Opinie

Dwingende 'Bakchanten' achter strakke maskerade/theater

AMSTERDAM - Allerminst voorpaginanieuws, maar voor de goede verstaander brak er zaterdagavond wel degelijk een taalkundig opstootje los. Wachtend voor de toegangspoorten van Euripides' 'Bakchanten' door Toneelgroep Amsterdam vlogen de interpretaties, hervertalingen en overige duidingen al voor aanvang van de première in het Transformatorhuis door de lucht.

Sofokles bewonderen we, maar Euripides lezen we, luidt het credo onder classici. En daarna scheiden zich de wegen pas goed. In de dubbele tragedie 'Bakchanten' zet Euripdes verdwazing (roes) tegenover inzicht (rede): wat is het schrandere denken? De god Dionysus komt de stad Thebe straffen omdat zijn goddelijke afkomst (zoon van Semele en Zeus) wordt betwijfeld zoniet belachelijk gemaakt. Alle Thebaanse vrouwen treft hij met acute verstandverbijstering. Ze vluchten de bergen in, verscheuren eigenhandig het vee, en roven kinderen uit dorpen, zo komt een bode berichten.

Thebes koning Pentheus ziet zich gedwongen de orde te handhaven door de vrouwen terug naar de stad te halen. Dionysus vertroebelt ook zijn brein; vermomd als bakchante trekt Pentheus naar de bergen, waar de doldrieste bakchanten hem aan stukken scheuren. Pas na de gruwelmoord ziet de aanstichtster Agaue dat zij geen woeste leeuw, maar haar eigen zoon Pentheus heeft gedood. De stad heeft zichzelf door verstandsverbijstering en masshysterie te gronde gericht.

Toneelgroep Amsterdam speelt de tragedie onder regie van de Berlijnse regisseur Jürgen Gosch. Over zijn zienswijze op 'Bakchanten' wil hij niet veel meer kwijt dan: “Heden en verleden komen vanzelf bij elkaar, dat is altijd zo in het theater, want de tekst is van vroeger en de acteurs en de toeschouwers zijn van nu.” Op zijn beurt regisseert TGA-regisseur Gerardjan Rijnders 'Penthesileia' van Heinrich von Kleist in Berlijn. In 1986 bracht Rijnders opschudding en verrukking teweeg met zijn 'Baccanten' samen met het Nationale Ballet achter een tot de nok toe opgetrokken glaswand in theater Carré.

Godenettertje

Slechts drie acteurs (met dubbele dubbelrollen) en een koor van vijf actrices bevolken Gosch' enscenering. Dionysus zet hij neer als stampvoetend godenettertje, dat aan het slot zelfs letterlijk, met baksteengeraas, door de achtermuur heenbreekt om zijn triomf te onderstrepen. Had hij koning Pentheus, die de stadspoorten wilde sluiten, kwartieren eerder al niet sarrend gewaarschuwd: “O ja? Komen de goden ook niet over muren heen?” (In de hertaling van Gerard Koolschijn.)

De mens kan maar beter blindelings de goden gehoorzamen, teneinde verdoemenis en bloedvergieten af te wenden, is Gosch' boodschap als uiteindelijk een zijdeur opengaat en het publiek met binnenstromende vrieskou en stadslawaai achterlaat. Daar zullen niet alle classici ingenomen mee zijn, want schreef Euripides niet uitgerekend een anti-godenstuk, een aanval op volksverdwazing, een pleidooi voor dat schrandere, zelfstandige denken?

Die baksteenuitval van Dionysus is trouwens het enige moment waarop de toeschouwer het gezicht van een acteur (Pierre Bokma) te zien krijgt. Alle betrokkenen verschuilen zich achter forse maskers. Al na een paar minuten went die klassieke maskerade; de aandacht dwingt zich vrijwillig naar stem en gestiek. Toch ziet lichtontwerper Markus Miesch kans om ook veranderende gezichtsexpressie op de maskers te krijgen. Koning Pentheus kijkt per seconde triester als hij zijn masker maar een fractie naar voren laat hellen.

Zowel in negatieve als positieve duiding is Gosch' enscenering dwingend. Geen berg te bekennen; Thebe bestaat louter uit een simpel ijzergeraamte als Pentheus' paleis. Uiterst vernuftig en subtiel valt de stad als dat ijzergeraamte met fluks vliedende vlammetjes afbrandt. Het koor slaat tergend aanhoudend stokken tegen de muur aan flarden, en zegt/zingt z'n klaagzang en - toch al ingekorte - waarschuwingen vaak jammerlijk onverstaanbaar door elkaar heen.

Maar in deze atmosfeer kunnen Joop Admiraal, Pierre Bokma en Hans Kesting als godenzonen en als mensenkinderen, allen gestoken in sjieke zwarte pakken, gloriëren. Het hoogtepunt zit aan het slot, als bode Joop Admiraal met ontbloot bovenlijf en vrijwel tegen een toneelplint aangesmakt, van de verschrikking verhaalt: “Jezelf beheersen en de goden respecteren, is het mooiste, en ik denk ook het meest wijze / wat een mens met zijn verstand kan doen.”

Kermsnikkend

Je huivert als Admiraal met zijn gebroken stem zo kermsnikkend-verlaten relaas doet van het bloedbad. Pierre Bokma zet zijn blinde ziener Theresias vrijwel craquelé neer, en maakt het verongelijkte gestampvoet van zijn Dionysus aanstekelijk: je krijgt onbeheersbare lust om dat verwende godenzoontje eens duchtig en definitief door elkaar te rammelen. Hans Kesting toont vrijwel voelbaar de rechtvaardigheid, waar zijn koning Pentheus zo vergeefs maar naarstig naar snakt.

Als Agaue inziet wat zij aanrichtte, laat de bebloede en bloot ronddribbelende Kesting haar verdriet tot onherbergzame stolling komen. Maar het is te laat; massapsychose verblindde het particuliere inzicht.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden