Review

Dylan in zesvoud

Op het 37ste Film Festival Rotterdam, dat vanavond begint, is de film ’I’m Not There’, waarin zes acteurs Bob Dylan spelen, te zien. Een gesprek met de regisseur, Todd Haynes.

’Biopics over popsterren zijn oervervelend. De opkomst is altijd leuk, en de ondergang is altijd treurig.” Quentin Tarantino deed de uitspraak een paar jaar geleden in het boek ’Celluloid Jukebox’, over de hechte relatie tussen film en popmuziek. „Als ik een film over Bob Dylan zou maken”, fantaseerde Tarantino, „zou ik drie dagen uit zijn Don’t Look Back-toer nemen, meer niet.”

De Amerikaanse scenarist en regisseur Todd Haynes is een leeftijdgenoot van Tarantino, een mid-veertiger die de daad bij het woord voegde en een speelfilm maakte over het inmiddels 66-jarige Amerikaanse pop-icoon. Of is het rocker? Country-zanger? Singer-songwriter? Dichter? Schrijver? Architect?

Evenals Tarantino had Haynes niet veel op met de traditionele Hollywood-biopic. Haynes is een geestverwant van Gus Van Sant, die met de Kurt Cobain-film ’Last Days’ eerder een gevoel wilde oproepen, dan een levensverhaal met wat hoogte- en dieptepunten.

’I’m Not There’ is een pertinente weigering om een mensenleven terug te brengen tot één enkel afgerond verhaal. „Ik denk dat het erom gaat de verscheidenheid en veelvormigheid te omarmen, misschien wel om een soort van schizofrenie te accepteren”, legt Haynes uit. „Aan het genre van de traditionele biopic valt goed de culturele druk af te lezen om een soort van doorlopende voorstelling te maken, om coherent, enkelvoudig en compleet leesbaar te zijn. Het wordt mensen zeg maar niet echt toegestaan om over zichzelf te denken als gespleten, incoherent, inconsistent.”

Bij wie kon Haynes beter terecht dan bij Bob Dylan? Degene die zich nooit liet vangen? „Geïnspireerd op de muziek en de vele levens van Bob Dylan”, laat Haynes aan het begin van zijn film weten. En dan zien we de eerste Bob Dylan ten tonele verschijnen: een zwart jongetje, elf jaar, vroegwijs, vragen stellend, alleen op reis, in een trein, op de vlucht. Het is 1959 en Bob Dylan heet gewoon Woody Guthrie, naar zijn idool. Wie weet, was er wel speciaal een homoseksuele regisseur als Haynes nodig, om Dylan niet alleen een vrouwelijke kant te geven, maar ook gewoon door een vrouw te laten spelen. Cate Blanchett – bekroond in Venetië – lijkt zelfs meer op Dylan dan de mannelijke Dylan-vertolkers. Zes zijn het er in totaal, zoals de zes personages op zoek naar een auteur, bij Pirandello, de modernist onder de schrijvers, die zijn personages ook meerdere ’ikken’ gaf. Hoe pirandelliaans is ’I’m Not There’.

En dat zag Dylan bij lezing van de opzet van de film waarschijnlijk ook. In een unieke manoeuvre gaf hij de filmmaker alle muziekrechten. „Ik ben er nog steeds van ondersteboven”, zegt Haynes, „ik had namelijk een vreselijke geschiedenis met muziekrechten, waardoor ik echt geen verwachtingen durfde te hebben.”

Voor ’Superstar: The Karen Carpenter Story’ – zijn poppenfilm over de anorectische zangeres – had hij de muziekrechten niet goed geregeld. Haynes was 26 jaar, en kreeg een rechtszaak van broer Richard Carpenter aan zijn broek. Tot op de dag van vandaag mag de film niet publiekelijk worden vertoond. Ook voor zijn glamrock-film ’Velvet Goldmine’ lukte het niet om de rechten van een paar Bowie-songs te krijgen die hij dolgraag in de film wilde verwerken. „Samen met mijn producente Christine Vachon heb ik contact gezocht met Jesse Dylan, dat is Dylans oudste zoon, die filmmaker in Los Angeles is. Jesse maakt Hollywood-komedies, dingen als de derde ’American Pie’-film. Hilarisch. Maar goed, door Jesse raakte ook Dylans producent Jeff Rosen betrokken, en zo verder. Zij hebben ervoor gezorgd dat het idee voor de film bij Dylan terecht kwam, het was niet meer dan een A4’tje, het plan, en niet veel later had ik alle muziekrechten. Ik schrok echt heel erg. Ik had even het gevoel dat ik de ultieme Bob Dylan-film moest maken, tot Jeff Rosen zei: ’Cool down, don’t worry’, dit is jouw idiote en bizarre perspectief, en dat is het enige waar je je druk om hoeft te maken. Ik was perplex, degene die Dylans creatieve vrijheid waarborgde, was bereid hetzelfde voor mij te doen. Ik denk uiteindelijk dat het speelse karakter van ’I’m Not There’ hem aantrok, de open structuur, het feit dat niet alles zo serieus werd genomen.”

In de film horen we Dylan zeggen: ’Ik ben niet de president, ik ben geen herder, ik ben een verhalenverteller’. Regisseur Haynes laat hem – op bezoek in Engeland in de jaren zestig – in een komische scène met slapstickdeuntje in het gras spelen met The Beatles. Even later is de Dylan van Cate Blanchett veranderd in de Dylan van Richard Gere die hem neerzet als Billy the Kid, de ’outlaw’ uit het Amerika van de negentiende eeuw. Dylan is kind en volwassene, man en vrouw, zwart en wit, hij is in het heden en het verleden, en hij doet het elektrisch en akoestisch.

Haynes: „Natuurlijk, Dylan is muzikant, schrijver en architect van zijn eigen universum, maar wat ik vooral in hem zie, is een ’performer’, iemand die echt in het moment leeft, als hij optreedt, voor een publiek, dat is het moment dat hij leeft en sterft, elke keer is ’t weer voorbij. En dat is iets wat ik heel erg mooi vind, leven ín het moment.”

Haynes, zich nader verklarend: „Op het moment dat je iets maakt, is het eigenlijk al weer voorbij, is het eigenlijk alweer iets anders geworden, dat niet meer helemaal van jou is. En dan moet je verder. Je moet jezelf blijven stimuleren en engageren. En ik denk dat Dylan deze gedachte, deze manier van leven, dit achterlaten en voortgaan, tot in het extreme doorvoert.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden