Review

DUITSLAND IS WEIMAR NIET

"Natuurlijk moet de Duitse malaise van dit moment bijzonder ernstig genomen worden, omdat de elementen van verzet tegen die malaise in Duitsland misschien niet zo sterk zijn als elders. Maar zodra er in Duitsland iets gebeurt, wordt dat aan een striktere toetsing onderworpen dan in andere landen. Zo'n houding is niet altijd erg behulpzaam, ook al is ze misschien onvermijdelijk. Het is echter belangrijker het Duitse verzet tegen deze uitwassen te steunen dan ons alleen maar blind te staren op die uitwassen zelf." Aldus de historicus Fritz Stern - in Breslau geboren en vlak voor de oorlog met zijn ouders naar de Verenigde Staten gevlucht, en nu hoogleraar aan de universiteit van Columbia. Stern schreef een dubbelbiografie van Bismarck en zijn joodse bankier, Gerson Bleichroder. Fritz Stern, Goud en ijzer. Vert. Roelof Manning, Agon, Amsterdam, 784 blz., - f 75,-.

Stern geldt als een van de grootste kenners van de moderne geschiedenis van Duitsland. Hij schreef er een groot aantal boeken over, waaronder een dubbelbiografie van Bismarck en zijn joodse bankier, Gerson Bleichroder. Die laatste figuur werd door Stern, die zelf in Breslau geboren werd en vlak voor de oorlog met zijn ouders naar de Verenigde Staten vluchtte, aan de vergetelheid ontrukt. Bleichroder was de absolute keerzijde van de Pruis Bismarck, die hem zijn eigen fortuin liet beheren en hem tenslotte in de adelstand verhief. Maar in zijn memoires keurde hij hem nauwelijks nog een vermelding waardig. Na zijn dood verdween Bleichroders naam uit de geschiedenis, tot de verschijning van Sterns dubbelbiografie 'Goud en ijzer', waarvan onlangs een Nederlandse vertaling uitkwam.

In de gecombineerde levensloop van beide figuren komt de wereld naar voren waarin het huidige Duitsland wortelt: een land dat verenigd werd door een autoritair Pruisisch staatsman, die zich ervan bewust was dat Duitsland gemoderniseerd moest worden, maar dan wel om het dreigend liberalisme op een afstand te houden en de bestaande verhoudingen tussen de standen te bewaren. Om het hoofd te bieden aan de andere grootmachten moest Duitsland een staat worden; om zijn economie te zien groeien moesten onderwijs en wetenschap worden gestimuleerd. Maar het staatsbestuur bleef in belangrijke mate in handen van de militairen, en de burgerij schikte zich daarin. Die traditie van 'illiberalisme', zoals Stern het bij voorkeur noemt, zou het lot van Duitsland tot ver in de twintigste eeuw bepalen.

"De gezeten burgerij," zegt Stern tijdens een kort bezoek aan Amsterdam, "had al sinds de oudere Goethe een aversie tegen de politiek. Zij vond het maar een smoezelige zaak, of in ieder geval iets dat veel minder verheven was dan poezie, muziek, de kunsten. En na de zege van Bismarck, die voor het eerst sinds mensenheugenis de Fransen versloeg en Duitsland politiek een maakte, was de Duitse bourgeoisie nog meer geneigd te denken dat ze hoe dan ook niet erg goed was in politiek. Dus richtte ze zich vooral op de economie, waarin ze een fantastische prestatie leverde, en op het onderwijs, waarin ze niet minder succesvol was. En veel van hen waren er heel tevreden mee te leven onder een autoritair regime, dat hen van de verplichting ontsloeg zichzelf te besturen."

"Pruisen had altijd al een sterke militaire traditie gehad, en het triomfalisme van de Duitse eenwording in 1871 maakte de positie van de militairen in de geest van het volk alleen nog maar groter. Vanaf 1871 tot aan Hitler speelden zij dan ook een veel grotere politieke rol dan in andere landen. Ze hadden directe toegang tot de keizer, en de generale staf had de neiging zichzelf zonder meer te beschouwen als de belichaming van de staat, of minstens als een van de twee armen daarvan. De gedachte van burgerlijke controle over de militairen was iets wat pas na 1945 tot de Duitsers doordrong. Niet eerder."

"Na 1945 zijn de Duitsers veel ontspannener geworden en veel meer verwesterd geraakt. Ze werden, denk ik wel eens, met succes 'gecorrumpeerd' door de Amerikanen. Wat Shakespeare the insolence of office noemt, de arrogantie van het ambt, en wat je zou kunnen vertalen als the insolence of uniforms, is nu minder uitgesproken dan vroeger. Alleen een zekere illiberale trek bemerk ik soms nog wel eens: eerder intolerant dan militaristisch."

Het Duits nationalisme blijft een raadselachtige zaak. Tenslotte bestaat de Duitse natie pas honderdtwintig jaar, waarvan het land ook nog gedurende een lange periode gesplitst was. Kun je eigenlijk wel van een Duits nationalisme spreken?

"Als je nationalistische gevoelens zou kunnen aangeven met een doorgaande lijn, zoals bij een een electrocardiogram, dan zou je bij Nederlanders en en Engelsen waarschijnlijk een tamelijk constante lijn zien. Terwijl zich bij Duitsland gedurende de afgelopen honderdtwintig jaar een enorme zigzag-lijn aftekent, van exuberant en agressief nationalisme tot gevoelens van diepe wanhoop, en - vooral na 1945 - vernedering, woede en twijfel aan zichzelf. Heel veel mensen, Duiters en niet-Duitsers, hebben gewezen op die fundamentele onzekerheid van Duitsers ten aanzien van hun eigen identiteit; een ongemakkelijkheid die je, bij voorbeeld, bij een Engelsman absoluut niet zou tegenkomen. Duitsers willen aardig gevonden worden, maar heel lang hebben ze tegelijkertijd legerlaarzen willen dragen, en dat gaat nu eenmaal niet goed samen."

"Nu kun je, ter verklaring van die onzekerheid, wijzen op het feit dat Duitsers moeten leven met een onacceptabel verleden, wat bijna onmogelijk is. Ofwel je drukt het weg, en dan gaat het in het verborgene woekeren; ofwel je erkent het: ik (of mijn ouders) zijn schuldig aan verschrikkelijke dingen. Daar valt heel moeilijk mee te leven. Dat er bij de Duitsers nu sprake is van onzekerheid, kan dan ook gemakkelijker verklaard worden dan het feit dat dat ook voor 1914 al zo was. Toch is dat in die tijd ook door de socioloog Max Weber al geconstateerd. Misschien wortelt daarin ook wel die hang naar het uniform: dat geeft je een soort uitwendige kracht en dwingt respect af: dan weet je tenminste wie je bent, namelijk de persoon binnen het uniform."

Duitsland had lang achter gelopen op de rest van Europa. Het had sinds de Middeleeuwen nooit meer een rijk kunnen vormen, noch in Europa zelf, noch daarbuiten, in een koloniaal avontuur. "Ze hadden - zegt Stern - de trein van nationale eenheid gemist die in andere landen al aan het eind van de vijftiende, begin zestiende eeuw was gaan rijden met het ontstaan van de grote nationale monarchieen. En toen Duitsland eindelijk een verenigde natie werd, bleek de rest van de wereld al opgedeeld te zijn onder de grootmachten. In de jaren tachtig van de vorige eeuw pikten ze nog wat kleine stukjes in Afrika en Azie mee, maar dat stelde niet veel voor."

"Dat was ongetwijfeld het zoveelste element in een soort minderwaardigheidscomplex. Kijkend naar de Nederlanders, de Engelsen, de Fransen, ja zelfs de Belgen, moesten ze zich wel in een achterstandspositie voelen. En daarop reageerde Wilhelm II met een van de meest fatale beslissingen van de moderne tijd: de bouw van een zeevloot, die een directe uitdaging vormde voor Engeland. Dat leidde tot wat ik als een van de grote tragedies van deze eeuw beschouw: de tegenstelling tussen Engeland en Duitsland. Het waren twee landen die oorspronkelijk heel goed met elkaar konden opschieten, waarvan de koningshuizen zelfs verwant waren, maar waartussen het ook al voor, maar vooral tijdens de Eerste Wereldoorlog tot een diepe animositeit kwam. In Duitsland is die inmiddels voor een belangrijk deel weggeebd, deels omdat Duitsland economisch Engeland zo duidelijk is voorbij gestreefd. Maar in Engeland heb ik dat keer op keer gemerkt."

Ten tijde van de hereniging van de beide Duitslanden werd Stern door Margaret Thatcher uitgenodigd om haar en haar ministers bij te praten op het gebied van de recente Duitse geschiedenis. Er heerste, vertelt hij, onder de Engelse politici een diep geworteld wantrouwen jegens Duitsland, dat sommige bewindslieden ook in hun publieke uitspraken niet onder stoelen of banken staken. Dat alles als gevolg van de 'stomme' Duitse beslissing een vloot te bouwen, en de daaruit volgende Eerste Wereldoorlog, waarvan de Weimar-republiek de trieste erfgenaam werd, zoals het verenigde Duitsland van nu kampt met de erfenis van vijfenveertig jaar Duitse deling. Toch kan de huidige situatie volgens Stern op geen enkele wijze met die van Weimar vergeleken worden.

"Anders dan de Bondsrepubliek na de Tweede Wereldoorlog, werd de Weimarrepubliek door een groot aantal Duitsers volstrekt niet geaccepteerd. De Duitsers, vooral van rechts, voelden een enorm ressentiment ten aanzien van de nederlaag van 1918 en het verdrag van Versailles. En met een enorme historische verdraaiing wisten ze de schuld daarvoor af te schuiven op de Weimar. Nu was de Republiek daar niet geheel onschuldig aan. Haar leiders waren nog altijd patriottisch genoeg om op het moment van de nederlaag niet met de vinger te wijzen naar het oude regime, en zeggen: U, de keizer, het leger, de pan-germanen, bent verantwoordelijk. En zo werden ze gaandeweg zelf steeds meer verantwoordelijk gesteld, zo niet voor de nederlaag zelf, dan toch in ieder geval voor het verdrag van Versailles."

"Er waren toen heel veel mensen in Duitsland als de Duitse historicus Friedrich Meineke, die in een brief uit oktober 1918 schrijft: 'Mijn hart is vol woede over de beestachtige hebzucht van de geallieerden. Maar dat vermindert niet mijn woede jegens de pan-germanen en onze eigen krankzinnige generaals, die ons naar deze afgrond hebben geleid.' Het punt is alleen, dat Meineke dat schreef in een persoonlijke brief. Als hij en andere Duitse professoren en leden van de elite in 1918-1919 gezegd hadden: we hebben onze eigen fouten gemaakt, en onze pan-germaanse leiders hebben ons dit aangedaan, dan zou dat een enorm verschil hebben gemaakt. Maar zij hadden het gevoel dat dat onpatriottisch zou geweest zijn, of - zo'n typisch Duitse uitspraak - het eigen nest zou hebben bevuild. En daarom deden ze dat niet, en bestond er in 1919 een soort van stilzwijgende samenzwering, om maar vooral niets te zeggen."

"Daarentegen eindigde de Tweede Wereldoorlog in een totale, onloochenbare nederlaag, inclusief een totale bezetting van het land. De bevolking had de enorme verliezen door de luchtaanvallen, de Russische veldtocht, etcetera, bovendien veel sterker aan den lijve ondervonden. Dat feit, en het langzaam doordringende besef van het ongelooflijke kwaad dat de Duitsers hadden aangericht, bracht het nationaal-socialisme - anders dan het oude regime in 1918 - volkomen in discrediet."

Na 1945 vond er, volgens Stern, dan ook een radicale breuk plaats in het Duitse politieke bewustzijn. Het leger verdween als zelfstandige macht: soldaten werden burgers-in-uniform. En Duitsland werd met kracht, en niet tegen zijn zin, Europa binnen getrokken. Het gevoel 'anders' te zijn (spiritueler, dieper en soberder), dat Duitsland tot aan de Tweede Wereldoorlog zo diep had bezield, maakte plaats voor een Europese orientatie - al verklaart het volgens Stern voor een deel nog wel de fascinatie die van het sobere en 'deugdzame' Oost-Duitsland op de Westduitse consumptiemaatschappij kon uitgaan.

Toch lijkt die breuk inmiddels minder radicaal te zijn dan men lange tijd wel kon denken. Rechts-radicale sentimenten en de stoottroepen daarvan manifesteren zich opnieuw met een kracht die men tot voor kort onmogelijk hield. Toch blijft het oordeel van Stern voorzichtig:

"Ik denk dat er alle reden is waarom Europese landen zich heel schichtig tonen ten aanzien van datgene wat er zich in Duitsland afspeelt, gegeven het verleden. Ik wil niets afdoen aan het Duitse probleem. Maar ik wil wel dat we fair moeten zijn: ook andere landen zijn door crises heen gegaan. En in vele landen is er op een ogenblik sprake van onvrede, zo niet desillusie, met de politieke klasse. Het is merkwaardig dat wij enerzijds de Oosteuropeanen feliciteren met het feit dat ze zijn toegetreden tot de liberale democratie, en er anderzijds in het westen grote onvrede bestaat met onze eigen democratische instituties: in de Verenigde Staten, in Frankrijk, in Engeland."

"Natuurlijk moet de Duitse malaise van dit moment bijzonder ernstig genomen worden, omdat de elementen van verzet tegen die malaise daar misschien niet zo sterk zijn als elders. Het gaat er dus om de krachten daartegen te versterken, en daarin ben ik ten aanzien van Duitsland nog altijd redelijk optimistisch. Maar zodra er in Duitsland iets gebeurt, wordt dat aan een striktere toetsing onderworpen dan in andere landen. Zo'n houding is niet altijd erg behulpzaam, ook al is ze misschien onvermijdelijk. Het is echter belangrijker het Duitse verzet tegen deze uitwassen te steunen dan ons alleen maar blind te staren op die uitwassen zelf."

"Er is een gevaar: dat de Duitse burgers zich opnieuw afkeren van de politiek en hun eigen verantwoordelijkheden. In de vroege jaren van de Bondsrepubliek waren er schrijvers die het volk in die zin probeerden op te voeden: mensen als Boll en de jongere Gunter Grass. Die stemmen zijn nu minder hoorbaar, er zijn er vandaag de dag maar weinig van. Ook universiteitsprofessoren en -rectoren spelen misschien niet helemaal de rol die men graag van hen zou zien."

"En daarbij ontbreekt het momenteel ook aan groot politiek leiderschap. Bondskanselier Kohl heeft het heel erg goed gedaan van november 1989 tot november 1990, met een uitzondering: de late erkenning van de Poolse grens. Maar hij heeft niet het morele gezag dat een von Weizsacker heeft. En of hij opgewassen is tegen de huidige situatie, is een open vraag. Vlak voordat ik naar Europa vertrok, heb ik een ingezonden brief geschreven in de New York Times, als reactie op een hoofdredactioneel commentaar met als titel: Waar zijn de leiders van Duitsland? En daarin heb ik gewezen op de huidige minister-president van Saksen, Kurt Biedenkopf, die naar mijn gevoel een zeer geschikte kanselier zou zijn. Maar ja, de kansen daarop schat ik zelf ook niet zo hoog."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden