskoude argumentatie. Steeds blijkt daaruit dat we de morele waarden die we beweren aan te hangen, vergeten als het om zaken gaat die ver van ons bed liggen.

Als lezer heb je meestal geen verweer tegen de universaliserende, onbarmhartige argumentatie van Singer. Betekent dit dat je overtuigd wordt? En als dat niet zo is, houdt dat dan in dat je je hypocriet opstelt? Want waarom zouden de hoge morele waarden die je belijdt, niet voor alle wereldburgers, van Afrikanen tot Irakezen gelden? Via de uitbreiding van een bekend denkexperiment van de ethicus Rawls vraagt Singer ons om 'achter een sluier van onwetendheid' onze plaats op de wereld te bepalen. Als je niet van te voren weet of je als Nederlander of Amerikaan, Palestijn of Chinees geboren zult worden, hoe zou je dan de wereld zo rechtvaardig mogelijk inrichten?

Ondanks Singers grote kennis van zaken, abstraheert hij met zijn denkexperimenten wel heel sterk van de woelige globale werkelijkheid. Die krijgen we scherper in het vizier in 'Leve de globalisering', van de hand van de Zweedse filosoof en historicus Johan Norberg. Ook al is deze niet zo bekend als Safranski en Singer, toch was zijn roem hem ook al vooruitgesneld. Al enige tijd botst hij bij gelegenheid met kopstukken in de antiglobaliseringsbeweging zoals Naomi Klein. De antiglobaliseerders zitten duidelijk met Norberg in hun maag. Dit is geen verkalkte machthebber van de Wereldbank of een andere verfoeide internationale organisatie die je simpel kunt uitfluiten. Norberg is amper dertig en hij oogt nog als de anarchist die hij in zijn studententijd was. Kortom, een waardig tegenhanger van mediaster Naomi Klein, zowel in uiterlijk en presentatie als in kennis van zaken en discussietechniek.

Uit 'Leve de globalisering' zou je nauwelijks kunnen opmaken dat Norberg filosoof is. Het boek bevat vooral veel economische argumenten die laten zien dat het dankzij de globalisering in onze wereld met de dag beter gaat. Als we Norberg toch als filosoof zouden moeten situeren, dan kunnen we stellen dat hij een soort empirische filosofie bedrijft. Vanuit zijn wijsgerige achtergrond stort hij zich op het brede vraagstuk van de effecten van globalisering. Wellicht helpt de wijsgerigheid hem op heldere wijze hoofd- van bijzaken te scheiden en bovenal de argumenten van de antiglobalisten genadeloos onderuit te halen.

Omdat hij dat ook nog eens op humoristische wijze doet, is het een plezier om 'Leve de globalisering' te lezen. Tegenover al het geijkte geklaag van doemdenkers laat Norberg zien dat er ook zeer veel positieve kanten aan het globaliseringproces zitten en dat het de moeite loont deze tendensen te versterken. Op een recente conferentie in Amsterdam over globalisering en armoedebestrijding in India, werd het voortdurende gejeremieer van de antiglobalisten te veel voor de wereldberoemde Indiase econoom Jaydis Bhagwati. Hij greep de microfoon: ,,U moet zich niet bemoeien met zaken die u niet begrijpt. U werkt arme landen zo juist tegen. Snap dat dan!'', voegde hij een verblufte Nederlandse activist toe, die meende op te komen voor de kansarmen van India.

Dit soort woede steekt ook achter het boek van Norberg. Rustig en zakelijk ontkracht hij veel van de beweringen van de antiglobaliseringsbeweging. Heeft hij daarom de waarheid in pacht? Het lijkt me niet. Daarvoor gaat hij misschien toch te veel uit van de utopie van wereldwijde vrijhandel die door zijn grote voorbeeld, de achttiende-eeuwse econoom en filosoof Adam Smith, voor het eerst geformuleerd is. Maar zijn argumenten en gegevens zijn zodanig dat geen enkele antiglobaliseringsactivist eromheen kan.

Wie van de drie? Het is moeilijk kiezen tussen de drie wijsgeren. Op beslissende punten vullen ze elkaar aan. Met zijn uitvoerige analyses over de meestal onvermijdelijke vijandschap tussen groepen en naties ontkracht Safranski de soms te mooie dromen over wereldburgerschap van Singer, die op zijn beurt de beide anderen er met nadruk op wijst dat politieke en economische processen ook een ethische dimensie hebben. Waarbij Norberg ten slotte het belang van de economie onderstreept: wil je als filosoof over globalisering meepraten dan ontkom je er niet aan de werking hiervan te bestuderen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden