Boekrecensie

Eduardo Halfon speurt in autobiografische fictie naar de betekenis van identiteit(en)

Eduardo Halfon

Als je tot je tiende in Guatemala woonde, daarna het grootste deel van je leven in de VS hebt doorgebracht, je ouders zijn joods en je hebt een Libanese achternaam, wat ben je dan? Guatemalteek, Amerikaan, jood, en misschien ook nog een beetje Libanees? Ben je al die dingen tegelijk? Of niets van dat alles?

In de twaalf verhalen van Eduardo Halfon die nu vertaald en gebundeld zijn in ‘De Poolse bokser’, komen al deze mogelijke identiteiten voorbij. Halfon noemt zijn verhalen autobiografische fictie. Ze hebben allemaal dezelfde hoofdpersoon: een joodse Guatemalteek, die verdacht veel op de auteur lijkt en net als hij Eduardo Halfon heet.

Hoe is het om Eduardo Halfon te zijn? De ik-persoon constateert bij zichzelf dat hij, iedere keer als mensen een lang betoog beginnen over politiek en politici, ophoudt met luisteren en zich overgeeft aan gedachten aan naakte vrouwen. “Ik weet niet waarom ik dat doe, misschien uit gewoonte, (...), misschien heeft het iets te maken met het feit dat ik joods ben.”

Als hij in een ander verhaal tegenover een Israëlisch hippie-meisje zit, zegt hij tegen haar ‘glimlachend’: “Ik ben geen jood meer.” Waarop het meisje zegt: “Hoe bedoel je? Dat kan helemaal niet!”

Geen jood meer

Inderdaad zijn er in het leven van Halfon momenten dat hij zijn joodse roots onmogelijk kan negeren. Bijvoorbeeld wanneer hij in Guatemala-Stad bij zijn grootvader is, die zijn telefoonnummer (69752) op zijn arm heeft laten tatoeëren, omdat hij het moeilijk vindt om dat nummer te onthouden. Een bizar grapje: het vijfcijferige nummer is ooit in een Duits concentratiekamp op hem aangebracht.

Halfon komt in deze verhalen in allerlei landen en overal is hij geobsedeerd van etnische identiteiten: joden in allerlei soorten en maten, van extreem orthodox tot atheïst of hippie, maar ook zigeuners, Serviërs, Indianen. De vraag die hem voortdurend bezighoudt: hoe zit dat met die identiteiten? Is het iets dat mensen zichzelf opleggen? Is het iets wat je door anderen wordt opgelegd? Of een subtiele combinatie van beide? En: kun je eraan ontsnappen? Halfon laat zien dat iemand zich op het ene moment - bijvoorbeeld - ‘een jood’ kan voelen, en op het andere moment géén ‘jood’, of ‘geen jood meer’. Dergelijke (etnische, religieuze, culturele) identiteiten zijn, zo suggereert hij, altijd relatief. Maar hoe relatief ook, ze veroorzaken scheidslijnen in de maatschappij die als heel absoluut worden ervaren.

Een heel interessant en actueel boek dus. De twaalf verhalen in dit boek verwijzen naar elkaar. Samen vormen ze in feite een losjes gestructureerde roman, waar de schrijver nog altijd aan bouwt, want hij schrijft nog steeds nieuwe verhalen over zijn fictieve alter ego. Allemaal fictie, hoewel je de neiging hebt om het als waargebeurde reisverhalen en reportages te lezen. In een van de verhalen geeft Halfon een kijkje in de keuken: hij laat zien hoe hij de omstandigheden waaronder een bepaalde gebeurtenis heeft plaatsgevonden, veranderd heeft, omdat dat een sfeervoller en duidelijker verhaal oplevert. Er fictie van maken is een manier om dichter bij de werkelijkheid te komen.

Weinig humor

In een ander verhaal staat Halfon als docent letterkunde voor een universitair klasje en legt hij de studenten uit dat ze, als ze een literair verhaal lezen, altijd op zoek moeten gaan naar ‘het andere verhaal dat schuilgaat onder het zichtbare verhaal’. Dat beproefde literaire principe wordt door hem heel consequent toegepast.

Soms leidt dat tot passages waar iets te gemakkelijk de woorden ‘misschien’ of ‘ik weet niet waarom’ in opduiken. Als de ik-persoon besluit om niet naar de bruiloft van zijn zus te gaan, zegt hij: “Ik kan het niet, of misschien wil ik het niet, ik weet niet.” Hoezo niet? Voor de lezer is het glashelder dat hij een enorme afkeer heeft van het streng-orthodox-joodse milieu waar zijn zusje in terecht is gekomen.

Zo heeft dit interessante boek nog wel meer irritante kanten. Er blijft, vreemd genoeg, altijd veel afstand bestaan tussen de lezer en de in iedere zin aanwezige ik-persoon. In interviews op Youtube is te zien dat de auteur een afstandelijke, ernstige man is, en dat geldt ook voor zijn fictieve alter-ego. Er is weinig humor in dit boek, waardoor het onderwerp zwaarder wordt dan zou hoeven. Daarnaast gaan de olympische bedprestaties van de ik-persoon snel irriteren. De orgasmes die zijn vriendin daarbij ondergaat zijn uiterst ingewikkeld: na afloop van iedere vrijpartij maakt ze een tekening van dat orgasme in een ‘amandelkleurig schrift’. Tja.

Tegenover de mogelijkheid van een etnische identiteit plaatst Halfon de mogelijkheid van een kosmopolitische levenshouding. Daarin lijkt hij zich meer thuis te voelen: de wereldliteratuur (James Joyce, e.e. cummings), muziek (Thelonious Monk), films.

Maar het leven als kosmopoliet brengt ook momenten van vervreemding met zich mee. Bijvoorbeeld wanneer Halfon een internationaal congres over Mark Twain bezoekt en daar verloren rondloopt. En als hij in Israël is, of in Belgrado, doet hij heel veel dingen die niet wezenlijk afwijken van wat de gemiddelde toerist daar zou doen. Wie weet is dat een van de dingen die hij in deze verhalen tussen de regels door aan de kaak wil stellen: dat kosmopolitisme soms niet meer is dan een veredelde vorm van toerisme.

Oordeel: actueel, interessant en irritant.

In ons dossier boekrecensies vindt u een overzicht van de besprekingen van pas verschenen fictie, non-fictie, jeugdliteratuur en thrillers.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden