Op Locatie Badhuis Gellert

Dromen in azuurblauw en heldergroen

Beeld Gemma Pauwels

Deze zomer presenteren we u ‘literaire locaties’. Hoe kijken schrijvers naar een plaats? Afl. 2: het badhuis in Boedapest in de roman ‘Antoinette’.   

Ik ben niet zo’n reiziger, nooit geweest. Een wortelaar, zo moet je mij maar noemen – op mijn hoofd zit frisgroen loof. Liever werk ik in de tuin, of bouw aan een huis. Ik heb er een, in Frankrijk. Dat is best een eindje rijden, maar reizen kun je dat niet noemen, het is meer woon-woon-verkeer.

Deze zomer moet het dak eraf, en er weer op uiteraard, maar zo ver is het nog lang niet. Met het inmetselen van de nieuwe balken hadden we hulp van twee vrienden. En of het door de hittegolf kwam, of door onze rubberen handschoenen en door zweet en cement gerimpelde vingers, of door mijn wortelloof dat grijs was geworden en stijf stond van cement, of door het verlangen naar properheid, loom wat lummelen en een stevige massage – ik ben weleens in een badhuis hier in de buurt geweest waar ik me met een brandslang af liet spuiten door een strenge dame in een plastic jurk; hoe dan ook bij de lunch in de schaduw van de lindeboom kwam Badhuis Gellert in Boedapest ter sprake.

Een van die jongens, hij was nog jong, ging interrailen. Hij zou Hongarije aandoen. “Je moet naar Gellert gaan”, zei ik, terwijl uitgebloeide, botergele bloesem op de tafel viel, “dat is echt prachtig!”

“Jij bent er toch nooit geweest?” zei mijn vriend argwanend.

“Niet?” Ik begreep het niet; de entree met de gazons, de trappen, de beelden, de baden, de kleuren, het restaurant: ik zag het helemaal voor me.

“Het bad is ovaalvormig. De kleur van het water zit tussen azuurblauw en heldergroen in. Er hangt geen stoom boven – blijkbaar had ik dat verwacht. Het temperatuurverschil tussen het water en de lucht is te klein; stoom zal er buiten in de winter zijn. Bij een ligstoel ontdoe ik me van mijn badjas, handdoek en slippers. Ik ga aan de rand van het bad zitten. Mijn benen bungelen in het water. Ik laat mezelf chambreren, dat vind ik voor nu genoeg. Was ik hier met mijn zoon, of met mijn dochter, dan had ik hen – met onze benen bungelend in het water – gewezen op de details van deze ruimte. “Kijk daar eens, die versierde kroonlijst”, zou ik hebben gefluisterd. “En daar.”

Aan weerszijden van het bad, langs de lange kanten van het ovaal, staan klassieke, witmarmeren beelden in nissen. Ze kijken toe hoe de mensen in het water drijven, zitten en lopen. Er heerst een rust, niemand is met een ander in gesprek. Woorden zijn, net als adrenaline en haast, weggespoeld in het afvoerputje. Vlak langs de badrand staan pilaren; het water golft ertegenaan. Deze pilaren dragen de eerste verdieping, die open is, een open rondgang met balkons. Op een van de balkons zit een vrouw een boek te lezen.”

Ik ben er nooit geweest, niet echt. Wél las ik een boek dat net uit is: ‘Antoinette’ van Robbert Welagen. De passage hierboven is van hem. De vrouw op het balkon is de vrouw op wie de man in het boek wacht: Antoinette. Maar zij is er ook niet, niet echt, maar hij ziet haar. En ik zag Gellert. En dat is genoeg.

En misschien, ach wie weet, als het dak af is…

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden