Review

Dood in de wielersport als inspiratiebron voor schrijven van een boek

Pascal Kolkhuis Tanke: 'De gladiolen en de dood', uitgeverij De Arbeiderspers, 128 blz, ¿ 25,-.

“Voor je inslaapt, zit je altijd in een schemerzone. In de tijd dat ik nog renner was schrok ik vaak wakker, omdat ik voor mijn ogen een massale valpartij zag ontstaan die ik niet meer kon ontwijken. Dat beeld keert steeds terug.”

De dood in het wielersport, bepaald geen ongewoon verschijnsel, was de inspiratiebron voor het schrijven van een fictieboek door iemand die in het dagelijks leven alleen voor het componeren van zakelijke rapporten achter de tekstverwerker kruipt, en thuis het lezen zo met de paplepel kreeg ingegoten, dat hij na de opvoeding vijftien jaar geen roman meer opensloeg.

“Zowel mijn vader als mijn moeder is neerlandicus. Thuis hebben we 20 000 boeken aan de wand. In het ouderlijk huis hangt dan ook geen behang aan de muren. Ik werd overvoerd, zodanig dat op het atheneum de namen op mijn boekenlijst op de vingers van één hand waren te tellen. Voor ik aan het boek begon, had ik nog nooit fictie geschreven.”

De dood trok Kolkhuis Tanke over de streep. Hij was bij de veldrit in het Belgische Heist op den Berg, waar in de winter van 1995 de talentvolle Geert de Vlaeminck, zoon van de flamboyante levende legende in dat metier, Eric, door een hartstilstand overleed. In juli van dat jaar verongelukte in de Tour de France Fabio Casartelli. “Dat raakte en roerde mij enorm. Mijn lichaam, mijn hart en mijn ziel liepen leeg. Ik liep al een aantal jaren rond met het idee mijn ervaringen op schrift te stellen. Het kreeg op een of andere manier geen vorm. De dag na het overlijden van Casartelli ben ik begonnen. Het was kennelijk het duwtje dat ik nodig had.”

Kolkhuis Tanke was een matig getalenteerd wielrenner. Hij was anderhalf jaar lid van de Nederlandse amateurselectie en mocht zich welgeteld zes maanden, van juli tot en met december 1985, professional noemen. Hij had een contractje bij Skala, dat toen ook Erik Breukink en Jean-Paul van Poppel op de loonlijst had staan. Toen Skala opging in een andere wielerploeg was de loopbaan van Kolkhuis prompt voorbij.

“Toen zei ik: ik ben geflikt. Nu zeg ik: ik ben dom geweest, ik heb me laten flikken. Er waren renners te veel. Wie niet zoveel in huis had, zoals ik, en zijn mond niet opentrok, werd probleemloos geloosd. Mijn vader was bezig een clausule in het contract op te stellen, waardoor ik vrijaf zou krijgen voor tentamens. Toen de fusie er doorheen werd gedrukt, stond er nog niets op papier. Ze konden gemakkelijk van me af.”

Als beroepsrenner won Kolkhuis geen enkele wedstrijd. Interesse van andere ploegen was er niet. Drie jaar keerde hij zich af van het wereldje, om gedurende zes zomers (van 1990 tot en met 1995) als chef d'equipe van de nationale profselectie op het wereldkampioenschap in de betrekkelijke marge terug te keren.

Kolkhuis, in het dagelijks leven districtsmanager van een uitendbureau, is intussen ook op de 'hondenbaan' van chef d'equipe afgeknapt. “In het zesde jaar deed ik het werk te veel op de automatische piloot. De motivatie wordt ook bepaald door de successen, en die waren er de laatste jaren niet. Toen Theunisse in 1991 lag te mauwen, omdat hij een kamer aan de voorkant had, regelde ik eentje aan de achterzijde, omdat hij daar geen last van het verkeer had. Ik deed dat met genoegen, want hij presteerde goed. Toen de prestaties minder werden en de renners lagen te zeuren over mouwmaatje drie of vier, dacht ik: fuck off jullie.”

Het boek 'De gladiolen en de dood' is deels autobiografisch, deels wishfull thinking. Hoofdpersoon Aart Heering bereidt zich voor op het wereldkampioenschap op de weg - niet toevallig wordt de roman vanmiddag, aan de vooravond van de mondiale titelkoers in Lugano, gepresenteerd - en heeft maar één wens: in de regenboogtrui op het podium staan. Heering is op papier niet de sterkste en moet heel wat interne strijd overwinnen om een beschermde rol te kunnen claimen. Hij is een mengeling van Erik Breukink, Frans Maassen en Maarten Ducrot.

Kolkhuis: “Geen diehard als Van der Poel en vroeger Knetemann en Raas. Qua persoonlijkheid zitten er veel stukken van mezelf in, alleen is hij als renner tien keer zo goed als ik ooit geweest ben. Met Heering heb ik gemeen, dat ik dolgraag een keer wereldkampioen had willen worden. Ik zou er heel veel dingen voor op hebben gegeven om dat te bereiken.” Wanneer Heering in de finale van de koers in de kopgroep belandt, geniet hij nog steeds niet het volle vertrouwen van zijn ploegleider. Heering stormt desondanks als eerste over de finish, maar het succes wordt overschaduwd door een sterfgeval.

De dood van de wielrenner in het boek wordt onmiskenbaar veroorzaakt door het gebruik van doping geduide middelen. Kolkhuis beschrijft het leven van een coureur van binnenuit, met al zijn banaliteiten, onthult daardoor voor de buitenstaander enkele aardige aspecten, maar zwijgt angstvallig over het grootste taboe in de waanwereld van de (professionele) topsport.

“Er zijn twee redenen waarom doping onderbelicht is gebleven. Ik zeg eerlijk dat ik als oud-renner nooit uit de school zal klappen. Sommige dingen, daar heb je het gewoon niet over. Gevoelsmatig heb ik zoveel aan het wielrennen te danken, dat ik het niet over mijn hart kan verkrijgen mensen aan de schandpaal te nagelen. Aan de andere kant: ik weet er ook geen moer van af.”

“Toen ik als beroepsrenner debuteerde, wilde ik niets van medicamenten weten. Eén keer kreeg ik een vitamine B-injectie en ging prompt van mijn stokje. Ik overwon die weerzin. Ik merkte dat mijn manier van prepareren tot niets leidde. Ik boekte geen resultaten en zag er ongezond uit. Mijn moeder schrok zich rot, toen ze me eens onder de douche zag staan. Ik was uitgemergeld tot het bot. Toen besloot ik dat ik medicijnen niet meer zou afwijzen, maar me er in de breedste zin des woords voor open ging stellen.” Ook als chef d'equipe vielen de schellen niet van zijn ogen. “In die functie weet en hoor je helemaal niets. Ik denk zelfs dat dat ook voor de bondscoach geldt.”

'De gladiolen en de dood' is geïnspireerd op de roman 'De proloog' van Volkskrant-journalist Bert Wagendorp; de overpeinzingen van een renner op de avond en nacht voor de proloog van de Ronde van Frankrijk. Kolkhuis Tanke noemt dat een goed boek, ofschoon de inner circle van het cyclisme het, vanwege de openheid over het 'prepareren', met gemengde gevoelens heeft ontvangen.

Kolkhuis: “Ik herkende me gewoon in de renner die daar op bed ligt. Er is echter een groot verschil in benadering. Bert heeft zes jaar wielerjournalistiek van zich af geschreven. Hij is geen oud-renner zoals ik. Hij heeft geen zwijgplicht.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden