EssayW.G. Sebald

Dwalende Duitser in naoorlogs Europa

W.G. SebaldBeeld Los Angeles Times

De Bezige Bij geeft W.G. Sebald opnieuw uit, de cultschrijver wiens werk niet alleen drukkend is, maar ook indrukwekkend.

Sommige boeken lees je met in je achterhoofd de stem van degene die ze je heeft aangeraden. Zo weet ik dat mijn twee jaar geleden overleden vriend, de dichter Menno Wigman, een groot liefhebber was van het werk van W.G. Sebald (1944-2001), en ik lees die laatste dan ook enigszins met de ogen van de eerste. Wigman was geen opgewekte schrijver en dat geldt ook voor Sebald, wiens werk op mij een donkere en sombere indruk maakt, van wiens gezicht geen lachje afkon, zeker niet in zijn literatuur. Je zou de titel van zijn proefschrift (over Alfred Döblin) ‘Die Beschreibung des Unglücks’ ook op zijn eigen werk kunnen plakken.

Maar Sebalds werk is niet alleen drukkend maar ook indrukwekkend. Althans voor de liefhebbers, want hij is geen schrijver met een groot publiek, daarvoor is zijn werk te excentriek, hij is meer een cultschrijver. Voor ik hem begon te lezen wist ik niet eens in welke taal hij schreef. Welnu, Sebald was een geboren Duitser die het grootste deel van zijn leven in Engeland woonde; hij schreef niettemin in het Duits omdat hij, perfectionist, vreesde het Engels toch niet goed genoeg te beheersen, al was hij ook hoogleraar te Norwich. Het was dan weer de Angelsaksische wereld, vooral bij monde van Susan Sontag, die hem ontdekte. Hij zou het trauma van de Tweede Wereldoorlog prangend beschrijven, en het Duitse zwijgen over de ­nazitijd hekelen. Bekend is dat hij zo’n hekel aan zijn ‘nazinaam’ Winfried had dat hij zich Max of Bill liet noemen.

Toch vind ik het thema van de Tweede Wereldoorlog niet zo prominent in zijn romans als wel wordt beweerd, dat is vooral Gefundenes Fressen voor lieden die hem in gedachten de Nobelprijs toebedeelden. Veel meer staat de verloren mens op het programma, die op zoek gaat naar de wortels van kwaad en ellende. Dat maakt hem ook actueel, hij overstijgt de geschiedenis en zoekt naar de universele puinhoop die de mens ervan gemaakt heeft. Je kunt zijn werk ook lezen met Afghanistan of Syrië in je achterhoofd. Een moralist is hij intussen niet, meer een twijfelaar, en juist dat maakt hem voor mijn gevoel een schrijver voor deze tijd met haar makkelijke conclusies en populistische partijdigheden.

Sebalds werk gaat consequent over out­siders, zoals hij er zelf een was, mensen die in hun eentje in het naoorlogse Europa naar verklaringen voor het verleden zoeken. Zijn boeken zijn verslagen van die zoektochten, pelgrimages. Maar het zijn pelgrimages zonder reisgids, alsof hij niet van te voren wil vaststellen wat hij wil zien. Evenzo ontberen zijn verhalen de geijkte roman-ingrediënten als ontwikkeling en ontknoping. Het zijn mengelingen van roman, documentaire, (auto)biografie en journalistiek.

Persoonlijke reisverslagen

Vaak is de schrijver Sebald zelf de ongenoemde hoofdpersoon in zijn boeken, maar even zo vaak voert hij personages op die min of meer namens hem spreken. Neem ‘De emigrés’. Dat boek bestaat behalve uit persoonlijke reisverslagen door Noord-Italië en Zuid-Duitsland uit twee essay-achtige hoofdstukken over medereizigers Stendhal en Kafka, de een verliefd en peinzend zwervend door (post-)Napoleontisch Europa, de ander gefrustreerd en somber door vooroorlogs Italië. Gevoegd bij Sebalds eigen expedities krijg je vooral een ervaring mee van dolende geesten, op zoek naar antwoorden op het menselijk tekort. In het vlak voor zijn dood (auto-ongeluk) verschenen ‘Austerlitz’ is dan weer de mysterieuze Jacques Austerlitz aan het woord, iemand die net als Sebald van het continent in Engeland belandde, en die uitgebreid van zijn omzwervingen vertelt, totdat je er allengs achterkomt dat hij als joods jongetje in z’n jeugd geadopteerd is door een somber Welsh domineespaar, dat hem braaf maar ook zonder levensvreugde heeft opgevoed. Austerlitz is kortom net zo ontheemd als de schrijver zelf, die met geen enkele mode meedoet. In een van zijn boeken oppert Sebald dat de Rembrandt van ‘De anatomische les’ zich niet met de medici identificeerde maar met het lijk, de geëxecuteerde crimineel. Het lijkt vooral een projectie van Sebald zelf.

Het resultaat van Sebalds eigen anatomische les van onze onrust en ellende is fraai geformuleerd, precies proza, dat aan schrijvers uit de negentiende eeuw herinnert. De merendeels morose stemming die in zijn werk heerst doet de rest: je wordt letterlijk teruggeslingerd in de tijd.

Wat is eigenlijk het literaire geheim van dit precieze maar ook sombere en zelfs autistische proza, dat zo afwijkt van al het andere? Ik denk dat het de lezer meesleept in een soort parallelwereld, die je wel herkent maar die toch, ondanks alle exacte historische en topografische feiten, volkomen anders lijkt. De hoofdpersonen in Sebalds proza, hijzelf of anderen, zijn altijd emigrés, passanten; ze reizen, wandelen, nemen de trein, bezoeken steden, niet uit toeristische overwegingen maar op zoek naar raadsels en antwoorden. Sebald, die als Engelse Duitser z’n leven lang een soort emigrant bleef, beschrijft in essentie de ontwortelde mens, overweldigd door zijn beladen, ‘schuldige’ omgeving.

Station LiverpoolBeeld Hollandse Hoogte / EyeEm GmbH

Piranesi-achtig doolhof

Talloos in Sebalds verhalen zijn, naast de donkere, vaak troosteloze landschappen, de omineuze gebouwen waardoor de mens opgeslokt wordt. Bijvoorbeeld in het hoofdstation van Liverpool: “Soms zag ik nauwelijks een oogwenk lang reusachtige ruimten opdoemen, zag ik rijen pilaren en colonnades die naar de verste verten leidden, gewelven en gemetselde bogen die vele verdiepingen droegen, stenen bordessen, houten trappen en ladders die je blik steeds verder omhoog trokken, vlonders en ophaalbruggen die de diepste afgronden overspanden en waarop kleine figuur­tjes zich verdrongen, gevangenen (...) die een uitweg zochten uit deze kerkers, en hoe langer ik, met mijn mijn hoofd pijnlijk achterover, omhoog staarde, hoe meer ik het gevoel had dat de ruimte waar ik mij bevond zich uitbreidde, dat ze oneindig ver doorliep in een onwaarschijnlijk perspectivische verkorting en tegelijk in zichzelf terugboog, zoals dat slechts in een irreëel universum mogelijk is.” De alledaagse wereld als Piranesi-achtige doolhof.

Aan die nachtmerrie-achtige werking van Sebalds proza draagt ook bij zijn gewoonte om  lange opsommingen te geven. Als hij een lijstje geeft van mogelijke kwalen, dan is het direct uitputtend, men lijdt aan: “zwaarlijvigheid, aan onzuiverheid van de maag, traagheid van het darmkanaal en andere stagnaties in het onderlichaam, een onregelmatige menstruatie, verhardingen van de lever, stoornissen in de galsecretie, jicht, milthypochondrie, nier-, blaas- en urinewegklachten, ontstoken klieren en scrofuleuze misvormingen” et cetera et cetera, ik zit nog maar op de helft.

Evenzo noemt hij lange lijsten van bloemen, of van oorlogshelden: alles bij Sebald is minutieus en precies, je proeft er iets van de Duitse Gründlichkeit in, maar zijn gevoel dat niets kort valt samen te vatten draagt tegelijkertijd bij aan het het beeld van een overvolle wereld, vol raadsels die de mens als een Atlas torst. Als hij, oorlogskind en gebiologeerd door het oorlogsverleden van zijn vaderland, door Theresienstadt (Terezin) loopt, schrijft hij bij het bezoek aan een overvolle bazaar aldaar: “Met mijn voorhoofd tegen de koude ruit gedrukt bestudeerde ik de honderden verschillende dingen alsof er uit één daarvan, of uit hun verhouding tot elkaar, een duidelijk antwoord kon worden afgeleid op de vele vragen die mij bezighielden en die ik niet kon formuleren.” Enigmatisch, zoals ook Sebalds proza dat is.

WG Sebald kort voor zijn dood in 2001Beeld Hollandse Hoogte / Camera Press Ltd

Zwartromantische kiekjes

Het opmerkelijkst in zijn boeken zijn niet de woorden maar de foto’s die hij de lezer meegeeft, ik ken geen schrijver die zijn werk zo uitgebreid illustreert. Het zijn zwart-witte, vaak niet al te best genomen kiekjes, meestal van gebouwen of landschappen, zo nu en dan ook van personages uit zijn verhalen, soms ook situatieschetsjes. Behalve dat ze sterk bijdragen aan het gevoel van authenticiteit van zijn proza (ze fungeren als bewijsmateriaal), versterken ze ook de veelal zwartromantische indruk, alles lijkt overgoten met het melancholisch waas der vergankelijkheid. Het past ook precies bij zijn zoektocht naar de werking van het geheugen bij het verteren van het traumatische verleden. Het maakt iets zichtbaar wat, blijkens Sebalds eigen ervaringen, eigenlijk niet in woorden is te vatten. Maar in combinatie met zijn precieze en ook wel eens precieuze formuleringen en die haast bezeten drang tot detaillering zijn die plaatjes toch ook weer mysterieuze samenvattingen van... ja, van wat eigenlijk? Het levensgeheim dat tevens het doodsgeheim is?

Dat alles – plaatjes, lijsten, uitweidingen, details – maakt W.G .Sebald een van de meest bijzondere schrijvers van zijn tijd, iemand die er volstrekt niet op uit was om zijn lezers te behagen, integendeel, je wordt op een bijzondere manier beproefd. Soms doet hij, vooral qua stemming, denken aan J.M. Coetzee, terwijl hij met zijn vreemde mix van authenticiteit, fictie en fantasie ook wel wat wegheeft van Jorge Luis Borges, de Argentijnse tovenaar. Ook zie ik inmiddels wel sporen van zijn invloed op anderen. Een roman als ‘Dit zijn de namen’ van Tommy Wieringa, ook een verklaard liefhebber, is ondenkbaar zonder Sebald. Maar dat doet allemaal niks af aan zijn aparte status in de naoorlogse Europese literatuur: een ronddwalende heremiet. 

De Bezige Bij brengt de romans van W.G. Sebald opnieuw uit in een nieuw jasje. Beeld De Bezige Bij

Lees ook: 

Rust is nodig om creatief te zijn. 

Wie geen rust neemt, komt helemaal niet aan creatief en kritisch denken toe.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden