Review

‘Doe een beetje gezellig en gewoon’

Simon Vestdijk en Henriëtte van Eyk waren smoorverliefd op elkaar en schreven elkaar vele brieven. Daaruit blijkt de hartstocht van de twee auteurs voor elkaar, maar ook is scherp te zien hoe de relatie verwaterde, schrijft Rob Schouten.

Van 1946 tot 1955 hadden de schrijver Simon Vestdijk en de schrijfster Henriëtte van Eyk een liefdesverhouding. Wij weten daar door middel van de Vestdijk-biografieën van Hans Visser en Wim Hazeu inmiddels het nodige van. Vestdijk was stapelverliefd op zijn Jetje en Jetje werd het, na eerst wat afstand bewaard te hebben, ook op hem. Het is een van de bekendste literaire liaisons uit onze letterkunde.

Voor de hand liggend was die relatie geenszins. Vestdijk had als student en waarnemend arts weliswaar vriendinnen gehad, voornamelijk volksmeisjes op wie hij, ook getuige zijn romans, nogal scheen te vallen, maar een evenwaardige vrouw, een collega-auteur nog wel, dat was een ander chapiter. Sinds jaar en dag woonde de mensenschuwe, regelmatig depressieve schrijver samen in Doorn met zijn gewezen hospita, de oudere weduwe Ans Koster-Zijp, zijn minnares, tevens zijn huishoudster en secretaresse. Als de bekende Cerberus waakte zij over haar Simon.

Henriëtte van Eyk op haar beurt was net gescheiden van haar man, de schrijver Ed. de Nève, die gebroken uit concentratiekamp Sachsenhausen was teruggekomen. Er hingen kortom voor beiden genoeg lijken in de kast om zich niet halsoverkop in een onzeker avontuur te storten en toch was dat wat er in feite gebeurde.

De weerslag van hun relatie wordt gevormd door de uitgebreide correspondentie, in het begin vooral gevoerd van Vestdijks kant maar hier en daar toch ook substantieel gevuld met brieven van Jetje van Eyk aan Simon, waarvan het eerste gedeelte zojuist het licht zag onder de titel ’Wij zijn van elkaar, brieven 1946-1947’, in de redactie van Vestdijk-biograaf Wim Hazeu. Natuurlijk reuze interessant vanwege het belang van beide schrijvers maar toch ook vanwege het universeel menselijke aspect: een man, stevig vastgeketend aan zijn partner, die stapelverliefd raakt op een vrouw die nog maar net van haar man af is.

Veel tijd hadden de twee niet nodig. Op 9 december 1945 stelde Jeanne van Schaik-Willing Simon Vestdijk in de Amsterdamse kunstenaarssociëteit de Koepel voor aan Henriëtte van Eijk: „Die lange met de kaalgeschoren kop is Vestdijk”. Vestdijk was op dat moment 47 jaar, Henriëtte van Eyk een jaar ouder. Nauwelijks twee maanden later, op 2 februari 1946, meldde Vestdijk reeds aan Jetje ’dat Ans en ik besloten hebben in de loop van dit jaar, op een geschikt tijdstip, van elkaar te gaan, en verder alleen maar goede vrienden te blijven’. Dat Jetje de oorzaak van deze verwijdering was, lijdt geen twijfel, al deed Vestdijk stoer of hij die stap ook zonder zijn nieuwe liefde wel zou zetten.

Overigens was bij Vestdijk de wens vader der gedachte want Ans Koster was helemaal niet van plan haar partner zo snel op te geven. De naïeve Vestdijk zag dat niet of wilde het niet zien, maar Henriëtte van Eyk, met vrouwelijke intuïtie, wist wel beter. In mei 1946 schreef ze, nadat ze Simon Vestdijk en Ans Koster samen had ontmoet: „Ans zal je nooit je vrijheid geven, ze zal altijd om je blijven vechten (wat natuurlijk haar goed recht is).”

In de tussentijd was de smoorverliefde Vestdijk, die geregeld van zijn huis in Doorn naar de Reinier Vinkeleskade in Amsterdam reisde om zijn ’Godin’ (bij Henriëttes portret vergeleken ’vind ik de Gioconda hopeloze flauwekul’) te zien, in een precaire situatie geraakt, die hij met typisch mannelijke lafhartigheid tegemoettrad. Thuis zat Ans hem op z’n kop, maar tegen Jetje vertelde hij (hoe klassiek!) dat hij zijn huisgenote vooral als ’moeder’ zag en niet zozeer als vrouw en dat ze niks voor hem betekende.

Intussen probeerde Vestdijk in brieven zichzelf voor zijn nieuwe vriendin ’doorzichtig’ te maken. Het zijn prachtige voorbeelden van zelfkennis in goede en kwade kanten. Opeens lijkt deze gereserveerde en secundair reagerende man, deze intellectuele kolos die toch niet goed wist hoe hij moest leven, tot het uiterste te gaan in reflectie en zichzelf blootgeven.

Er zijn weinig momenten in zijn oeuvre dat je zo dichtbij de mens Simon Vestdijk komt als in deze brieven: „Dat ik ’weet wat ik wil’, dat kan ik je wel op een briefje geven; maar hier is een ’maar’ bij, hieruit bestaande, dat mijn gedrag op buitenstaanders bij tijden wel eens de indruk kan maken, dat ik níet weet wat ik wil. Over mijn werk spreek ik niet, omdat zich dat alleen in mijzelf afspeelt; maar bij het handelen in de buitenwereld komen er wel eens momenten, dat ik aarzelend líjken kan, eenvoudig tengevolge van het feit, dat ik alles te goed zie en alles wil begrijpen voordat ik ingrijp. Zuiver actieve naturen hebben geen begrip, geen redelijkheid, het is hun alleen om het handelen als zodanig te doen; ik, als contemplatieve natuur, vind het handelen niet aantrekkelijk, (wel?) wanneer het iets ’betekent’, wanneer het een verlossing is, of een bevrijding.”

Ziedaar het rake zelfportretje van deze beschouwelijke mens.

Je krijgt sterk de indruk dat hij de mooie, geestige Jetje zag als iemand die hem kon inwijden in die actievere wereld. Als ze hem dan ook vertelt dat ze eigenlijk verlegen is en zich lang niet altijd op haar gemak voelt, wil hij daar niks van weten. Voor hem is ze de belichaming van de interessante, wereldse vrouw die ook nog gewoon en huiselijk kan zijn – ze móet zijn ideaal zijn.

Het is in zekere zin tragisch om te zien hoe deze verslingerdheid, die beslist wederzijds was, langzaam verwatert. In het prille begin van hun liefde schrijft Vestdijk nog: „Ik zal het heel kras zeggen: voor één minuut van werkelijke, niet denkbeeldige extase met jou (waarbij ik nu heelemaal niet in de eerste plaats aan louter lichamelijke verrukkingen denk) zou ik desnoods mijn heele talent willen opofferen.”

Nog geen drie maanden later liggen de kaarten opeens anders: „Zoolang ik mijn werk heb, kán ik niet ten onder gaan. Dit is een demon, die mij drijft, en die sterker is dan alles. Dus óok sterker dan mijn liefde; laten we dit onder de oogen zien.”

Vestdijk merkte na een tijdje dat hij eigenlijk niet uit Doorn weg wilde, en ook niet bij Ans vandaan, want bij Jetje kon hij niet werken maar in Doorn, bij een vrouw die niets voor hem betekende, wel. Dus koos hij opportunistisch voor Doorn. En ook Jetje van Eyk zwichtte voor het rationele, maar eigenlijk nogal onthutsende betoog van Vestdijk. Aanvankelijk schreef ze over zijn geschipper tussen haar en Ans nog bondig ’ik vind dit geen stijl’ maar algauw legde ze zich neer bij hun ’rare egelliefde’.

Het begin van een nogal beschamende maar ook klassieke situatie: Ans dacht dat de bevlieging voorbij was, en achter haar rug zetten Simon en Jetje de relatie gewoon op de oude voet voort, met zelfs een officiële correspondentie om Ans zand in de ogen te strooien en een schaduwcorrespondentie voor de ware gevoelens.

Je voelt je als lezer van deze briefwisseling op den duur een soort gluurder, in de trant van Vestdijks eigen roman ’De ziener’, waarin een voyeur een stel bij elkaar hoopt te brengen. Menselijker dan menselijk is Vestdijk hier, met zijn voorkeur voor nota bene Marsrepen maar ook met een kennelijk voortijdige ejaculatie op het vloerkleed aan de Reinier Vinkeleskade. En ook Henriëtte van Eyk komt heel dichtbij, met een liefde die haar scepsis en het besef dat Vestdijk er toch niet helemaal voor ’ging’, overschaduwt.

Ten slotte culmineerde hun relatie in een gezamenlijk geschreven roman, ’Avontuur met Titia’, maar je houdt toch sterk het gevoel dat er op het menselijk vlak meer in had gezeten.

Als Vestdijk zijn ’zin’ heeft gekregen, in Doorn blijven én Jetje in het geheim blijven zien, dooft langzaam het vuur in deze correspondentie. Je voelt (en ook de geadresseerde voelde dat feilloos en merkt op hoe ’koel’ de brieven zijn geworden ) dat Vestdijk zich niet helemaal meer geeft, dat er nog wat flauwe intimiteiten volgen, wat vrijblijvende aanhankelijkheidsbetuigingen, maar verder niet.

Jetje van Eyk moet zich in haar hart flink bedonderd hebben gevoeld. Zij zocht steun bij de intellectuele reus die Vestdijk was, maar kreeg kleinzielig gemarchandeer. Met haar nuchtere en ironische inslag heeft ze die zoveelste teleurstelling (na haar stukgelopen huwelijk) overwonnen. Vestdijk van zijn kant kwam na de eerste liefdeshoogtepunten in een van zijn depressies terecht, waar hij zijn nieuwe liefje ook geen deelgenoot van wilde maken. Zijn trouwe metgezellin Ans zorgde daarentegen maar al te graag voor hem. Zo liet de voormalige gijzelaar van Sint-Michielsgestel (dat was in 1946 nog niet lang geleden) zich opnieuw gijzelen, door zijn veilige en betrouwbare haven, Doorn en Ans.

Daarmee gaat het geheel toch enigszins als een epistolaire nachtkaars uit. Van de boeiende bekentenissen, zelfanalyses en wanhopige verzuchtingen in het begin verzandt de correspondentie in gekeuvel over de wederzijdse huisdieren, met welke romans ieder voor zich bezig was en wie waar een lezing moest houden en wat het opleverde.

Grappig is wel dat in de laatste hier verzamelde brieven van Vestdijk aan Henriëte van Eyk zowel Gerard van het Reve als W.F. Hermans als piepjong brokje om de hoek komt kijken. Hun aanwezigheid voelt aan als een voorbode van andere tijden, met minder pudeur en reserve. Vestdijk had zich toen al definitief verschanst in Doorn.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden