Review

Een dissident, tegen alles en iedereen

Jaap Meijer was een ’joodse jood’ die zich door niemand klein liet krijgen, ook niet door Adolf Hitler. ’Ondergang? Hoezo ondergang?’, zei hij tegen zijn (voormalige) vriend Presser. Meijer legde op zijn eigen manier de geschiedenis van de Nederlandse joden vast. Een dwarse man – zijn zoon Ischa leek erg op hem; hij noemde zijn vader ooit ’die klootzak'. Historica Evelien Gans schreef een dubbelportret van vader en zoon. Het eerste deel, over Jaap, is nu verschenen.

Vlak na de oorlog, in 1947, verscheen een boek met de merkwaardige titel ’De oorlog die Hitler won’. Het werk beschreef de jodenvervolging die hier te lande pijnlijk succesvol was geweest. Volgens de schrijver H. Wielek was er maar één conclusie mogelijk: Hitler was in zijn opzet om het Nederlandse jodendom uit te roeien geslaagd.

Bijna geslaagd, want hij had buiten Jaap Meijer gerekend, ben je geneigd te denken na lezing van het eerste deel van het dubbelportret van Jaap en Ischa Meijer dat nu, zestig jaar na het verslag van Wielek, verschijnt. En natuurlijk weet je dat zo’n opmerking de feiten niet kan logenstraffen. Dat er ook in ons brave land, dat zich op calvinistische wijze beperkt vereenzelvigde met het jodendom, een bodem lag voor het antisemitisme van de nazi’s; het laat zich niet ontkennen. Dat 102.000 van de 140.000 Nederlandse joden omkwamen in vernietigingskampen; het laat zich al helemaal niet wegschrijven.

Maar toch: Jaap Meijer (1912-1993), over wie dit eerste deel gaat, was het type dat zich allereerst als jood niet klein wilde laten krijgen. Niet door de minderheidgeschiedenis van zijn volk, niet door zijn kansarme achtergrond, en ook niet door Adolf Hitler en zijn abjecte project. Meijer had bijvoorbeeld ernstig bezwaar tegen de titel van Pressers beroemde boek over de jodenvervolging. Hoezo ’Ondergang’ wilde Meijer van zijn voormalig goede vriend Presser weten. Er waren joden vóór Hitler geweest en na de ondergang van de Führer waren er nog altijd joden. Dus hoezo ’Ondergang’? En en passant: tabee Presser: de vriendschap kon wat Meijer betreft opgezegd.

Dwars, tegen de keer, megalomaan in zijn gelijk, overmoedig, en snel bereid tot het treiteren van zowel joden als niet-joden die niet voldoen aan zijn ogenschijnlijk onnavolgbare standaard. Dat is het beeld dat de biografie oproept van de vader op wie de zoon -- zo denk je tijdens het lezen verscheidene malen -- wel erg veel heeft geleken.

Tegelijkertijd is er ook een ander beeld, dat van een beschadigde man die naar liefde verlangt -- wat heel gewoon is -- maar die bijna obsessief weigert deze zomaar voor waar aan te nemen -- wat weer heel ongewoon is. Zijn pesten is bijna systematisch. Door anderen uit te proberen ontdekt hij of ze zijn interesse wel verdienen, om niet te spreken over zijn genegenheid, dat een nog zeldzamer goed is. ’Die klootzak’ noemde zoon Ischa de vader, tegen wie hij ook opkeek, ooit in een interview. Dissident van geboorte tegen alles en iedereen. Zo zou de kortste samenvatting van de figuur Jaap Meijer wel eens kunnen luiden.

De historica Evelien Gans, gespecialiseerd in moderne joodse geschiedenis, heeft gekozen voor een dubbelportret – van het gecompliceerde leven van de vader,- en straks, in deel twee, van de zoon, de even lastige als sympathieke puber voor het leven Ischa. Dat portret moet tegelijkertijd ook ’een biografie’ zijn van de joodse geschiedenis. Jaap Meijer „had bijna alles meegemaakt en gedaan wat een Nederlandse jood in de twintigste eeuw kon overkomen of ondernemen”, schrijft Gans. Er valt niets op af te dingen, behalve dan dit: Meijer maakte zijn eeuw op wel een heel speciale manier mee; assimileren was voor hem een scheldwoord, en zijn eigen joodse gemeenschap kon het ook heel makkelijk verbruien bij hem. Het is alsof je de Nederlandse geschiedenis beschrijft, maar dan niet door de ogen van de familie Jansen in de dorpsstraat te Appelscha, maar gezien door de bril van, laten we zeggen, de familie W.F. Hermans vanuit de familiebunker.

Met de keuze voor de Meijers loopt Gans het risico vanzelf te kiezen voor het schrijven van een extreem naar binnen toe gekeerde geschiedenis, althans wat de vader betreft. Zijn leven, dat zich aanvankelijk beweegt binnen de joodse gemeenschap, zou zich uiteindelijk versmallen tot het tweepersoons-universum van zijn vrouw Liesje en hemzelf met zijn huis vol boeken. De zoon, die hartstochtelijk op zoek leek naar een bestaan buiten de traditie, is weer een ander verhaal.

Jaap Meijer was, zoals de niet-joodse jood Loe de Jong hem noemde, een Jewish Jew. Hij was dat van meet af aan en zou het alleen maar meer worden, maakt Gans duidelijk. Voor die carrière in de binnenwereld van het Nederlandse jodendom zijn welbeschouwd drie verklaringen: Meijers hoekige karakter, zijn afkomst en leerjaren, en de oorlogservaring die zijn plattelandsneiging tot afzonderen op ’aign aarf’ alleen maar versterkte.

Gans begint met de lezer in te voeren in de hem onbekende en verrassend harde wereld van de mediene en van joods Amsterdam, waar Meijer opgroeit en zijn studietijd doorbrengt. Meijer wordt geboren als zoon van het joodse stereotiep, namelijk van een joodse voddenkoopman en marskramer in Winschoten, dat in het Bargoens Mokum Beis (Mokum twee) werd genoemd. Schijnbaar onveranderlijk joodser kon een leven niet beginnen. De achtergrond arm en bovendien een ‘buitenpoep’ en ‘medienesjtamper’ (‘een boertje’) te zijn, draagt hij zijn hele schooltijd in Mokum Olf (Mokum één) met zich mee.

In de hoofdstad, waar hij als twaalfjarige in zijn eentje naartoe verhuist, gaat hij in de leer voor rabbijn, wat hij uiteindelijk niet zal worden. Hij komt in aanraking met de joodse elite, maar dan wel als iemand die letterlijk uit haar hand mag eten. Hij wordt zogenoemd Tag-esser, een jongen die van dag tot dag bij andere families mee mag eten. „Je moest braaf zijn en als een zoet poedeltje je pootje opsteken”, zou Meijer er later over schrijven. In de uren dat hij niet mocht aanzitten, zwierf hij, meestal in zijn eentje, door de stad.

Al ver voor de oorlog ontwikkelt zich de overlever, schrijft Gans, levend ’op de rand tussen afhankelijkheid en rebellie, tussen armoede en rijkdom’. Zijn eigen gelijk wordt meer en meer de maat van alle dingen. Jaap Meijer wordt een minderheid binnen de minderheid die het jodendom in Nederland is. Hij is orthodox op zijn manier, wordt diaspora-nationalist (een ideologie waarbinnen je eerst jood en dan pas Nederlander was), op zijn voorwaarden, en vervolgens zionist, wederom op zijn voorwaarden. Hij begint te publiceren en te discussiëren over wat er volgens hem toe doet.

En hij trouwt, met Liesje Voet, een meisje uit de joodse arbeidersaristocratie (haar vader was secretaris van de socialistische Diamantwerkersbond van Henri Polak). Dat huwelijk lijkt het enige in zijn leven dat zich niet helemaal naar zijn wensen voegt. Zo begint Liesje meteen haar wat onverzorgde, smoezelige man een beetje op te voeden („Ik leerde hem dat hij zich geregeld moest wassen en kocht kleren voor hem. Daar schaamde hij zich voor en raakte geïrriteerd”, vertelde zij ooit in een interview).

Karakter en sociale positionering lijken, kortom, voor de oorlog in de grondverf te staan. De hoofdpersoon kan alleen nog maar meer Jaap Meijer worden.

Westerbork en Bergen-Belsen, waar hij met Liesje en de middenin de bezetting geboren Ischa naartoe wordt getransporteerd, krijgen hem noch zijn gezin kapot. Al heeft het weinig gescheeld en was het aan een dosis geluk en aan Jaaps ‘organiseren’ te danken dat ze het haalden. Vooral in Bergen-Belsen was zijn inventiviteit en joodse armeluisachtergrond van beslissend belang. Op een ketel staand een klassieke tekst voordragend wist hij de commandant van de keuken waar hij werkte zodanig te imponeren dat deze hem ‘goed’ behandelde, terwijl diezelfde proletarische Oberscharführer aan ’parmantige’ joden uit de elite een hartgrondige hekel had.

Gans schrijft het allemaal uitgebreid op. En ook al kun je het niet anders dan met de handrem op lezen omdat het te erg is om in een keer tot je te nemen, het blijft pakkend. De particuliere geschiedenis van Jaap Meijer valt in dit deel van zijn leven samen met die van zijn volk, net als in de periode vóór ’40-’45.

Dat verandert als de oorlog voorbij is en Meijer zijn leven op slot doet en zich alleen nog maar aan zijn schrijven en schriftelijke ruzies wijdt. Gans gedetailleerde aanpak vraagt dan soms wat veel van de lezer die in een soort Hermansiaans joods universum terecht komt vol grootse en meeslepend gevoerde kleine conflicten voor ingewijden.

Ondertussen is in deze periode de praktiserende ’joodse’ jood Meijer, ook de kroniekschrijvende joodse jood geworden, die boeken en artikelen vol schrijft over het verdwenen joodse vooroorlogse leven, zonder dit te romantiseren. In deze hoedanigheid, en ook in die van de terugblikkende dichter Saul van Messel, is het dat Jaap Meijer van Hitler wint. Wij weten nu dat het een Phyrrusoverwinning was, dankzij een niets aan het toeval overlatend portret.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden