Review

Dood baren uit leven en leven baren uit doodKafka-achtig complot in nieuwe roman van Harry Mulisch

In een roman die het scheppen zelf en in het bijzonder het scheppen van leven tot onderwerp heeft, is het begrijpelijk dat het personage er enige tijd over doet alvorens op het toneel te verschijnen. In 'De procedure' van Harry Mulisch duurt dat honderd bladzijden. Pas daarna krijgt de hoofdpersoon het woord. Die lange opmaat zit bijzonder aantrekkelijk en interessant in elkaar.

Eerst komen de twee bijbelse scheppingsmythes aan de orde, waarvan die uit Genesis 2 nog de meeste duidelijkheid verschaft over hoe de kleimens een levend wezen wordt: God blaast hem de levensadem in. Als methode om levenloze stof te veranderen in levende is dit onnavolgbaar. Er zijn ook hebreeuwse verhalen waarin de laatste scheppingsdag van uur tot uur gevolgd wordt en God eerst een golem ('aardkiem') maakt, een wezen dat nog geen mens is, maar ook niet meer anorganisch.

Een hermetisch hebreeuws geschrift uit de derde eeuw, Sefer Jetsirah oftewel 'Het Boek van de Schepping' is volgens Mulisch “zoiets als een geheime, metafysische koningskamer in de piramide van het geschrevene”. Het is een in geheimtaal geschreven handboek voor de schepping. Die is een linguistische aangelegenheid, een taaldaad, letterlijk op grond van het hebreeuwse alfabet. De kabbalistiek van deze tekst beschouwt Mulisch als “de hoogste ode aan het schrift, ooit geschreven”.

Een schrijver schept ook met de letters van het alfabet. Daarom volgt er een essayistisch gedeelte over het schrijven zelf, het vertellen van een verhaal en de mate waarin een verteller zijn verhaal zelf in de hand heeft. “Hoe een verhaal ontstaat? Denk aan de filmopname van een fabriek die wordt opgeblazen. Je ziet de explosies, het instorten van de muren, de lange schoorsteen die zigzaggend in elkaar zakt, tot alleen een puinhoop te zien is en een reusachtige, opstijgende stofwolk, die door de wind verwaaid wordt. Vergeet vervolgens de film. Je ziet het laatste beeld, en dan wordt de film langzaam teruggedraaid. In de lucht vormt zich een wonderbaarlijke stofwolk die omlaag trekt in het puin, dat zich vervolgens omvormt tot een gebouw, zigzaggend komt een schoorsteen overeind, muren verrijzen, net zo lang tot er een fabriek staat. Zo gaat het.”

Al vaker heeft Mulisch uiteengezet dat hij zich, als schepper, gebruikt voelt door het verhaal, dat hem heeft uitgekozen om te bestaan, “zoals het kind zijn moeder”. Hij betrekt de lezer in het vertelcomplot: “Ik hang aan mijn eigen lippen, één en al oor, en jij mag meeluisteren terwijl ik luister naar mijn verhaal dat mijn verhaal niet is - dat niet echt is gebeurd, maar dat echt gebeurt: hier en nu.”

Nadat vervolgens kort en krachtig de namen van de hoofdpersoon en een vrouwelijk personage zijn vastgesteld - Victor Werker en Clara Veith - kan het verhaal beginnen, zou je zeggen, maar dan komt er met veel geraas een visioen opzetten dat de nog nauwelijks begonnen “fabel van Victor Werker” onderbreekt. We worden teruggevoerd in de tijd naar het ghetto in Praag, 16 februari 1592. Deze interruptie van vijftig bladzijden is een verbluffende historische novelle, getiteld 'De golem'. De hoofdpersoon is oude rabbi Jehuda Löw ben Bezalel, die op uitnodiging van keizer Rudolf II naar de Burcht op weg is.

Daar zit een uitgelezen gezelschap aan de keizerlijke dis: onder anderen Giordano Bruno, Cornelis Drebbel, John Dee, Arcimboldo, Johannes Kepler en Tycho Brahe. De keizer neemt de rabbi apart en vraagt hem een golem te maken, een verzoek waar deze schoorvoetend op ingaat, in ruil voor de keizerlijke toezegging dat hij de joden in hun jodenstad met rust zal laten. Na eindeloze bestudering van de geheime geschriften, vooral 'Het Boek van de Schepping', achten Löw en zijn assistenten zich tot uitvoering van het ritueel in staat. Er wordt een kleien figuur geboetseerd en na een uitputtende reeks van taalhandelingen komt de golem tot leven. Door een foutje in het ritueel is de schepping van de golem geen imitatie van de schepping van Adam, maar van Lilith; ze wordt Mensjele Golem genoemd.

Nog diezelfde nacht vermoordt zij Isaac, naar wiens beeld en gelijkenis Löw haar uit klei had gevormd. De rabbi, die ziet dat de golem dood en verderf zal gaan zaaien, brengt haar terug tot haar anorganische staat en bergt haar vergruizelde klei op een zolder waar geen sterveling mag komen. De betekenis van dit verhaal lijkt te zijn dat wie leven schept, de scheppingsdaad van God overdoet, de dood over zich afroept.

De roman keert hierna terug naar de twintigste eeuw en wel naar Amsterdam in het begin van de jaren vijftig. Er wordt verteld hoe de moeder van Victor Werker zijn bestaan beraamt. Zij rekent precies uit wanneer ze vruchtbaar zal zijn, verleidt dan haar seksueel weinig actieve man tot een gemeenschap waar hij u tegen moet zeggen, en baart, niet zonder problemen, haar zoon Victor. Dit verhaal van Victors ontstaan, ook een scheppingsverhaal natuurlijk, is buitengewoon vermakelijk verteld, vooral de bevallingsscène met de hoekige vroedvrouw mag er zijn.

Nu Victor eindelijk in de roman ter wereld is gekomen, kan hij zijn rol gaan spelen. In de volgende honderd bladzijden schrijft hij drie lange brieven uit respectievelijk San Francisco, Venetië en Egypte aan een zekere Aurora, die zijn doodgeboren kind blijkt te zijn. Afschriften van deze brieven stuurt hij aan Clara, zijn vrouw, die bij hem is weggegaan, omdat hij is weggevlucht bij de bevalling van haar dode kind. Via de brieven wil hij bij haar begrip opwekken en haar zien te bewegen terug te keren.

Victor Werker, zijn namen zeggen al genoeg, is een wereldberoemd microbioloog. Hij houdt zich bezig met de vraag hoe het leven op aarde is ontstaan. Zijn onderzoek, dat uitvoerig en technisch beschreven wordt, heeft geresulteerd in wat hij een eobiont (dageraadleven) heeft genoemd, “een uiterst complex, chemisch hoogwaardig opgetuigd organisch kleikristal, met het karakter van proto-RNA, een soort oer-ribosoom, dat een paar korte eiwitten produceerde, zodat mijn schepseltje, door zonlicht van energie voorzien, zich voortplantte en beschikte over stofwisseling.” Ik veronderstel dat deze eobiont tot de science fiction behoort in Mulisch' roman.

Voor deze scheppingsprocedure, waarin uit anorganische materie (kleikristallen) met de modernste middelen een primitief organisme wordt gevormd, lijkt een Nobelprijs in het nabije verschiet te liggen. Victor wacht in het derde en laatste deel van de roman op een mogelijk telefoontje uit Stockholm. Maar er zit ook een andere, meer gevaarlijke kant aan zijn ontdekking: “Nietzsche had het visioen dat God dood is,- had hij, Victor zelf, God honderd jaar later misschien metterdaad uitgewist door leven te scheppen? Is de ziel van het gebod dat gij niet zult moorden misschien het gebod dat gij geen leven zult scheppen?”

Victor bewoont in Praag een appartement in een verbouwde basiliek, waar ook winkels en kantoortjes in gevestigd zijn. Deze secularisering van het godshuis is al symbolisch genoeg voor de periode waarin de mensheid beland is. In de slotfase van de roman lijkt Victor enkele malen aangeklaagd te worden voor zijn eobiont. Hij krijgt zelfs een anoniem briefje waarin staat: “Je hebt de eobiont betaald met je eigen kind. Oog om oog, tand om tand! Binnenkort ben je zelf aan de beurt, klootzak!” Hij komt in een Kafka-achtig complot terecht. Diens roman 'Het proces' heeft stellig iets van doen met 'De procedure', al was het alleen maar vanwege het einde. Mulisch' roman spreekt over zichzelf als over dit 'dossier' of dit 'protocol' en er valt veel voor te zeggen om de 'procedure' (ook) te beschouwen als een rechtsgang die leidt tot de terechtstelling van Victor Werker.

'De procedure' zit onvoorstelbaar veel ingewikkelder in elkaar dan ik het hier nu voorstel en het mag een mirakel heten dat het Mulisch is gelukt zoveel verschillende en gevarieerde gegevens bij elkaar te brengen in een overtuigende samenhang, die desondanks geheimzinnig genoeg blijft. Zijn denkende en tegelijk beeldende manier van vertellen verslapt geen ogenblik. Neem deze vergelijking: “Nu en dan dreven grote dorre takken voorbij, als de geweien van herten die over de bodem liepen.”

In Egypte bezoekt Victor de piramiden. Deze grafmonumenten vertegenwoordigen bij uitstek het rijk van de dood; het zijn kolossale kristallen, zo noemde Hegel ze, die buiten de tijd lijken te staan. “De mens vreest de tijd, luidt een arabisch gezegde, maar de tijd vreest de piramiden; en je kunt zien hoe de tijd haar tanden stukgebeten heeft op dat enig overgebleven wereldwonder.” De piramiden ondergaat Victor als “een verpletterend tafereel, dat mij op een of andere manier volledig uit mijzelf wegslaat”. Wie de piramiden zo heeft gezien, is al levend dood geweest, zou je zeggen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden