Poëzie

Een afrekening in poëzieland

"Op Facebook publiceren ze hun favoriete gedichten die dan weer worden geliket. Zo weten we wie van wie houdt." Beeld Censuur

Eens in de zoveel tijd bloemleest een autoriteit gedichten die er toe doen. Pfeijffers proeve bewijst dat smaken verschuiven, meent Rob Schouten. En die ene canon is voltooid verleden tijd.

Canon: richtsnoer, de belangrijke lijst werken die men gelezen, gezien of gehoord móet hebben. Maar dat is natuurlijk onzin, niets zo vluchtig en veranderlijk als de canon. Ooit was Willem Kloos een groot dichter maar nu allang niet meer. In de achttiende eeuw was Bach een provinciaal organistje en nu de grootste componist aller tijden. Sommige kunstwerken zullen de eeuwen vast wel trotseren, zoals de Ilias, of de Matthäus Passion, maar naarmate we onze eigen tijd naderen wordt het canonieke karakter van veel kunst tamelijk ongewis.

Een aardige graadmeter om bijvoorbeeld de twijfelachtige canonisering van literatuur te bestuderen geven de grote bloemlezingen, die immers beogen een soort doorsnede van de heersende smaak te geven. Neem 'de dikke Pfeijffer', de poëziebloemlezing van Ilja Leonard Pfeijffer, getiteld 'De Nederlandse poëzie van de twintigste en eenentwintigste eeuw in 1000 en enige gedichten', de opvolger van Gerrit Komrij's bijna gelijknamige bloemlezing, die voor het eerst in 1979 het licht zag.

Pfeijffers vorige maand verschenen turf zal wellicht onder menige kerstboom liggen, 1400 gedichten voor 25 euro het is ook niet mis, maar is het daarmee ook een bijdrage aan de canonisering van de Nederlandse poëzie? Als dat zo zou zijn kunnen we de gedichten van PC Hooftprijswinnares Judith Herzberg voor de toekomst wel afschrijven, want die staat er niet in, zomin als een menigte andere dichters van naam.Willem Elsschot, Gerard Reve, Willem van Toorn: allemaal opzichtig afwezig.

Bloemlezing

Omdat Pfeijffer geen verklaring geeft voor hun absentie moeten we in de meeste gevallen raden naar het waarom; vond hij ze niet goed genoeg of wilden de betreffende dichters zélf of via hun erfgenamen niet opgenomen worden, omdat ze iets tegen Pfeijffer of diens bloemlezing hadden of omdat ze het niet eens waren met zijn keuze?

In de eerste versie van deze bloemlezing, die uit 1979 dus, was het trouwens al niet anders. J. Bernlef, Remco Campert, Gerrit Kouwenaar en Bert Schierbeek protesteerden toen tegen hun opname en de drie laatstgenoemden spanden samen met Lucebert zelfs een proces tegen de bloemlezer aan. Hetwelk ze verloren omdat de gewraakte bloemlezing ook voor schoolgebruik bestemd was en dan heb je kennelijk niks te zeggen over de vraag met welke verzen je opgenomen wordt. Het hogere belang van de pedagogie troeft de gefrustreerde dichter over.

In die eerste editie ontbrak poëzie van de dichter H.C. ten Berge, kennelijk een antipathie van Komrij want elders werd diens werk wel degelijk hooggeschat. In latere edities draaide Komrij bij door toch één versje van hem op te nemen, maar het was wel duidelijk, ook uit de nogal polemische inleiding, dat Komrij het op de Vijftigers en vooral hun navolgers had gemunt, zij werden in zeker opzicht gedecanoniseerd.

Ook Pfeijffer rekent in zijn bloemlezing af met een bepaalde generatie die hem niet zint. Het is vooral opvallend hoe karig hij de poëtische babyboomers bedeelt, die tot in de jaren tachtig van de vorige eeuw juist het aanzien van de Nederlandse poëzie bepaalden. Gewaardeerde dichters met een geboortejaar rond 1945 als T. van Deel, Anton Korteweg, Robert Anker, Martin Reints en Ad Zuiderent moeten het allemaal met slechts één of twee gedichten stellen, en hetzelfde geldt voor de iets oudere Jan Emmens, Jan Eijkelboom en Cees Nooteboom, toch geen geringe dichters.

Buitenbeentjes als Frank Koenegracht en Neeltje Maria Min kregen daarentegen acht gedichten toebedeeld, om maar te zwijgen van opmerkelijke opnames van verzen van Annie M.G. Schmidt (twaalf, de hoogste score) en Harrie Geelen, liedjesschrijver met negen gedichten. Als om al die ernstige denker/dichters te laten zien: ik vind hun liedjes veel beter dan jullie filosofische brouwsels.

Tekst loopt door onder illustratie.

Rob Schouten

Neerlandicus Rob Schouten (1954) is dichter. Voor Trouw schrijft hij columns; in Letter&Geest bespreekt hij moderne Nederlandse literatuur.

Beeld Censuur

'Gewone praatpoëzie'

Het is ook duidelijk dat Pfeijffer een andere smaak heeft dan zijn voorganger Gerrit Komrij, hij houdt niet van gewone praatpoëzie, daarentegen herstelt hij de experimentele en hermetische gedichten van de Vijftigers weer in ere. "Poëzie die niet raar is, is bijna nooit goed," schrijft hij in zijn inleiding. En zo vallen anekdotische praatgedichten bij hem vrijwel af. Zelfs een onomstreden dichter als Remco Campert, grootheid in de parlandopoëzie, komt er met zes opnames tamelijk bekaaid van af. Gek genoeg nam Pfeijffer wel allerlei ellenlange gedichten, die de meeste bloemlezers juist schuwen omdat ze papier vreten, op met als hoogtepunt een tien pagina's lang tel- en ouwehoer-vers van de jonge hemelbestormer Maarten van der Graaff.

In elk geval is duidelijk dat de generatie dichters rond de oude versie van het tijdschrift De Revisor en uitgeverij Querido hem niet sympathiek is, en dat is wederzijds. Robert Anker (present met twee gedichten) noemde Pfeijffer in het verleden zelfs ergens een 'hufter'.

Verder is ook de sectie Limburg van de literatuur opmerkelijk afwezig. Voor dichters als Huub Beurskens (weigeraar), Wiel Kusters en Frans Budé was geen plaats in de herberg. De fijnzinnige Limburgse dichter Pierre Kemp staat er in met slechts één versje, dat ene beroemde, over urineren. Objectieve redenen zijn voor dit alles niet aan te wijzen.

Van dichters die hem niet zinden maar die hij toch beleefdheidshalve opnam, koos Pfeijffer soms een gedicht dat hen eerder lijkt te diskwalificeren dan te eren, zoals in het geval van Van Deel, wiens gedicht 'Present' mij vooral hatelijk bedoeld lijkt, iets van: vooruit, dan mag je ook meedoen. Iets dergelijks geldt ook voor de keuze van een gedicht van Ad Zuiderent, bouwer van zorgvuldige, intellectualistische gedichten maar hier aanwezig met een puur orgastische oprisping.

Ilja Leonard Pfeijffer Beeld anp

Literaire vriendschappen

Daarentegen nam hij liefst twaalf gedichten op van Erik-Jan Harmens, een zeer bevriend dichter met wie Pfeijffer zelfs nog een coproduktie verzorgde. Toen hem bij de presentatie van zijn bloemlezing door Onno Blom gevraagd werd hoe dat zat met die overmatige aanwezigheid van Harmens in de bloemlezing antwoordde Pfeijffer tactisch dat hij diens werk niet had opgenomen omdat hij bevriend was maar dat hij bevriend was omdat hij Harmens een groot dichter vond. Tja.

Zo'n in wezen persoonlijke bloemlezing als deze dikke van Pfeijffer roept zo direct de vraag op naar nepotisme in de dichtkunst. Vriend- (en vijand)schappen zijn er onmiskenbaar tussen dichters maar krijgen we ze ook te zien? Of is het een spel achter de coulissen?

Literaire vriendschappen zijn van alle tijden, maar vroeger had de goegemeente er weinig zicht op. Door de sociale media en de emancipatie van de schrijver als podiumtijger en tv-gast is dat allemaal anders geworden. We weten wie met wie bevriend is of naar bed gaat, wie wie bewondert en wie niet. Van vorige generaties drong daarvan weinig tot de lezers door; het is aan de enorme hausse aan biografieën van de afgelopen decennia te danken dat de geheimen van óóit intussen de publieke (dus niet-) geheimen van nú zijn geworden, niet altijd tot verheffing van de schrijver overigens.

Zo weten we inmiddels dat Du Perron op de vuist ging met Nijhoff en een vete had met de schrijver Johan van der Woude, dat Vestdijk een affaire had met de ex-vrouw van diezelfde Du Perron, dat de aartsluie J.C. Bloem graag bij Adriaan Roland Holst logeerde en dat Jan Hanlo van staatswege gecastreerd werd vanwege zijn pederastische neigingen.

Publieke pudeur weerhield schrijvers en journalisten ervan zulke zaken aan de grote klok te hangen. Mooi voorbeeld van die geest des tijds is het boek 'Gestalten tegenover mij' van Vestdijk waarin deze zijn literaire vriendschapsbanden beschreef. Over Gerrit Achterberg lezen we daar bijvoorbeeld "dat zijn leven in latere jaren inderdaad overwegend gelukkig moet zijn geweest, terwijl wij over het voorafgaande in hoofdzaak toch maar op vermoedens zijn aangewezen" en "dat Achterberg grote kwellingen heeft gekend, zich over lange jaren uitstrekkend, is een feit, door niemand te bagatelliseren".

Ilja Leonard Pfeijffer - De Nederlandse poëzie van de twintigste en eenentwintigste eeuw in 1000 en enige gedichten. Beeld RV

Schroomvalligheid

Maar wat voor kwellingen dan in hemelsnaam? Met geen woord rept Vestdijk over de moord van Achterberg op zijn hospita, over het 'Rijksasyl voor psychopathen' waarin hij belandde en over de hem opgelegde TBR. Al zijn vrienden wisten het, maar pas onruststoker en waarheidszoeker Simon Vinkenoog openbaarde het, in 1963, na 's mans dood, toen hij na een opname van het radioprogramma 'Literaire ontmoetingen' een gedicht voorlas dat begon met de regels 'Gerrit Achterberg heeft een vrouw gedood'. Iedereen kwaad natuurlijk, niet op Achterberg maar op Vinkenoog. Zoiets deed je niet. Toen nog niet.

Van die schroomvalligheid is weinig meer over. De sociale media hebben ook in de poëzie de boel opengebroken. Transparantie! Glasnost! We weten nu wie van wie houdt. Zo publiceert Jan en alleman gedichten op Facebook die hem of haar bevallen en die dan weer door medestanders worden geliket of juist niet.

Ook dichters zelf proberen graag een gedicht uit op internet alvorens het te publiceren of reppen er van het feit dat ze miskend of genegeerd worden. Voorts melden ze graag waar ze deze week weer optreden en welke prijzen ze wel of niet gekregen hebben. Al met al is er door de onstuitbare opkomst van sociale media een nieuw soort democratische proefvijver voor de canon ontstaan. De geheimzinnige dichterswereld is doorzichtig geworden, niet langer 'een tijdverdrijf voor enkl'e fijne luiden'.

Op die manier kon iedereen te weten komen dat Tjitske Jansen, veelgelezen dichteres, haar toestemming weigerde voor opname van één gedicht in Pfeijffers bloemlezing, en ook waarom.

Tjitske Jansen Beeld anp

De vuile was

Op haar Facebookpagina schreef ze: "Ik vind Ilja Pfeijffer een naar zelfingenomen niet integer iemand. Misschien als hij meer dan één gedicht van me had willen opnemen, was ik zo opportunistisch geweest toch toestemming te geven. Ik weet het niet. You cannot live in if. Hoe dan ook vind ik dat ik meer dan één gedicht 'waard' ben." Verderop suggereert ze dat Pfeijffer ooit een blauwtje bij haar heeft gelopen en dat zulks de reden van zijn miskenning zou zijn. Oftewel, de vuile was ligt op straat, de tijd dat een poëzielezer of -schrijver iemand met een boekje in een hoekje was, is voorbij.

Ook Huub Beurskens liet in een blog weten waarom hij niet van Pfeijffers bloemlezing gediend was, onder verwijzing van een oud adagium van hem: "Wantrouw elke cultuurdrager in de gedaante van een op kwaliteit selecterende en hiërarchisch ordenende bloemlezer die ook zichzelf dichter noemt."

Kortom, met de mantel der liefde of die der afkeer is het in deze tijd wel gedaan. Ook dichters en poëzielezers zijn uit de kast gekomen en betwisten zo het gezag van de bloemlezer. Rest alleen nog de vraag welk gedicht van Tjitske Jansen bloemlezer Pfeijffer eigenlijk had willen opnemen.

Ilja Leonard Pfeijffer: De Nederlandse poëzie van de twintigste en eenentwintigste eeuw in 1000 en enige gedichten Prometheus; 1436 blz, € 25. Uir de poëzie van Rob Schouten koos Pfeijffer negen gedichten.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden